Judas (1)

1982-02-05
  • Jaargang 26
  • nummer 5

Een van de twáálven
Is het niet wat vroeg om het al over Judas te hebben? Hij is immers een figuur uit de lijdensgeschiedenis en volgens ons kerkelijk jaar zijn de lijdensweken nog niet begonnen. Nee, de lijdensweken niet, maar een nieuw lijdenstijd?
Of zou dat een te groot woord zijn? Is het niet kleinzerig om er 'over te vallen dat men de sporen wil uitwissen die het christelijk geloof heeft nagelaten in een vertrouwd woordenboek en dat je moeite hebt om een kalender te vinden waarin de weken nog beginnen met de zondag, de dag van de Heer? Maar juist het feit dat mannen van formaat zich verlagen tot zulke geniepige aanvallen is onthullend voor de nijd, die 'zich nu tegen Hem richt. Ik vind een nieuwe lijdenstijd geen te groot woord al moet ik toegeven dat christenen onder ons nog maar uit de verte bij vermoeden kunnen weten wat lijden om het geloof is. Ik voeg daaraan toe het feit dat velen afvallen van het geloof in Hem en dat de bijbel zegt dat zij daardoor de Zoon van God, wat hen betreft, opnieuw kruisigen en tot een bespotting maken.
Vandaar deze vroegtijdige aandacht voor Judas.

Is u dat wel eens opgevallen: als in de evangelieverhalen de naam van Judas valt staat er bijna altijd bij: 'een van de twaalven'.
Je kunt hier op twee manieren de idem toon leggen 'en dat maakt werkelijk verschil: 'een van de twáálven', maar ook 'één van de twaalven'.
Deze week kies ik voor de klemtoon op 'twáálven' en volgende week verleg ik die naar' één'.

De Here Jezus is verraden, maar we lezen ook dat Hij is overgeleverd. God de Vader heeft Hem overgeleverd in de handen der mensen en daarna is Hij van hand tot hand gegaan. Judas leverde Hem over aan de joodse leiders, die Hem op hun beurt overleverden aan Pilatus en Pilatus leverde Hem over aan de soldaten die Hem kruisigden. Er is wat met Hem gezeuld. Maar aan het begin van die reeks staat Judas. Een uit de twáálven. Voor Jezus is dat het bitterste geweest in zijn lijden: dat het verraad kwam uit de hoek van waaruit Hij liefde en trouw zou mogen verwachten.
Van een van de twáálven dus. Hij heeft dat ook onder woorden gebracht aan de paasmaaltij,d: 'Hij die mijn brood eet, heeft zijn hiel tegen Mij opgeheven'. In Johannes 13 lezen we dat Jezus na déze woorden ontroerd raakte in den geest. 'Het is geen vijand die mij smaadt, dat zou fk verdragen ... maar gij zijt het, een mens, mijn vriend en vertrouwde'. Dat was de klacht van een psalmdichter, maar zoals dat van veel klachten uit de psalmen geldt: Hij heeft dat op het allerhevigst beleefd.

Misschien is het goed om dat in deze nieuwe lijdenstijd te bedenken, zodat bij ons niet de irritatie om wat anderen Hem aandoen vooropgaat, maar de zorg 'Omwat Hij moet ondervinden van de zijde van hen, met wie Hij aan tafel zat. Voor Hem is dàt het pijnlijkste.

Judas, een van de twáálven. Hoe is dat toch mogelijk geweest? Er moet toch een dag zijn geweest dat ook Judas alles verlaten heeft om Hem te volgen en toen moet hij toch iets in Hem gezien hebben? In het Johannesevangelie, waar trouwens het duidelijkst wordt dat Hij "de ganse tijd van Zijn leven op aarde de toorn Gods tegen de zonde gedragen heeft" wordt Judas al in hoofdstuk 6 ontmaskerd.

Na de grote afval in Galilea zegt Jezus daar tot zijn discipelen: 'Gij wilt toch ook niet weggaan?' Als Petrus die suggestie verontwaardigt afwijst antwoordt Jezus: 'Heb Ik u niet twaalven uitgekozen? En één van u is een duivel'. Johannes tekent daarbij dan aan dat Jezus het oog had op Judas en laat er op volgen: 'een van de twáálven'. Weer die woorden 'een van de twáálven'. Ze 'zijn een soort knipperlicht dat waarschuwt voor een gevaarlijk punt in het verkeer.
In het verkeer met Jezus. Is het nu niet aannemelijk dat Jezus in die woorden: 'Gij wilt toch ook niet heengaan?' al gedacht heeft aan Judas en dat Hij Judas heeft willen waarschuwen. De Heiland zal dat pastoraal bedoeld hebben; als een hint: Judas, je zou nu nog terug kunnen want weet je wel waar je naar toe groeit als je in mijn omgeving blijft?

Dat past zo helemaal in de houding die Jezus in het algemeen heeft aangenomen met betrekking tot het volgen van Hem. Uit propagandistisch oogpunt gezien is die houding zwakjes geweest. Hij heeft meer geestdrift getemperd dan aangewakkerd. 'Zou je dat wel doen?' 'Besef je wel wat dat inhoudt?' In die toonaard sprak Hij. Een beetje afwerend soms. Hij 'is beducht geweest voor het strovuur, voor de bevlieging en zocht de weloverwogen beslissing van de volgeling die de kosten van het discipelschap had berekend.

En zoals Hij geen aandrang heeft uitgeoefend om mensen achter Zich te krijgen, zo heeft Hij ook geen geestelijk geweld gebruikt om zijn discipelen achter Zich te hóuden. In woorden waarin de suggestie nauwelijks hoornaar was, maar waar die toch wel in zat, heeft Hij tijdig in bijzijn van Judas gewezen op de mogelijkheid om van achter Hem weg te gaan.
Soms is dat beter. Er zit een zeker risico in dat behoren tot de twaalven.
Er zit beweging in ons. Naar Hem toe of bij Hem vandaan.
En zo vlak in zijn omgeving wordt die beweging versneld en verhevigd. Judas groeide zo ver bij Hem vandaan doordat Hij zo dicht bij Hem bleef. Heel langzaam is hij in zijn verraderrol gegroeid. Voor die verschrikkelijke mogelijkheid wil de bijbel ons waarschuwen in die opvallende herhaling van de woorden: Judas, een van de twáálven. Het verraad wordt ons in de bijbel voorgehouden als een volgroeide vrucht van een haat die juist vlak achter Hem, in zijn dagelijkse nabijheid, 'kon ontstaan. Onder de twaalven, onder de preek, onder het zingen en onder het bijbellezen thuis.
En Jezus, dit wetende, heeft wetbewust elke geestelijke pressie vermeden.

Wij hebben deze dingen misschien altijd geweten. Wij deden met die wetenschap ook wat door met een intussen achteehaalde slimheid te zeggen: 'Je moet niet mee, maar je màg. Maar Seth Gaaikema ging er mee aan de haal en voegde er aan toe: 'maar als je niet wou, moest je wel.

Wij hebben, nu zovelen Hem verlaten, grote fijngevoeligheid nodig om de goede toon te vinden als wij anderen, de vriend, de broeder, het kind, bij Jezus willen houden. Wat aandrang betreft moeten we zwak durven zijn, zoals Hij dat was en elk vertrouwen in de regel 'baat het niet schaadt het niet' moeten we laten varen. Die gaat in de buurt van het evangelie niet op. Onder de twaalven ging die regel ook niet op. Het kan zover komen dat je op een zaterdagavond moet 'zeggen: Zou je nou morgenochtend wel met ons meegaan? Dat is moeilijk hoor, dat te zeggen.
Moeilijk om daar de goede toon voor te vinden: niet boos, niet sarcastisch, niet gemaakt,zorgeloos en ook niet onder tranen want die zijn misschien het krachtigste pressiemiddel en kunnen veel kwaad doen. Misschien wel met een brok in je keel, maar dat zal Hij ook wel gevoeld hebben toen Hij zei: Gij wilt toch ook niet weggaan?

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief