Over de waarheid (1)
1981-07-03
1. Inleiding- Jaargang 25
- nummer 26
Het bekende rapport "over de aard van het Schriftgezag" bevat heel wat filosofische inzichten en uitspraken.
Op zichzelf is dat geen reden om er afwijzend over te oordelen. Veel erger is dat een verkeerde filosofie, nl.
een subjectivistische filosofie dit rapport doordrenkt heeft. Niet alleen in het eerste hoofdstuk, maar ook verder.
Daarmee wil ik niet zeggen dat ik niet op allerlei punten waardering heb voor dit rapport. Ook niet dat ik het geheel eens ben met de biblicistische en fundamentalistische kritiek die intussen op dit rapport is uitgebracht.
Kortom: ik zit wat ongemakkelijk.
Filosofisch gezien heb ik ernstige christelijk-filosofische bezwaren tegen dit rapport, uiteraard het meest tegen het eerste hoofdstuk dat de toon aangeeft. Maar die bezwaren betreffen dikwijls evenzeer de theologische kritiek op dit rapport.
Dikwijls, niet altijd, want "in geest en hoofdzaak" voel ik mij veel meer en dieper verwant aan biblicisten en fundamentalisten (ondanks wetenschappelijke bezwaren), dan aan het onbijbelse en engereformeerde denken dat in heel dit rapport m.i. de boventoon (naast andere tonen) voert.
Het eerste hoofdstuk van het rapport heeft als titel "Veranderingen in het waarheidsbegrip". Terecht staat in de inleiding van het rapport dat de kerngedachte van het eerste hoofdstuk "de structuur van de volgende hoofdstukken" bepaalt.
("God met ons", blz. 6. We citeren in het vervolg alleen met het nummer van de bladzijde. Men behoort m.i. de heilige Naam van God niet te gebruiken voor de titel van een geschrift, zeker niet wanneer te verwachten is dat het veel verhandeld en vaak geciteerd zal worden.)
Inderdaad, de geest die zich openbaart in de beweerde "veranderingen in het waarheidsbegrip", manifesteert zich ook in de theologische beschouwingen van de volgende hoofdstukken.
In deze artikelenreeks beperken we ons echter hoofdzakelijk tot de filosofie over het waarheidsbegrip.
Vandaar onze titel "Over de waarheid". Met de ondertitel wil ik onderstrepen dat het niet de bedoeling is dat ik een systematisch-wijsgerige verhandeling ga geven over het waarheidsbegrip. Wel bedoel ik vanuit de systematisch wijsgerige achtergrond van de "wijsbegeerte der wetsidee" wat losse notities en vooral kritische aantekeningen te plaatsenbij het genoemde eerste hoofdstuk.
2. Hedendaagse veranderingen in het waarheidsbegrip
Als een vanzelfsprekendheid merkt het rapport op dat hoofdstuk 1 bedoelt op "de positieve inzichten (te) wijzen, die liggen in de hedendaagse veranderingen in het waarheidsbegrip" (9). Zelf zou ik in mijn kritiek ook willen attenderen op zulk een "positieve" trek in het waarheidsbegrip zoals dat vooral in het eerste kwart van onze eeuw enigszins veranderde.
Meer dan in vroeger eeuwen werd nl. in onze eeuw vaker het verschil in rekening gebracht tussen wetenschappelijk (c.q. theoretisch) spreken en denken enerzijds, en het denken en spreken in het kader van de alledaagse levenspraktijk anderzijds.
Dit is m.i. een veel positievere trek, dan de hoofdtrek in het hedendaagse filosoferen over wat waarheid is. Die hoofdtrek is m.i. een toenemende radicalisering van de subjectivistische tendenz die er reeds minstens drie eeuwen lang gaande is in de wijsbegeerte. Daarnaast is er van dit subjectivisme een sterke variant, nl. die van een reductie van het waarheidsbegrip tot theoretische juistheid.
Maar zeer belangrijk is m.i., die onderscheiding tussen de praktische waarheidsidee zoals die in het niettheoretische alledaagse leven en spreken functioneert, en de kennistheoretische waarheidsbegrippen.
Hoe en wat dat verschil nu precies is, hoe het theoretisch geduid moet worden, is vers twee. Daarover kan en za1 men gemakkelijk een wetenschappelijk verschil krijgen. Ongeveer een halve eeuw geleden hebben ook Vollenhoven en Dooyeweerd het grote belang van deze onderscheiding tussen het praktisch en theoretisch denken, en daarmee ook tussen de praktische waarheid en de theoretische waarheid sterk beklemtoond.
Zij verschilden onderling in details wat de nadere theoretische precisering en omschrijving van dat verschil aangaat. Maar zij proefden beide de typisch onchristelijke hoogmoed die er schuil gaat achter de hogere waardering van het wetenschappelijk resultaat van onderzoek en denken boven het praktische kennen en kunnen in de zgn. "naïeve ervaring". Zij openden veler ogen voor deze humanistische westerse denktraditie, die reeds vanuit het voor-christelijk heidendom stamde en via de "gnostiek" ook onder christenen zijn duizenden versloeg.
Niet dat het christelijk zou zijn om deze waardering nu gewoon om te draaien. Het praktisch kennen en denken heeft het niet bij voorbaat altijd bij het rechte eind. De bekende paulinische belijdenis dat wij "ten dele" kennen, gaat op voor beide; voor de praktijk en ook voor de wetenschap.
Maar het moderne inzicht dat er, hoe dan ook, een verschil in aard en karakter is van de praktische en de theoretische waarheid, dàt is voor de wijsbegeerte m.i. een niet meer te negeren feit, het is een gegeven in onze westerse cultuur. De reformatorische wijsbegeerte heeft dit verschil trachten te verklaren en wijsgerig te duiden in voorlopige kennis- en wetenschapstheoretische theorieën. Zij legt er ook grote nadruk op omdat het erkennen en in rekening brengen van dit verschil van onmiddellijke praktische betekenis is voor kerk en theologie. We komen op dit punt later nog wel terug.
Intussen spreekt het rapport in zijn eerste hoofdstuk alleen maar over "de" waarheid, zonder genoemd verschil in rekening te brengen. Dit wreekt zich onmiddellijk in de weergave en kritische beschouwingen over "het" waarheids-begrip. Zelfs wordt - en dat is een wijsgerige grond fout - gesuggereerd dat er in het praktische leven en denken van de mensen bewust of onbewust gewerkt
wordt met een theoretisch waarheids-begrip, of zelfs met een "onbewuste" waarheids-theorie. Dit punt vereist onze scherpe opmerkzaamheid!
3. Hanteren de gelovigen een waarheidstheorie ?
Van Pilatus weten we dat hij de vraag stelde "wat is waarheid?" (Joh. 18: 37). Iedere filosoof die weet heeft van de vele verschillende waarheidstheorieën die in de wijsbegeerte in omloop waren en zijn, zal uit het verband van dat woord begrijpen dat Pilatus deze vraag bepaald niet stelde in een theoretisch verband, noch met een theoretische belangstelling en probleemstelling .
Het is duidelijk dat hij van Jezus niet veel begreep. Van diens koningschap niet en van de reden voor zijn gevangenneming niet. Toen Jezus daarna ook nog zei: "een ieder die uit de waarheid is, hoort mijn stem", begreep Pilatus het weer niet en ook helemaal niet meer. Met duidelijke wrevel omdat hij in deze moeilijke affaire betrokken werd, wilde hij kennelijk zijn niets begrijpen van de hele zaak duidelijk demonstreren door onverschillig-kritisch in te haken op het inderdaad voor hem onbegrijpelijke woord "waarheid", zoals Jezus dat hier gebruikt. Uit de waarheid zijn? Wat is dat? Wat is waarheid? Maar dat hij praktisch drommels goed wist wat waarheid was, demonstreerde hij ook. Want onmiddellijk nadat hij die vraag stelde draaide hij zich om en sprak de woorden: "ik vind geen schuld in Hem". Dat was gewoon de waarheid.
Daarvan maakte Pilatus geen "probleem".
Jezus was z.i. onschuldig.
Daar kwam ook geen relationeel waarheidsbegrip aan te pas, alleen maar het onveranderlijke praktische begrip, het weten, dat hij niet loog, toen hij dat zei.
Zo is het nog altijd in ons nietwetenschappelijk, niet-theoretischpraktisch leven, en ook in ons alledaagse spraakgebruik. Daarin hanteren wij geen theoretisch waarheidsbegrip.
Daarin houden wij niet, zoals het rapport zegt (9) er "meestal onbewust" een bepaalde voorstelling op na van wat "waar" of "waarheid" als zodanig is. We hebben maar niet een bepaalde "voorstelling" van wat waarheid is, maar we weten het, althans ieder normaal en volwassen mens. We weten in de praktische con tekst van ons leven heel goed wat waarheid is, tegelijk met wat onwaarheid en leugen is, of fantasie.
Wij hebben in de praktijk geen voorstelling of definitie in ons hoofd inzake wat waarheid als zodanig of op zichzelf is, die wij dan gaan toepassen op een uitspraak of een gedachte om aldus tot de conclusie te komen dat die uitspraak of gedachte w..ar is. Dat doen we bewust niet, maar ook onbewust niet. ZÓ loopt het proces van de praktische kennisverwerving nu eenmaal niet. Dit is een "model" inzake het proces zoals dat gaande is in het wetenschappelijk kennen en betogen. In de praktijk echter weten wij zonder meer dat wat wij zeggen of denken "waar" moet zijn, in de zin dat het moet kloppen met de werkelijkheid, daarmee in overeenstemming moet zijn, althans met datgene wat wij als werkelijkheid of feiten ervaren. (Dat laatste zeg ik er opzettelijk bij, want ook onze werkelijkheidservaring kan door en door onjuist zijn. Daarom is het "zijn uit" de waarheid, waarover Jezus sprak, zo belangrijk voor het goede, ware ervaren van de werkelijkheid).
Het humanisme dat uitging van het idee dat de wetenschappelijke waarheid pas de echte, hogere, meer zuivere waarheid is, heeft in zijn leidinggevende filosofen altijd beweerd dat de praktische levenservaring er onbewust een gebrekkige waarheidstheorie op na houdt. Het domme volk ziet alleen wat voor ogen is en denkt dan dat dàt de waarheid is. De "Denkers" (met hoofdletter) zouden wel beter weten.
Zij laten zich niet leiden door de schijn. Zij richten zich op de "ware" werkelijkheid, op "het wezen" van de dingen, op wat er diep verborgen in of achter zit.
Evenwel, de duidelijkheid van Gods gebod: "gij zult geen vals getuigenis spreken" berust op de constante, alle eeuwen door onveranderlijk blijvende waarheid, dat ieder mens praktisch gesproken het verschil weet tussen liegen en waarheid spreken. Daar komt geen "veranderend waarheidsbegrip" van filosofen aan te pas.
Zeker, in de wetenschappelijke wijsbegeerte zijn er vele en telkens weer veranderende theorieën over wat waarheid is, of zijn moet. Daarover bestaat een grote massa vakliteratuur.
Vorig jaar kocht ik nog een boek met over de 500 blz. selecties uit de discussie over waarheidstheorieën in de 20ste eeuw. Maar er zijn bibliotheken vol over geschreven. Dat wijst op de oneindige en altijd in gebrekkigheid uitgevoerde taak van de wijsbegeerte, om een gegeven uit de werkelijkheid van het leven op de juiste wijze in beeld te brengen. Dat gegeven verandert in principe niet, de theorieën er over veranderen wel vaak. Wat waarheid is, in onderscheiding van onwaarheid, fantasie, leugen, bedrog, halve waarheid, dat is alle mensen bekend. Dat is een gegeven uit het menselijk leven. Zo is de mens geschapen. In en met zijn levenservaring ontwikkelt zich dat besef van wat waarheid is en wat niet.
Maar als er in de levenspraktijk conflicten ontstaan, of onzekerheden, verwarring of mislukking, dan kan het wel eens nuttig zijn dat ook wetenschappelijke theorieën een helpende hand bieden bij het praktisch onderscheiden van wat (over iets concreets) nu wel of niet waar is.
Zo is er thans in het kerkelijk leven opnieuw een strijd opgelaaid over de waarheid van de Bijbel. Theologie en filosofie worden te hulp geroepen om daar het hunne van te zeggen.
Dat is in de 20ste eeuw van onze cultuur nuttig en nodig, ook zonder dat het christelijk geloof en de kerkelijke praktijk daarvan nu geheel afhankelijk moeten worden. Als dat zo zou zijn, dan hebben we ons geloof in God afhankelijk gemaakt van, of misschien wel verwisseld met een geloof in een wetenschap.
(wordt vervolgd)