Het letterlijk verstaan van de Schrift

1982-01-08
  • Jaargang 26
  • nummer 1
Er is de laatste tijd in orthodoxe kring weer enige strijd ontstaan over het letterlijk opvatten en verstaan van de Heilige Schrift. Die strijd is op zichzelf niet nieuw. Zij is al zo oud als er over het verstaan van de Schrift is gehandeld en dat is al bijna twee duizend jaar het geval.
Soms lijkt het er op dat deze strijd wat is geluwd, dan echter leeft hij plotseling met meer of minder felheid weer op. Wie herinnert zich niet de affaire rondom de figuur van Dr J. G. Geelkerken, waarin de letterlijke opvatting van het begin van Genesis zo'n grote rol speelde, en de Synode van Assen de letterlijke opvatting van Gen. 2 en 3 als de alleen schriftuurlijke heeft geijkt.
Maar ook nu, 'een vijftig jaar later is de strijd om de letterlijke opvatting van de Schrift weer opgeleefd, zie ik het wel grotendeels door de invloed van de rijk vloeiende stroom lectuur van Angelsaksische oorsprong, die zich heftig verzet tegen het evolutionisme en ook via allerlei Evangelicals tot ons komt. Men spreekt hier wel van fundamentalisme, een eveneens uit Amerika stammende stroming. Het maandblad voor Evangelie en Cultuur 'Credo', een uitgave van de Stichting Confessioneel Beraad, wijdde aan het 'fundamentalisme' een afzonderlijk nummer (nov. '81). Daarin schreef de hoogleraar in het Oude Testament aan de Theologische Hogeschool te Apeldoorn een artikel 'Doet het fundamentalisme recht aan de Heilige Schrift?', waarin hij breed ingaat op de kwestie van het letterlijk verstaan van de Schrift, dat we volgens Oosterhoff vaak bij 'fundamentalisten' aantreffen. Hij spreekt zelfs van een zeer letterlijk verstaan. Nu laat ik de kwestie van het fundamentalisme graag rusten.
Het is een nogal complex verschijnsel, waarover van de zijde van de moderne of door moderne gedachten geïnfecteerde theologie vaak nogal meewarig het hoofd wordt geschud, maar dat voor wat de strijd tegen het ongeloof betreft zeker aan de goede kant staat. Natuurlijk neemt dat niet weg dat we verstandig doen het desondanks kritisch te bezien op de deugdelijkheid van zijn argumentatie en gehele strijdmethode, -want liefde maakt niet blind!
Maar zoals gezegd, om het fundamentalisme zelf gaat het me nu niet, maar om de ook daar te vinden vaak letterlijke opvatting van de Schrift, ook dan wanneer een andere opvatting en uitlegging meer voor de hand ligt.

Mededelingen van mei '81 doet drs. A. Keizer een nogal felle aanval op prof. Oosterhoff waarbij ook het letterlijk verstaan van de Schrift ter sprake komt. Uw artikel, zo schrijft hij aan het adres van de hoogleraar, "wekt. de indruk bij de lezer, die wel weet dat de Schrift niet altijd letterlijk spreekt, dat bedoelde broeders bedoeld zijn de zogenaamde 'fundamentalisten', G.J.) zo onverstandig zijn alles wat in de Schrift staat letterlijk te nemen. De lezer weet niet dat zij dat niet doen. Deze broeders doen alleen wat christenen van alle tijden hebben gedaan, namelijk wat op goede gronden in de Schrift letterlijk moet worden verstaan ook letterlijk nemen, maar' wat figuurlijk is bedoeld figuurlijk laten. De Schrift wijst de gelovige onderzoekers zelf daarbij de weg".

Ik ben het met de laatste opmerking geheel eens: De Schrift wijst de gelovige onderzoeker zelf daarbij de weg, inderdaad, maar dit houdt nog niet in dat de gelovige onderzoeker altijd voldoende naar de Schrift zelf luistert en zich in onbevangen lezen de weg laat wijzen. Hij kan in zijn lezen van de Schrift in dit opzicht tekort schieten, falen. Dit lijkt me een onweersprekelijk feit. Het tekort ligt daarbij dan niet aan de Schrift, maar aan de onderzoeker.
Het is dan ook nu eenmaal een feit dat van de zijde van hen, die zich gelovig met de Schrift willen bezig houden, meermalen verschil van mening is over de vraag waar de Schrift letterlijk of figuurlijk dient te worden verstaan. We kunnen ook zeggen: zelf wil worden verstaan.
Voorbeelden zijn gemakkelijk te noemen. Ik denk hier vooral aan het letterlijk verstaan van profetieën uit het Oude Testament van de zijde van de chiliasten, maar ook van hen, die ook verder menen uit de Schrift een reportage te kunnen lezen van toekomende gebeurtenissen, en wel heel ver gaan in het bepalen van de eindtijd. Profetieën, die slaan op wat er bij de terugkeer uit de ballingschap zal gebeuren en tegelijk van eschatologische strekking zijn, worden dan ook voor wat het wereldeinde betreft, daarbij letterlijk opgevat: Jeruzalem is en blijft de hoofdstad van Palestina en zo wordt de crisis in het Midden-Oosten rondom het huidige Palestina en Jeruzalem voorspeld geacht in Zach. 12 en Luc. 21 : 24! De laatst genoemde tekst wordt geacht vervuld te zijn in het jaar 1967. Een dergelijk letterlijke opvatting van de profetie komt voor in onze eigen kring! De zaak ligt niet zo eenvoudig als br. A. Keizer voorstelt. Daarom doen we er goed aan er op te wijzen dat voor wat het letterlijk verstaan of 'figuurlijk' opvatten van bepaalde Schriftgedeelten' betreft wij ons door de Schrift zèlf de weg moeten laten wijzen en ons er voor moeten wachten met vooroordeeld de Schrift te lezen of ons ook door de resultaten van de wetenschap te laten beïnvloeden. MAAR DIT GELDT DAN NAAR TWEE KANTEN.

Drs G. Keizer wijst er in zijn artikel aan het adres van prof. Oosterhoff op dat het opdringen van het evolutiegeloof ook veel exegeten is gaan imponeren. Ik geloof dat hij dat terecht doet. De opvatting van de dagen in Gen. 1 als tijdperken van zeer lange duur, zoals we dat bijKuyper en Bavinck vinden is niet te danken aan pure exegese van Gen. 1, maar dankt duidelijk haar ontstaan aan wat de wetenschap ons heeft gemeend te kunnen onthullen over de ouderdom van de aarde. De exegese van dagen als tijdperken bedoelt duidelijk voor de resultaten van die wetenschop ruimte te scheppen, hoewel direkt met nadruk moet worden gezegd dat bedoelde auteurs daarmee op geen enkele wijze het evolutiegeloof in het gevlei wilden komen. Zij hebben dat beiden diepgaand bestreden. Maar dit neemt niet weg dat de opvatting van de dagen van Gen. 1 als tijdperken duidelijk is ingegeven door niet zuiver exegetische motieven. Het is zo ook mogelijk dat men bij de exegese uitgaat van of zich laat bevooroordelen door het evolutiegeloof zelf en door resultaten, die liet evolutionisme zegt te hebben behaald. Dit is niet alleen mogelijk, maar gebeurt ook veelvuldig. Het mes snijdt echter ook naar de andere kant, want er is niet alleen het evolutionisme, maar ook het creationisme. Daarmee bedoel ik nu een bepaalde wetenschap, die uitgaat van de schepping door God als geloofsvooroordeel, maar daarvan uitgaande ook een bepaalde wetenschappelijke theorie ontwikkeld heeft over de ouderdom der aarde, over het catastrofale ontstaan van de aardlagen enz. Hierbij wordt gesproken over het wetenschappelijk scheppingsmodel, waarvan dr W. J. Ouweneel in zijn pas verschenen boek 'De schepping in 't geding' verklaart dat het op zich niets met religie heeft te maken maar puur een kwestie is van wetenschappelijke gegevens en argumenten, hoewel hij er aan toevoegt dat het wetenschappelijk scheppingsmodel evenmin absoluut te bewijzen valt als het evolutiemodel.
Hij verwerpt echter de geologische tijdvakken en de biologische evolutie op wetenschappelijke gronden en heeft "ontdekt - en dat is mooi meegenomen! - dat" hij "ook alleen dáárdoor het bijbelse scheppingsbegrip recht kan laten wedervaren", pag. 117/8, 121/22. Bij het laatste noemt hij dan ook uitdrukkelijk de scheppingsweek, zoals hij elders de nadruk legt op de dagen van Gen. 1 als werkelijke dagen. Waar nu op te wijzen valt is dat de exegese zich door dit wetenschappelijk scheppingsmodel en de resultaten van dit wetenschappelijke creationisme ook niet heeft te laten leiden noch te beïnvloeden, want dan laat zij zich evenmin leiden door de Schrift zelf. Ook van de wetenschap der creationisten geldt dat zij als elke menselijke wetenschap feilbaar is en niet mag heersen over de Schrift en haar uitlegging.

Ik geloof dat er reden voor is om dit met enige nadruk te zeggen. Want we zijn het er allen wel over eens, dat de Bijbel geen handboek is voor de wetenschap, ook niet voor die van de natuurkunde, hoewel het licht dat hij geeft ook daarover straalt en daarvoor van betekenis is.
Terecht zegt dr Ouweneel m.i. dat de Bijbel wel een onfeilbaar leerboek is over de gr6ndvragen ook van de natuur- en geschiedwetenschap; al geef ik toe dat het woord 'grondvragen' niet scherp belijnd is. Maar ik vind in zijn en ander er uiteenzettingen daarnaast toch een sterke nadruk gelegd op de in de Bijbel verhaalde feiten, die in verband staan met de natuur en op de betrouwbaarheid van die feiten, een nadruk die bij mij de indruk wekt dat men zo een steun meent te vinden tégen het evolutionisme en vóór de wetenschap van de creationisten.
Natuurlijk geeft men daarbij toe dat de Bijbel geen wetenschappelijk doel voert maar geloofsuitspraken geeft, spreekt in geloofstaal. De sprong naar de wetenschappelijke interpretatie is echter vaak niet zo groot en kan althans al te gemakkelijk worden gedaan. En dit kan wreken als een boemerang op de exegese zelf. Daarin dringt dan gemakkelijk een uit de natuurwetenschap geboren vooroordeel binnen, die de zuivere 'geloofsexegese' beïnvloedt en de eigenlijke bedoeling van de Schrift - de scopus - schuil laatgaan achter de wetenschappelijke interesse. Het omgekeerde van de door het evolutionisme beïnvloede exegese wat de resultaten betreft, maar principieel is er dan geen verschil in de methode van exegese: De Schrift zelf komt niet - voldoende - aan het woord. Ik denk hier om een voorbeeld te noemen aan de kwestie van de omvang van de zondvloed. Wat is het belang van deze kwestie? Gaat het daar bij hen, die opkomen voor de wereldwijde omvang ervan om een zuiver exegetische kwestie of ook om de theologische kwestie van de grootheid van Gods toon, 6f om zo steun te kunnen geven aan de natuurwetenschappelijke stelling van de creationisten dat de aardlagen catastrofaal zijn ontstaan, n.l. door of in verband met de zondvloed? Over die stelling zelf spreek ik niet, ik ben geen natuurkundige en weet van geologie niets af, misschien is die stelling uit wetenschappelijk oogpunt wel bizon der waarschijnlijk. Maar de kwestie is nu of dit de exegese van de betrokken Schriftplaatsen mag beïnvloeden. In elk geval geeft de Bijbel zelf ons geen enkele aanleiding om hierover een oordeel te hebben, het gaat hem hier om een heel andere zaak.

Natuurlijk ligt het duidelijk wanneer we spreken over de feiten uit de heilshistorie, over de heilsfeiten, die de grondslag van ons heil vormen en waarin Gods beloften hun vaste grond vinden. Over die heilsfeiten spreekt de belijdenis der kerk daarom ook nadrukkelijk. Want wat is een christen nodig te geloven? vraagt de Heidelbergse Catechismus en hij antwoordt: Al wat ons in het Evangelie bel66fd wordt en dan geeft hij de apostolische geloofsbelijdenis weer, die ons de voornaamste feiten waarin ons heil verankerd ligt met name noemt. De Bijbel is wezenlijk niet geïnteresseerd in zaken van natuurkundige of historische aard, maar in God en zijn heil voor ons zondaren 1). Hij spreidt in verband daarmee zijn licht wel uit over verschillende vragen, die ook voor de natuurkunde van belang zijn als ook voor andere wetenschappen, maar de tendens van zijn spreken is gericht op God en zijn heil. Alle in de Schrift verhaalde feiten staan dáármee in betrekking en dat is voor de exegese het enige wettige vooroordeel. De problemen van de wetenschap moeten ons daarbij niet hinderen of bepalen, ook niet bij de vraag of en waar de Schrift letterlijk dan wel 'figuurlijk' spreekt. Ook een christelijke natuurwetenschap - welke trouwens? r: moet daarbij thuis blijven, feilbaar als ze tenslotte is als elke wetenschap en van zeer beperkte mogelijkheden. De Schrift spoort ons wel aan -: als we er de gaven en de mogelijkheden voor hebben - tot allerlei wetenschappelijke arbeid, maar laat zich daarvan nimmer afhankelijk maken of in haar exegese bepalen. Samen zo in het geloof staan op de bodem van de Schrift alleen kunnen we wellicht ook onbevangen met elkaar discussiëren vanuit de Schrift zèlf wanneer we in bepaalde gevallen eens verschillen over de vraag of een bepaald Schriftgedeelte letterlijk of ook 'figuurlijk' moet worden verstaan.


1) Men leze in dit verband eens de inleiding van Calvijn van zijn verklaring van het boek Genesis en die verklaring zelf.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief