Tranen en aanstoot

1982-02-19
  • Jaargang 26
  • nummer 7
Er zit een merkwaardig trekje in ons: wij hebben de duisternis liever dan het licht. Ik bedoel dit nu niet in die diepe zin, waarin Johannes dat zegt in de proloog van het evangelie, maar meer in het klein. Zelfs ons eigen leed is ons soms heilig.
Er zijn mensen die je een beetje getroffen aankijken als je zegt dat ze er goed uitzien. Alsof ze daardoor onteerd worden. Veel mensen beginnen de lectuur van de krant ook op de achterpagina bij de overlijdensberichten. Misschien is dat trekje wel de voornaamste drijfveer geweest bij de vrouwen, die op de Via Dolorosa Jezus volgden, over Hem weeklaagden en zich op de borst sloegen. Daar is misschien nog bijgekomen de gedachte: dit had mijn kind kunnen zijn.

Het klinkt wat negatief en een feministische theologie zou er misschien veel meer uit kunnen halen maar je hoort hier toch dat ook Jezus dit medelijden afwijst. Niet bot en onvriendelijk, maar Hij heeft in elk geval ook geen woord van waardering. Er is blijkbaar rondom Jezus een vorm van vriendelijkheid en aanhankelijkheid mogelijk, die Hij niet zomaar kritiekloos wil aanvaarden omdat het nu eenmaal goed bedoeld is.

Zou je dat vandaag ook nog tegenkomen? Zou er nu ook nog een vriendelijkheid met betrekking tot Jezus mogelijk zijn, die Hem niet zoveel zegt? Zonder die vraag heeft het niet zoveel zin om na te denken over die vrouwen van toen.

Het is de moeite waard om de Jeruzalemse vrouwen eens te plaatsen naast een andere groep vrouwen die je in dit bijbelhoofdstuk ook een paar keer tegenkomt. Ik bedoel de vrouwen die Jezus vanuit Gallilea gevolgd zijn op zijn reis naar Jeruzalem en Hem gediend hebben van hetgeen zij bezaten, zoals Lucas ons vertelt, ook vrouwen die Hem vanuit Gallilea gevolgd waren.' Als Jezus gestorven is lezen we: 'en Zijn verwanten stonden van verre; ook vrouwen die Hem vanuit Gallilea gevolgd waren." En na de begrafenis van de Here Jezus worden zij opnieuw genoemd: 'de vrouwen die met Hem uit Gallilea gekomen waren, volgden en bezagen het graf'.

Steken de Jeruzalemse vrouwen nu niet gunstig af bij de vrouwen die Hem zo na stonden? Zij zijn wel in de buurt, maar het staat er zo kenmerkend: zij staan van verre. Zij houden afstand. Die afstand is er niet bij de Jeruzalemse vrouwen. Goed, láát er in hun belangstelling een morbide trekje zitten, maar moet hun weeklagen boven het vijandig gejoel uit Hem geen goed gedaan hebben? Wat is Hij. niet gevoelig geweest voor de nabijheid van een paar vertrouwden in de hof.
Als Johanna en Suzanna en Maria voor Hem onbereikbaar zijn, zijn de Mokumse vrouwen op gehoorsafstand van Hem. Wat zou het Hem goedgedaan hebben als de vrouwen uit Galilea zo dicht bij Hem warengeweest. En gezien het gedrag van de Jeruzalemse vrouwen was dat zonder groot gevaar mogelijk. Waar bleven ze dan?

Wat je in het gedrag van de weeklagende vrouwen mist is de aanstoot.
Blijkbaar is Jezus in geen enkel opzicht een probleem voor hen. Zij hebben het niet moeilijk met Hem.
Het gaat natuurlijk te ver om de aanstoot te zien als een positieve factor in de relatie tot Jezus, maar is het geloof bestaanbaar zonder dat het in Hem iets aanstotelijks ziet? Zegt Paulus niet dat het kruis iets aanstotelijks heeft waarvan het niet beroofd mag worden? (Gal. 5 : 11).

Die aanstoot is er wel geweest bij de vrouwen die Hem vanuit Gallilea zijn gevolgd. Hun distantie is ook door de Heiland tevoren getypeerd als aanstoot nemen, toen Hij zei: 'Gij zult allen aanstoot aan Mij nemen deze nacht, want er staat geschreven: Ik zal de herder slaan en de schapen zullen verstrooid worden'. Dat is wel gezegd tot de twaalven maar ook met de vrouwen is dit gebeurd en daarom houden zij die afstand. Valt het niet op, dat er in de woorden waarin Jezus dit gedrag voorspelt geen verwijt doorklinkt? Er heeft in het gedrag van de vrouwen iets onvermijdelijks gezeten. Zij weten geen raad meer met Hem.

Ik denk er niet aan om nu zomaar groepen christenen gelijk te stellen met de vrouwen van Jeruzalem, maar toch hoor ik uitingen van christelijk geloof, waarvan ik mij dan afvraag: hebben die mensen het dan nooit moeilijk met Hem? Is Hij voor hen net zo probleemloos als Hij voor de vrouwen uit Jeruzalem was? Maar de herder wordt nu toch in allerlei opzichten opnieuw geslagen!
Nu moeten we natuurlijk op onze hoede zijn dat wij niet over Hem struikelen, niet echt over Hem vallen, maar dat aanstotelijke van het kruis dat is er toch weer? Hij regeert immers, zoals Luther dat zei, vanaf het kruis, en mag het aanstotelijke daarvan ook niet op een of andere manier blijken als wij ons geloof in Hem uiten? Zoals het geloof in de psalmen, dat zo vaak iets heeft van "nochtans", van "en toch".

Een toontje lager zingen dan? Laat ik zeggen dat wij ons misschien wel moeten hoeden voor de al te hoge toon en het is niet waar dat ons geloof daardoor iets minder aannemelijks krijgt. Eerder is het omgekeerde waar. Ik weet wel: wij hebben de opstanding van de Here Jezus achter ons, zodat wij anders tegen zijn dood aankijken dan de vrouwen uit Gallilea, maar de opstanding van de Heer is nog geen volledig gerealiseerde overwinning op de dood, zoals wij maar al te goed weten.
Wanneer je je gaat gedragen alsof de opstanding, als een volledig voltooid gebeuren achter ons ligt, zoals Hymenaeus en Philétus dat deden (2 Tim. 2 : 17) dán juist blijkt het geloof van sommigen onder ons gedrag schade te kunnen lijden.

Wij zullen ons moeten hoeden voor de ondiepte van de Jeruzalemse vrouwen, voor de aanstoot van de vrouwen uit Gallilea, maar ook voor het al te juichende dat ik nu soms hoor en waarbij ik mijn geloof dan even in elkaar voel schrompelen. Heel even maar, gelukkig.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief