Tot Gods eer
1982-02-26
Het is een staande uitdrukking geworden: Tot Gods eer. Wij besluiten in die trant vaak onze gebeden.- Jaargang 26
- nummer 8
Als we het hebben gehad over onze persoonlijke zaligheid, over de opbouw van de gemeente en over het getuigenis in deze wereld komt daar achteraan: En bovenal tot Gods eer.
Het krijgt nog een exclusiever accent door de Latijnse uitroep: Soli Deo Gloria! God alleen de eer. We borduren het in het vaandel van onze muziekvereniging of gebruiken het als naam voor onze jeugdvereniging. Heeft deze exclamatie intussen niet geleden onder het feit, dat velen er in de loop der eeuwen mee zijn gaan schermen?! Heeft men niet vaak Gods eer geïdentificeerd met het halsstarrig vasthouden aan eigen ingenomen standpunt?!
Men weet van geen wijken, want, zo heet het, niet onze mening, maar Gods eer is zonder meer in geding. En dan zijn er altijd mensen, die je ervoor op de been krijgt en die zich achter je scharen. Deze terminologie werkt dus blijkbaar ook ergens betoverend. Maar het is dikwijls aanstootgevend als je ter gelegenheid van één of ander jubileum een heel verhaal hoort over de prestaties en capaciteiten van de jubilaris terwijl dan als een soort wormvormig aanhangsel het Soli Deo Gloria functioneert. Je vraagt je dan wèl af of dát de bedoeling is van de heiliging- van Gods grote Naam. Het: Gode alleen de eer dient niet als een hinkend paard achteraan te komen, maar hoort voorop te staan! En dan niet alleen in het kader van een soort rangorde, maar om tot uitdrukking te brengen, dat dát allesbeheersend is. Het is dan ook helemaal juist gesteld als het klassieke doopsformulier het gebed vóór de doopsbediening inleidt met de woorden: "Opdat deze doopsbediening tot GODS EER, tot onze troost en tot opbouw der gemeente zal geschieden, willen wij Zijn heilige Naam aanroepen.' En het valt m.i. te betreuren met alle hartelijke liefde voor onze belijdenis, dat in de Heidelbergse Catechismus zondag 33 vraag en antwoord 91 wanneer het gaat over de goede werken, eerst een waar geloof, vervolgens de Wet van God en tot slot pas Gods eer wordt genoemd. Daarbij komt, dat men er soms mee in de knoop zit als men moet formuleren wat dat nu inhoudelijk betekent: God eren. Het is fijn, dat er ook nog een Catechismus van Genève bestaat, uiteraard van de hand van niemand minder dan Johannes Calvijn. Ze dateert van eind 1541, begin 1542. Deze Catechismus werd te Genève 's zondags om 12 uur voor de kinderen behandeld. Met name vóór elke Avondmaalsviering moesten de nieuw toetredenden een "kort begrip" daarvan opzeggen. Hieruit blijkt, dat ook deze Catechismus behalve leerboek een belijdenisgeschrift was. In Hoofdstuk I, dat handelt over Het Geloof, komen wij behorend tot afdeling 1 bij vraag en antwoord 7 het volgende tegen:
Dienaar: Wat is de juiste wijze om Hem te eren?
Leerling: Dat in Hem al' ons vertrouwen rust; dat wij ons beijveren Hem met ons gehele leven te dienen door zijn wil te gehoorzamen; dat wij Hem, zo dikwijls enige nood ons drukt, aanroepen en ons heil in Hem zoeken. En tenslotte, dat wij Hem met hart en mond als de enige bron van alle goed erkennen.
We zien dus duidelijk, dat het eren van God zich niet beperkt tot het aanheffen van een psalm en het zingen van een gezang. De HERE vraagt volle fiducie in Hém! Hij eist de inzet van ons totale leven! Hij wijst ons de weg van het gebed en wil, dat wij als hoofdmoment van ons belijden de erkenning van Hem als unieke Bron van alle goed zullen beschouwen en in praktijk brengen!
Zo activeert God zijn volk! Dat betekent volledige zelfverloochening, het absoluut nee zeggen tegen jezelf als gevolg van het ja zeggen tegen de HERE God. Een man als de dichter Willem de Mérode heeft dat in zijn moeilijk leven, dat getuigde van val in zonde en van strijd tegen zonde, diep geproefd en daarvan het één en ander weergegeven in een gedicht, dat betrekking heeft op het heilsfeit van de Uitstorting van de Heilige Geest.
Wij smeken: met Uw geestesgloed
Verteer ons als een offerande.
O, dit is onze diepste schande,
Dat wij zo koud zijn van gemoed.
Als een versiersel op ons hoofd
Willen we Uw stille vlam wel dulden.
OGod, vergeef ons onze schulden,
Dit: dat ons hart is uitgedoofd.
Neem weg, het voze pronkend woord.
Dat U niet kent, ons niet behoort,
Geleend geluk, geborgen schande,
En hoor de oprechte rauwe kreet,
Die scheuren in Uw hemel reet:
Verteer ons als een offerande!
W. de Mérode
(Dit is een hoofdstuk uit het boekje: "Genade en Vrede" van de hand van drs O. Mooiweer, dat zojuist verschenen is in verband met de tachtigste verjaardag van Prof. C. Veenhof).