Judas (2)
1982-02-12
Het ontgaat u hoop ik niet dat ik in het opschrift je de klemtoon heb laten verspringen! 'Judas, een van de twááven' stond er vorige week en dat zijn woorden als in signaalrood geschreven, die ons waarschuwend zeggen wáár je juist zo vlak achter Jezus terecht kun komen. Je wordt in die woorden vlak naast Judas neergezet als een verschrikkelijke mogelijkheid. Maar als ik de klemtoon verleg: 'Judas één van de twaalven' zijn het plotseling woorden die mij bij Judas vandaan trekken en mij zeggen dat het beslist niet noodzakelijk is om in de omgeving van Jezus uit te groeien tot iemand, die Hem verraad. 'Eén van de twaalven' heeft Jezus verraden en wáárin de andere elf tegenover Hem ook tekortgeschoten zijn, verraden hebben ze Hem niet.- Jaargang 26
- nummer 6
In de lijdenstijd vraag ik mij soms af hoe ons zondebesef eigenlijk in elkaar zit. Er staan dan plotseling veel christenen op die bereid schijnen te zijn, de schuld op zich te nemen van het 'allerergste door mensen ooit verricht: de moord op Gods Zoon. Men laat zich daarvan dan massaal beschuldigen zonder een woord van protest. Op een bandopname hoorde rk een collega eens in een preek zeggen: 'Wij hebben Christus van de wereld weggepest'. Zou het niet gepast geweest zijn als er uit de kerkgangers iemand was gaan staan om vriendelijk te zeggen: 'ach, dominee, wilt u dat niet terugnemen want dàt hebben wij niet gedaan. Hij weet dat wij Hem liefhebben'?
Ik wil de schuld hiervan niet op de dichters schuiven, maar zij verwoorden wel vaak wat onder de mensen leeft. 't Fijnst lomte lezen 'zijn altijd de woorden waarvan je zegt: ik wou dat ik die had gevonden. Zo overschrijden ook dichters herhaaldelijk rondom het lijden van de Here Jezus de realiteit. Ik heb zelfs altijd wat afkeer gehad van de klassieke woorden van Revius: 'Ick ben, o Heer, ick ben 't, die U dit heb gedaan'. Uit de context blijkt dan dat de dichter in die woorden de schuld op zich neemt van alles wat de Here Jezus is aangedaan. Ik weet wel dat je dan moet doorlezen tot het slot: 'want dit is al geschiet, helaas! om mijne sonden', en bij die woorden moet ik schuldbewust het hoofd buigen maar van de belijdenis dat het Hem aangedaan is vanwege mijn zonden naar de bekentenis dat ik het heb gedaan, nee, dat is hier een te lange weg, die ik niet met gebogen hoofd ga. Datzelfde soort bedenkingen heb ik tegen de woorden van RoeI Houwink die ook nogal eens lijdenspreken hebben gehaald:
Waren niet wij het, die uw armoe hoonden?
Was het niet onze mond die U verried?
En was niet ik het die U spottend kroonde?
En diep de speer in Uwe zijde stiet?
Op al die vragen moet ik antwoorden dat ik dat niet was. Zo beroep ik mij nu tegen de woorden 'was het niet onze mond die U verried?' op de bijbelwoorden: 'Judas, één van de twaalven', niet alle twaalf.
Is het vanuit een bedenkelijk tekort aan ellendekennis dat ik dit zeg? Nee, maar ik ben voor véél, voor onnoemelijk veel bewáárd en het is vanwege die bewaring, die het werk van God is, dat ik deze dingen zeg. Ik wil niet dat de afwijzing van de geciteerde beschuldigingen in mindering komt op mijn schuld, maar ten goede komt aan de eer van Gods werk in ons.
Ik geloof trouwens dat die beschuldigingen en aanklachten rondom het lijden van de Here Jezus gevaarlijk oppervlakkig zijn. Ik geloof dat zij over de werkelijkheid van onze schuld heen zien. Ik moet er bij denken aan het liedje dat Wim Kan op oudejaarsavond zong met de climax: 'Horen wij niet thuis in de Bijlmer bajes?' Hij verwierf een klaterend applaus, maar in dat applaus zit natuurlijk ook een geweldig stuk oppervlakkigheid. Ik zou niet graag tegen zomaar een klappende meneer zeggen: 'Beseft u wel dat u in de bajes thuis hoort?' Tien tegen één dat ik iemand zou treffen die zou briesen van verontwaardiging. Terecht. Of misschien ook wel ten onrechte, want het is denkbaar dat er mensen zaten te klappen die inderdaad in de Bijlmer bajes thuis horen.
Welnu: als wij allen de Heer hebben gekruisigd, wat zit er dan nog voor dreigends in de waarschuwing van Hebr. 6 dat wij wat ons betreft Hem alsnog kunnen kruisigen? En als wij allen Jezus hebben verraden, hebben de woorden 'Judas, een van de twáálven' niets dreigends meer. Ik besef dan niet meer dat ik juist in zijn nabijheid kan komen tot een haat die Hem voor dertig zilverlingen verkoopt.
Wij kunnen in dit algemene, niet-reële schuldbesef vluchten Dm te ontkomen aan onze werkelijke schuld. Ik vind bij voorbeeld de vraag of wij niet mede schuldig zijn aan de moorden in El Salvador veel ernstiger. Ik weet wel dat ook hier de schuldvraag oppervlakkig kan worden, maar het zou ook kunnen zijn dat er door onze politieke slordigheid mogelijkheden worden verzuimd om er iets tegen te doen.
'Judas, één van de twaalven', dat opent toch perspectief. Het laat de mogelijkheid open dat ik behoor tot de elf, die Hem niet hebben verraden al is er overigens ook voor hen geen enkele reden om over hun houding te roemen. Maar waarom zou je zelfs boven deze elf niet uit kunnen komen? In mijn werkbijbeltje staat zowel in Marcus 14 als in Mattheüs 26 onder één kopje: 'de zalving en het verraad'. Ik weet wel dat die opschriftjes geen gezag hebben, maar daarom kunnen ze wel eens aardig zijn. Is het niet merkwaardig dat de bijbel hier twee mensen die in hun houding tegenover de Here Jezus elkaars tegenpolen zijn geworden zo dicht bij elkaar zet? Judas en Maria van Bethanië staan in één lijstje. Je komt in de bijbel zo vanuit de geur van de mirre in de stank van het verraad.
Zoals ik oppervlakkigheid bespeur in de beschuldiging dat wij allen Jezus hebben verraden, zo zou het eenzelfde soort oppervlakkigheid zijn indien iemand de weldaad die Maria Hem bewees zou claimen als een daad van ons allen.
Judas was één van de twaalven. En Maria was er één uit een nog veel grotere kring, maar toch zet de bijbel haar vlak naast Judas. Misschien om mij te zeggen: Het moet niet noodzakelijk uitlopen op het verraad van de Heer als je in zijn omgeving blijft, want het kan ook de kant uitgaan van een liefde waarvoor niets te gek was om zich uit te drukken. En nu Hij nog niet Zelf in ons midden is, in hoeveel gestalten is Hij nu niet onder ons om te bewijzen dat wij Hem liefhebben en Hem niet verraden, kruisigen of bespotten.