Werken aan jezelf

1982-02-05
  • Jaargang 26
  • nummer 5
Het dagboek van Etty· Hillesum, een Joods meisje dat in 1943 werd vergast, is zonder meer een ontroerend boek. We kennen meer aangrijpende boeken, die de vreselijke tragedie van een "Endlösung" behandelen - maar weinige, die van zo grote betekenis zijn als dit boek.

Wie geneigd is de beste te vergelijken denkt eerst aan "Het Achterhuis" van Anne Frank; geschreven door een jong kind, dat een snelle groei beleefde in de kascultuur van een Amsterdamse zolder. Het tweede boek, "Nacht und Nebel", is van Mr FI. B. Bakels, die de Duitse vernietigingskampen overleefde en tot christelijk geloof kwam. We hebben het in 1978 uitvoerig in dit blad behandeld. Dit laatste boek is belangrijk omdat de schrijver in Christus leerde de haat te overwinnen door de liefde.

We zijn bereid "Het verstoorde leven" het beste van de drie te noemen. Niet alleen omdat de schrijfster tot het christendom is gekomen wat al een grootse overwinning van het Kruis betekent. Ook niet omdat zij de moed had, met open ogen de ondergang tegemoet te treden. Zeker niet omdat haar boek - verschenen veertig jaar na dato - als gisteren geschreven schijnt te zijn en in weinige maanden zeker vijf drukken beleefde. Zelfs nog niet omdat Etty Hillesum haar talenten en leven schonk aan de medemens, bereid om die te helpen tot het uiterste. Maar vooral omdat zij de menselijke haat en slechte driften bestreed in haar éigen hart; daartoe zichzelf methodisch onderzocht en analyseerde; om al de menselijke zwakheden en gebreken in haarzelf genadeloos aan te pakken; om als Paulus zichzelf te tuchtigen teneinde meer dienstbaar te zijn; en zo in vrees en beven haar eigen zaligheid te bewerken - omdat het God was, die woning in haar maakte.

Het zal een critisch denkend mens verwonderen, dat een dagboek over de tweede wereldoorlog na veertig jaren nog gevraagd en gelezen wordt. Misschien bent u geneigd te denken: het zit zeker vol bloed, geweld en seks? Hoe kan het anders een bestseller zijn?

Nu, er ruist enig bloed, er is een gerucht van gewelddadigheden en aan seks wordt ook gedaan.
Toch is het boek er niet vol van. Veel belangrijker dan de drie ingrediënten voor populaire lectuur is het christelijk element: de strijd tegen eigen hart, de overgave aan Gods liefdebeleid en een kort leven dat uitgroeit tot een eindeloos gebed.

Dat christelijk "element" - het woord deugt niet want wat aanvankelijk een bijkomend element schijnt, blijkt langzamerhand het hoofdthema te worden - is niet aan de menselijke gegevens toegevoegd, maar vermengt er zich mee als gist. Anders gezegd: het christendom komt niet als een vernis over de mens, maar dringt in hem door. De Geest draagt geen plusteken voor zich uit maar een vermenigvuldigingsteken. De vraag is nu: begrijpen de honderdduizenden lezers dit - of zien ze er een extra dramatische dimensie in? Wordt dit boek gevraagd omdat het geweldloze karakter in de mode is - of omdat men de onoverwinnelijke genade Gods herkent in een buitenkerkelijk christendom? In het laatste geval mogen we dubbel dankbaar zijn voor zulk een schijnend licht in zulk een sombere wereld.

Zij begon haar dagboek met schroom: "om het leven tot een redelijk en bevredigend einde te brengen". Duidelijk voor eigen gebruik en niet voor publicatie bestemd. Het beslaat een periode van anderhalf jaar, tussen maart 1941 en oktober 1942, met nog enkele brieven uit het voorlaatste station, Westerbork. Het lezen van dit zeer delicate en openhartige dagboek ligt dan ook aan de grens van het betamelijke.

De begaafde schrijfster, kleindochter van een opperrabbijn, dochter van een rector en een Joods-Russische moeder, had juist tevoren de studie van de psychologie aangevat, nadat ze doctoraal rechten had afgelegd. Tegelijk was ze aan de Slavische talen, met name Russisch, begonnen.
In het kader van haar studie ontmoette ze een Duits psycholoog, leerling van Jung, die mede de chirologie, handlijnkunde, praktiseerde. Deze begeleidde haar studie met zulk een elan en overgave, dat haar snelle rijping voor een deel uit hem moet worden verklaard. Altiid klaar op de achtergrond van haar emotionele en intelligente levensvragen, was hij haar tot vraagbaak en stimulans, tot leraar en vriend; die haar leerde op eigen benen te staan en zonder zijn hulp de op haar afstormende problemen op te lossen.

Evenals Augustinus was Etty Hillesum bezeten van de wens: God en de ziel te leren kennen.
Nu kan het woord psychologie inderdaad vertaald worden als kennis van de ziel. Maar de schrijfster zocht verder dan dit. Als Augustinus streefde ze naar een kennis van de menselijke inventaris, die over de grenzen van de wetenschap tot wijsheid leidt. Haar studie, theoretisch opgezet, werd onder de druk van de tijd onmiddellijk in praktijk gebracht. Niet voor de school, maar voor het leven leerde zij. Haar snelle en verbijsterende bloei leverde dan ook honderdvoudige vrucht: voor de tijd van haar eigen korte leven, maar evenzeer voor wie dit dagboek alsnog leest.

Een der eerste menselijke driften, die haar omgeving haar ruimschoots aandroeg: de haat tegen de beulen, leerde ze beheersen. Haat is een ziekte van de eigen ziel, begreep ze. Met haat bouwen we niets op, maken alleen alles kapot. Leed en onrecht, angst en paniek worden niet met haat overwonnen - maar met begrip en geduld en zelfkennis. Als we eenmaal door onze haat tot net zulke wilde honden verworden zijn, geeft het allemaal niets meer, 123. Bij de ergste misdaden moet je achter de beul de mens opzoeken, Gods evenbeeld, 90. En de rottigheid van de mens zit ook in óns, 81; daarom, als we de wereld willen verbeteren moeten we bij onszelf beginnen. Ze begint te zien "in welke gapende afgronden de scheppingskrachten en de levensvreugde van de mens verdwijnen; het zijn de (zwarte) gaten die alles opslokken en die gaten zitten in het eigen gemoed", 172.

In plaats van haat stelt zij liefde: het kwade overwinnen door het goede. En dan "liefde tot iedere toevallige naaste, tot ieder evenbeeld van God", 189. Ze wil trachten "een klein beetje verbroedering te brengen tussen al die zogenaamde vijanden", 176 "En als eenmaal die mensenliefde zich in je gaat ontplooien, groeit ze tot in het onmetelijke uit", 134.

U ziet dat ze hier al veel verder is dan de psychologie haar kon brengen. Haar leermeester zei haar: wat in je hoofd zit moet in je hart komen, 22.

Haar tweede opgave was: het lijden te verwerken. Ze verstond, dat we het lijden niet voortijdig naar ons toe moeten halen: niet moeten lijden voor de tijd. Wie zegt het leven lief te hebben, maar nu al onder gaat aan angst en haat, heeft het leven voortijdig verminkt; wil van het leven alleen wat aangename details genieten. Het lijden is een deel van ons leven, begrijpt ze. En dat lijden doet niet God ons aan - daar zijn we zelf aansprakelijk voor. "Die angst om iets in het leven te kort te komen maakt dat je alles te kort komt." "Natuurlijk, het gaat om onze volledige vernietiging - maar laten we het toch met gratie dragen", 177. En "al dragende vergroot zich de draagkracht", merkt ze verwonderd op, 172.

Er is nog een lichtpunt, dat haar ontwikkeling in een gouden gloed zet. Het is de ontdekking, dat God alle dingen zeer schoon gemaakt heeft. Daarvan is ze vervuld na het lezen van de Bijbel, na het leren knielen in de badkamer. Vele malen en in de smartelijkste omstandigheden blijft haar hartje zingen: dat Gods wereld, ondanks alles, schoon is, 20; dat het leven groot en goed en boeiend en eeuwig is, 71; dat het leven ondanks de Gestapo schoon is, 83. Aan het eind van iedere dag, die aan eigen kwaad meer dan genoeg blijkt te hebben, blijft ze zeggen: het leven is toch zeer schoon, 85. Ze blijft Gods schepping prijzen, 90 en 114. Als Habakuk die de ondergang voorzag blijft ze zich verheugen in de God van haar heil. Ze is "bereid tot in de dood te getuigen, dat dit leven schoon en zinrijk is en dat het niet aan God ligt, dat het zo is als het nu is, maar aan ons", 124.

Het zal u duidelijk zijn in hoeverre hier uit wetenschap wordt geput en in hoeverre uit eeuwige bronnen. Daarbij zal u opvallen, hoezeer ze haar actieve aandeel op zich neemt, het werken aan zichzelf. Niet belast door christelijke dogmatiek of theologisch vooroordeel is ze, als Paulus, ijverig bezig zichzelf gereed te maken tot beter dienst: een nuttig instrument in Gods hand te zijn.

Dat zat vaak in kleine dingen. Van huis verwend met lekker eten begreep ze, dat veel en lekker eten de maag bederft en de weerstand verzwakt; en dat terwijl ze straks grote weerstand moest zien te hebben. Tegelijk: dat teveel geestelijk voedsel tot hoofdpijn, depressies en kwalen leidt. Bovendien: dat niet haar studeerkamer haar werkplaats moet zijn - maar de maatschappij met de angstige, kermende Joden. Boeken brengen geestelijke luiheid; ze moest luiheid, geremdheid en onzekerheid over boord gooien om tot zichzelf te komen, en via haar zelf tot anderen, 38.

"Heer, geef me liever wijsheid dan kennis", bad ze; en een beetje deemoed, 46, 47. "Het leven is gecompliceerd en niet te vereenvoudigen; zelf moet je maar eenvoudig zijn", 56. En ze tuchtigde zichzelf met vroeg opstaan en een koud bad, met een tijdslimiet om nieuwe rampen te verwerken.
Ze had neiging tot ascese, maar besefte dat dit te ver van de bruikbare werkelijkheid af zou staan, 54. "Men moet alles opgeven om de duizend kleine dingen op een dag voor anderen te doen, zonder zichzelf daarin te verliezen", 122. Haar zelfdiscipline luidde: geen grote dingen fantaseren, maar je plicht doen en hard werken.

Zo werd ze bewaard en bewaarde zichzelf voor nutteloze paniek. Maar haar blik op de toekomst werd steeds helderder. Ze zag het smartelijk proces: geboren om zelfstandig te worden, in de zekerheid dat bij anderen geen steun te vinden is - alleen bij God. En dan werken met "een beker koud water" voor ellendigen. "Het gaat er niet om, of ons ongeoefend lichaam het volhoudt - maar, als men ellendig omkomt, of men gevoelt dat het leven zinrijk en schoon is en dat men alles innerlijk verwezenlijkt heeft en dat het leven goed was", 118. Als ze zou weten over een week te moeten sterven, zou ze nog zeven dagen hard kunnen werken. Want leven en sterven zijn zinrijk verbonden, 120.
"Dit leven is iets prachtigs en groots; we moeten nog een hele nieuwe wereld opbouwen, later", 186. "De hoofdweg van mijn leven strekt zich een heel eind voor me uit en reikt al in een andere wereld", 187.

U ziet dat hier nog wel een vervolg in zit.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief