Zwaarden omsmeden tot ploegscharen

1983-08-05
  • Jaargang 27
  • nummer 29
"Dan zullen zij hun zwaarden omsmeden tot ploegscharen ...". Een woord uit de Schrift dat wereldwijd bekendheid heeft gekregen: niet alleen in het westen, waar sommige vredesbewegingen het in hun vaandel hebben geschreven, maar ook in de landen van het Oostblok.
Merkwaardig genoeg is het de Sounet Unie geweest die jaren geleden al, aan de Verenigde Naties in New Vork een standbeeld heeft aangeboden, dat een man voorstelt die een zwaard omsmeedt tot een ploegschaar. Een feit dat hernieuwd onder onze aandacht is gekomen, toen de kerkelijke vredesbeweging in de D.D.R. - tegen de zin van de autoriteiten overigens - juist dit beeld adopteerde als haar kenteken.

Mede door de grote verspreiding die deze zinsnede uit Jesaja 2 gekregen heeft, is dit profetische woord tot een leus geworden. Zowel gelovigen als verklaarde atheïsten menen zich ervan te kunnen bedienen. Reden is over om het te ijken aan de temt van de profetie zelf.

Jesaja 2, 4 is een zinsnede uit "het woord dat Jesaja, de zoon van Amoz, geschouwd heeft aangaande Juda en Jeruzalem" (2, 1) en maakt dus deel uit van 'een visioen. Wat heeft de HERE aan de profeet .in dit gezicht getoond? Alle volken der wereld trekken op naar Jeruzalem, naar de tempelberg, waar God zijn naam heeft doen wonen onder de mensen. Onderling sporen ze elkaar aan: ,,Komt, laten wij opgaan naar de berg des HEREN, naar het huis van de God van Jakob, opdat Hij ons lere aangaande zijn wegen en opdat wij zijn paden bewandelen.
Want", zo belijden zij, "uit Sion zal de tora uitgaan en het woord des HEREN uit Jeruzalem" (2, 3).
Zo zal het geschieden ,,in het laatst der dagen" (2, 2).

Op het eerste gezicht verschaft dit visioen ons een wel heel optimistische kijk op het gedrag van de (heiden)volken in de eindtijd.
Spontaan schijnen ze zich te zullen bekeren tot de God van Israël.
Hoe moeten wij dat verstaan? In de eerste plaats dienen we er mee te rekenen dat dit visioen niet het enige is in de Schrift dat spreekt over het optrekken van de volken naar Jeruzalem. Het beeld dat we 'ons daarvan mogen vormen wordt pas enigszins volledig, wanneer we ook andere plaatsen raadplegen.
Zo lezen wij bijvoorbeeld in Zach. 8 : 22: "Ja, vele natiën en machtige volken zullen komen om de HERE der heerscharen te Jeruzalem te zoeken en de gunst des HERBN af te smeken”, en in Openb. 15, 4: "Want alle volken zullen komen en zullen voor U neervallen in aanbidding, omdat uw gerichten openbaar zijn geworden. Uit deze Schriftplaatsen blijkt dat er bij het optrekken naar Jeruzalem geensprake kan zijn van een spontane bekering: als gevolg van Gods gerichten komen de volken naar de tempel om de HERE te smeken om genade. Op hun eigen wegen hebben zij zich vastgelopen: daarom wenden zij zich tot God in Sion.

Dat er over het motief om op te trekken in Jesaja 2 nauwelijks iets gezegd wordt, valt te verklaren uit de geheel eigen functie die dit visioen in het kader van de prediking van Jesaja heeft. Dit gezicht vormt namelijk de inleiding op de oordeelsaankondiging aan het adres van Juda (2, 6-22).· Doelbewust confronteert de profeet het volk van God, dat flirt met het heidendom (2, 6-9) en dat de tora van de HERE links laten Liggen, met de volken, die in het laatst der dagen zullen smeken om diezelfde tora.

Zo komen wij, Schrift met Schrift vergelijkend, tot de conclusie, dat we in het visioen van Jesaja 2, te maken hebben met de volken die het geloof in zichzelf hebben moeten opgeven. Zó verschijnen zij voor God in Sion.

Hiermee is het visioen ten einde, ben je geneigd te denken: de volken zijn nu waar ze weren moeten. Toch is dat met het geval.
Als de vorken rond Jeruzalem verzameld zijn, neemt de HER!E plaats op de rechterstoel. Hij daagt de volken voor het gericht. Voordat zij toegang krijgen tot zijn Huis moeten de natiën eerst door het oordeel heen. En God zal richten tussen volk en volk. Hij zal rechtspreken tussen rijke en arme landen, tussen linkse en rechtse dictaturen, tussen' oliestaten en ontwlik1kelingslanden, tussen Navo en Warschaupact. En in dat gericht gaat Hij alles rechtzetten. Alles wat scheef gegroeid was, al het onrecht dat zich ongestoord scheen voort te planten, alle verwrongenheid: de HERE gaat het eens en voorgoed rechtzetten.

En ,,dan zulten zij hun' zwaarden omsmeden tot ploegscharen ... ".
Dan zo luidt de belofte, die de volken geldt die door het gericht zijn heengegaan. En wie deze orde - eerst het gericht en dan de vrede niet respecteert, die is bezig het visioen van Jesaja te vertekenen.

We komen terug op het standbeeld dat de Sowjet Unie eens geschonken heeft aan de Verenigde Naties: een man die, met inzet van al zijn kracht, een zwaard omsmeedt tot een ploegijzer. In het licht van het gezicht van Jesaja blijkt dit beeldhouwwerk een leugen te zijn; een karikatuur van wat de HERE aan de profeet heeft getoond Daar is een man neergezet, met vierkante schouders en gespierde armen, die een karwei staat te klaren.
Een mandie daar de wapens de wereld uit staat te helpen: louter op eigen kracht. Onthullend hoe in dit beeld tastbaar wordt hoe de mens die God aan de kant heeft gezet - hij, leeft in oost- en west – zich aan de profetie vergrijpt.

Jesaja heeft iets geheel anders gezien. Niet de supermens, maar de vol;ken die onder het gericht zijn doorgegaan, zij zullen hun zwaarden omsmeden tot ploegscharen en hun speren tot snoeimessen, De volken die gebogen hebben onder het recht van de HERE der heerscharen.
de volken die ten einde raad hun geloof in de mens hebben moeten prijsgeven en ten slotte enkel nog maar kunnen smeken: God van Jakob, leer ons uw wegen.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief