Bidden voor het eten

1981-07-03
  • Jaargang 25
  • nummer 26
Het is onder christenen gebruikelijk (geweest?) om voor het eten te bidden en na afloop opnieuw. Daartussen lagen maaltijd en bijbellezen. Zo ongeveer is het ons door de vaderen overgeleverd en zo is het ons wel gegaan.
Hoe zich dat in de toekomst zal ontwikkelen is niet bekend. Wel dat de gewoonten van het christelijk gezin terdege worden aangetast. En daar moesten we voor oppassen, dunkt me.
In veel gezinnen is het onmogelijk geworden, de maaltijden gezamenlijk te gebruiken. De verschillen in schooltijden, reistijden, lesroosters, werktijden, verlofperioden en zo voort, staan hier mee in verband. Dat brengt ons in flagrante tegenstelling tot bijvoorbeeld een Zuidafrikaans gezin uit de achttiende eeuw, dat de dag begon en afsloot met een gezamenlijke ,godsdienstoefening. Die, kon alleen gehouden worden wanneer de hele familie met knechts en meiden present was. Dat is bij de maaltijd.
De Bijbel geeft ons enige aanwijzing terzake - maar die ligt anders dan de traditie. De Bijbel spreekt van een dankzegging voor het eten en een lofzang na afloop. Misschien slaat hier de zinsnede van Paulus aan Timotheüs op: alle geschapen (spijs) is goed, mits met dankzegging aanvaard. Door de dankzegging is namelijk de Gever en Schepper geprezen en is elk afgodisch bijgeloof van tafel geveegd.
Hoe het hier te lande huiselijk gaat - we hebben er geen al te hoge verwachtingen van. Toch genieten we vriendschap van enkele families, waar het gezinshoofd (in oude stijl) voor de maaltijd gaat staan en een hartelijk dankgebed uitspreekt. Bij een gemeenschappelijke maaltijd op een vergadering of conferentie wordt met een "grace" geopend: "voor spijs en drank, voor vriendschap en broederschap, danken we U (in Christus Jezus), amen".
Het woord "grace" wijst al op dankzegging. We herinneren u aan Robert Burns' Selkirk grace: "Sommige mensen hebben voedsel maar kunnen niet eten. Sommigen zouden wensen te eten, maar hebben niet. Maar wij hebben voedsel en kunnen eten, dus laten we de Heer prijzen". Naar onze mening liggen dergelijke korte, krachtige gebeden meer in de lijn van Paulus dan een opsomming van alle noden en behoeftigen van gezin, staat, kerk en maatschappij boven een dampende schotel.

We herinneren ons dat we in vier jaren van pension-leven van dat bidden en danken zijn afgestapt. We gaven een dankzegging voor het eten en daarmee basta. Zo werden we bewaard voor sleur en voorkwamen de hinder van weggehaalde keukenspullen tijdens een gebed. Na ons trouwen zetten we deze traditie voort; alleen geven we elkaar na het bijbellezen de kans voor een persoonlijk stil gebed. Ook alom een teveel aan gewoonte-termen te vermijden. En eenmaal per dag bidden we samen het Onze Vader.
Nu willen we niet beweren dat wat wij doen, of wat Schotland doet, maatgevend zou zijn. We reiken u slechts wat materiaal aan om te overdenken.
Misschien doet u het beter. Misschien mogen bij u de kleine kinderen ook voorgaan - wat talloze verrassingen oplevert. En het gaat gelukkig niet altijd als bij Bartje, die niet wilde bidden omdat hij geen buine bonen lustte; Bartje van Anne de Vries bedoelen we.
Bekend is de anecdote van een plattelandsmeisje, in dienst gekomen bij een stedelijke familie. Die vergeleek het niet-bidden aan tafel bij de varkens thuis, die ook zonder plichtplegingen op het voer aanvielen. Niemand zegt dat ze het mis had of dat er geen lering in haar naïeve opmerking school.
Maar we kunnen er niet mee doorgaan. Er zijn meer dingen, die mensen en varkens gelijkelijk doen - zonder dat de vergelijking behoeft te worden doorgetrokken. En zeker moeten we het bijgeloof geen voet geven, als zou eten zonder gebed zijn voedzame uitwerking missen. Hoe belangrijk ons gebed als een practisch leven-met-de-Heere ook is, het is geen amulet tegen narigheden. Onze liefde tot de Heiland zoekt zijn beleving toch wel, ook als de dankzegging voor het eten moeilijk of onmogelijk wordt.
Wie in zijn leven redelijk vaak in restaurants heeft moeten eten weet, dat het geloop en geroezemoes om hem heen weinig kans geeft op een geconcentreerd; dat is een ernstig, gebed. Daarom laten wij het van de omstandigheden afhangen; treffen we een rustig hoekje, dan houden we ons aan de goede christelijke gewoonte van een dankzegging; maar zitten we in de drukte, dan laten we het bewust na. En zeker trachten we met ons gebed niet anderen ons christen-zijn op te dringen. Dat imponeert niet meer, dat kan zelfs irriteren.
Wij herinneren ons een classisvergadering op de Veluwe, die uit de hand liep en in een avondvergadering moest worden voortgezet. Intussen werd pauze gegeven, zodat ieder op eigen gelegenheid wat zou kunnen eten.
Waar? Er was maar een openbaar restaurant, annex café, annex biljard, annex van alles. En daar streek de zwarte vlucht neer.
Toen allen bediend waren eiste een der predikanten met een krachtdadig sssstttt de gewenste stilte van biljarters en koffiedrinkende reizigers, teneinde een gebed te kunnen uitspreken; het zoveelste op die dag. Geen wonder, dat deze plechtigheid op een sof uitliep. Met geen enkel recht kon een aantal ambtsdragers in een openbaar café algemene stilte vorderen.

Dat doet me denken aan een ervaring, die ik in mijn loopbaan had. Samen met een klein aantal collega's vergaderden we maandelijks een volle dag in een provinciaal centrum. De provinciale chef, van liberaal geloof, zat een beetje verlegen met de aanvang van de maaltijden, die ter plekke werden opgediend. Zelf piekerde hij blijkbaar niet over gebed of dankzeggingmaar hij wilde niemand voor het hoofd stoten. Zo kwam hij (ook) mij te vragen naar mijn mening: "u bent ouderling naar ik hoor; wenst u dat ik stilte geef voor de maaltijden?" - Ik antwoordde: "als u stilte geeft, gebruik ik die graag - maar laat u het na, dan zal ik er niet minder dankbaar om eten". - ,,0 bent u zo?", vroeg hij; "door anderen werd zelfs stilte voor het eten geëist". (Er waren collega's van een of andere gereformeerde kerk.) Het eind was dat de chef voor elke maaltijd en tikje tegen zijn glas gaf en met een nasaal stemmetje vroeg: "heren, mag ik een minuut stilte vragen?"
Om daar dan nog iets nasaler aan toe te voegen: "voor wie daar behoefte aan heeft ... " Dat laatste klonk bepaald denigrerend, amicaal pesterig.
Dat is zo een aantal jaren goed gegaan. Tot we eens met een groot aantal collega's vergaderden in de jachtkamer van de Echoput bij Apeldoorn. We zaten aan een stuk of tien tafeltjes gerangschikt, erg gezellig. Aan ons tafeltje zat de plaatsvervangende chef, die zei: "ik heb een machtige honger, zouden we maar niet aanvallen?" Een antwoordde: "wacht tot de baas het sein geeft". Ik hoorde iemand zeggen: "meteen tikt hij tegen zijn glas en zegt: heren, mag ik een minuut stilte vragen? En dan, met een knijper op de neus: voor wie daar behoefte aan heeft ... "
Op dat ogenblik werd tegen een glas getikt. Het werd stil en de chef aan de hoofdtafel zei: "heren, mag ik een minuut stilte vragen?" En daarna, nog iets nasaler: "voor wie daar behoefte aan heeft ... " Het was precies, alsof hij de vorige spreker had verstaan en die nauwkeurig nabootste. Mijn overbuurman sloeg nog een kruisje, maar proestte het meteen luidkeels uit - en dat was niemands bedoeling geweest. De oorzaak van de hilariteit aan onze tafel is op de terugweg stellig tussen dè chefs uitgewisseld. Dat bleek bij de eerstvolgende maandelijkse vergadering. Want de chef stopte nu na zijn eerste vraag om stilte, maar, voelend dat hij hiermee een duidelijk blijk van ongewenst schuldbesef gaf, vervolgde hij na enkele seconden, verveeld en nasaal: "voor wie daar behoefte aan heeft ... " Laten we hopen, dat hij intussen begrepen heeft, dat gebed en dankzegging geen zaak van religieuze behoeften is.

En tenslotte moet ik u vertellen dat ik eens diep getroffen ben door een jonge vacantieganger op trektocht. Het was bij MacTavish' Kitchen in Oban, waar we een lunsje genoten. Naast ons nam een trekker plaats: zo'n blozend, blond geval van twintig met een enorme rugzak, sterke uitrusting, machtige wandelschoenen, en een overdosis blijde levensmoed. Krakend liet hij zich neer op zijn stoel, naast zijn bagage, voor een dampend bord kostelijk eten.
Hij keek er naar, snoof er aan, vouwde zijn handen en sloot zijn ogen. Een kort dankgebed - ondanks alle drukte om ons heen, en het bord werd met smaak geleegd. Dat was dat.
Toen werd uit een tasje van de rugzak een bijbeltje getrokken. De jongeman nam er rustig de tijd voor om aandachtig een hoofdstuk te lezen. Zonder enige notie van het geloop, gepraat en de drukte om hem heen las hij geconcentreerd en devoot. Zoals Mohammedanen kunnen bidden in het stadsgewoel; zoals jonge mensen kunnen mediteren op straat. Toen sloot hij de ogen opnieuw, om nu lange tijd te blijven bidden. Onwillekeurig stokte ons gesprek, zo lang hij met gebogen hoofd zat. Daarna pakte hij alles in, hees zijn rugzak op zijn plaats en stapte op. Er ging een stukje zonneschijn de deur uit. We zuchtten toen hij weg was - het was schoon geweest.
Waarmee ik slechts illustreren wil dat er geen regels te geven zijn. De wijze kent tijd en wijze. Wanneer onze liefde tot de Heiland wil spreken, vindt zij de weg wel. Als die liefde maar niet verkilt onder ceremoniën.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief