Nochtans!
1982-02-26
Wie de lijdensgeschiedenis leest krijgt haast de indruk dat Psalm 22 twee keer in de bijbel staat. Je kunt het lijden van de Here Jezus bijna op de voet volgen aan de hand van deze psalm:- Jaargang 26
- nummer 8
Vers 8: 'Allen die mij zien bespotten mij'.
Vers 9: 'Wentel uw weg op de Here, laat die Hem redden!'
Vers 16: 'Mijn tong kleeft aan mijn verhemelte'.
Vers 19: 'Zij verdeelden mijn klederen onder elkaar en wierpen het lot over mijn gewaad.'
En dan natuurlijk vooral vers 2: 'Mijn God, mijn God, waarom hebt ,j' Gij Mij verlaten?
Ik denk dat de bijbel op die manier duidelijk maakt dat wat de dichter van psalm 22 meemaakte nóg eens, maar dan in de diepste zin van het woord door iemand moest worden meegemaakt. Ook psalmen moeten 'vervuld' worden, zoals dat in de bijbel heet.
Eerst is er gewoon de klacht geweest van een Israëliet. Ondanks het plastische van de woorden blijft het enigszins vaag waaruit het lijden van deze dichter nu eigenlijk bestaat. Een vaagheid waarop je in de psalmen telkens stuit en juist die vaakheid geeft aan de woorden die langdurige bruikbaarheid en toepasselijkheid op oneindig veel situaties. Zo heeft ook de Here Jezus deze psalm kunnen gebruiken, nadat het eerst de concrete klacht van een ander mens vóór Hem geweest was.
Zo wordt ons heel fijnzinnig duidelijk gemaakt dat het onze ziekten zijn die Hij op zich genomen heeft en onze smarten die Hij heeft gedragen.
Je ziet de Here Jezus hier als het ware deze psalm binnenstappen en je hoort Hem zeggen: 'Geef maar hier, verder zal Ik dit wel dragen, want voor jou is dat te zwaar. Je kunt dit toch niet ten einde toe dragen!
Eigenlijk heeft de dichter van psalm 22 zijn nood ook niet volledig gedragen.
In elk geval: hij heeft niet echt gedragen wat hij zegt. Hij weet niet helemaal wat hij zegt. Dat door God verlaten zijn bij voorbeeld, dat heeft hij niet echt meegemaakt. Niemand heeft dat echt meegemaakt.
Het is, zoals onze oude avondmaalsformulier het zegt, als het daar gaat over het door God verlaten zijn, van de Here Jezus: 'opdat wij tot God zouden genomen en nimmermeer van Hem verlaten worden.' Dat geldt ons, maar het gold ook met terugwerkende kracht voor .deze dichter. Al is zijn nood nog zo groot geweest, God had Hem niet echt laten vallen. Juda, in ballingschap heeft dat ook gedacht. 'De Here heeft mij verlaten, de Here heeft mij vergeten'. Maar dan zegt de Here bij monde van de profeet: 'Ja, een kort ogenblik, in mijn toorn, heb Ik u verlaten...' Maar dat is niet dat God ons helemaal losgelaten heeft. God heeft zich niet helemaal laten gaan, toen.
Dat heeft Hij wel gedaan eeuwen later toen zijn Zoon aan het kruis hing. Dat laatste restje Israël, dat daar plaatsvervangend hing voor de anderen. Dan moet Gods Zoon de klachten van psalm 22 helemaal doorstaan, verergerd vervuld. God heeft zijn Zoon verlaten tot in de dood.
Tot Hij geen Zoon meer had. Het is net of de dichter van psalm 22 dat ook wel heeft geweten. Of hij wel heeft begrepen dat het niet helemaal waar was wat hij klaagde. Er zit in psalm 22 een merkwaardige knik: een wending.
Eerst laat de dichter zich helemaal gaan. Hij gaat tot op de bodem met zijn klachten en gebruikt zelfs het woord brullen. Hij verwijt God het ergste: dat hij bij dag en bij nacht roept en dat God niet antwoordt. Geen zwijgende planeet maar een zwijgende hemel.
Maar dan ineens is het of er even een stilte valt. Hij denkt even na en dan benadert hij zijn lijden nóg eens, maar vanuit een totaal andere hoek. Hij zegt: 'Nochtans'!
'Nochtans' is voor de woordenschat van het geloof een onmisbaar woord. Wie gelooft moet het eigenlijk permanent ter beschikking hebben.
Ons geloven kan niet het rimpelloze hebben van wat je nu wel eens hoort. Het geloof in de psalmen is vaak aangevochten, daarom gaan de psalmen ook dieper dan de gezangen, hoe lief die mij ook zijn.
'Nochtans' is het tegenovergestelde van 'aha!' Als ik met een stukje van een puzzel in mijn hand zit en ik zie ineens het vakje waarin het past, zegt ik 'aha!'.
Maar als ik met dat stukje in mijn handen zit en er geen weg mee weet, zeg ik: 'nochtans', en toch moet het ergens passen. Met het woordje 'nochtans' zet je je geloof tegen de feiten in. Je brengt je geloof in stelling tegen de aanvechting. Met 'nochtans' neemt het geloof de vechthouding aan.
De dichter stelt nu tegenover zijn ervaringen dit: 'nochtans zijt Gij de heilige, die troont op de lofzangen van Israël'. Bij nader inzien is het voor deze dichter ondenkbaar dat God op zijn jammerklachten troont. Dat God blij is om zijn lijden. God 'troont' niet op jammerklachten!
Want tronen doet God op de lofzangen van verloste mensen. Zoals een moeder vol trots kan luisteren naar het zingen van de kinderen als ze gelukkig zijn, en zich een beetje schaamt voor een huilend kind. Hoe weet deze man dat nu?
Uit de geschiedenis van zijn volk; uit wat de vaderen met God hebben meegemaakt: 'Op U hebben onze vaderen vertrouwd, zij hebben vertrouwd en Gij deed hen ontkomen! Zij hebben geroepen en zij werden gered! Hoort u hoe hier een gelovig mens de bijbelse geschiedenis in stelling brengt tegen zijn ervaringen? 'Ik roep overdag en 's nachts en Gij antwoordt niet' en toch: 'Zij hebben tot U geroepen en zijn gered'. Let u op de klemtoon? "God, op wat Gij eens verrichtte wil ik mijn betrouwen stichten." Dat hoor je hier iemand doen. Op deze wijze moet ook onze Here Jezus vertrouwd hebben.
Want ook Hij is gered nadat Hij onder sterk geroep en tranen gebeden en smekingen geofferd had aan Hem, die Hem uit de dood kon redden en Hij is verhoord uit zijn angst, ook denkend aan psalm 22.
Zo laat psalm 22 zich nu ook door ons lezen: "Nochtans ... op U heeft Hij (de rest van Israël) vertrouwd, Hij heeft vertrouwd en Gij deed Hem ontkomen. Hij heeft geroepen en Hij werd gered". Dat wil ik in alle aanvechting 'nochtans' in stelling brengen tegen alle schijn in dat God niets doet aan zoveel lijden.