Hoop doet leven

1982-03-05
  • Jaargang 26
  • nummer 9

College van professoren en gemeenteleden
o ja, ook ik heb van prof. C. Veenhof les in preken (maken) - homiletiek - gehad. Of ik ook zelf metterdaad heb leren preken is een vraag die alleen door mijn al dan niet welwillende toehoorders kan worden beantwoord. Wijst hun duim naar beneden, dan is dat stellig niet zijn fout.
Intussen herken ik me goed in de eerste zin van Okke Jager's nieuwe dagboek "Opklaring" waarin hij het rationalisme van de "Aufklärung" te boven wil komen. Die eerste zin luidt: "Het is onthullend dat menig predikant nooit kon preken over de hoofdstukken die in zijn studietijd door zijn hoogleraren in de exegesecolleges behandeld waren. Wij moesten preken maken over de eerste brief van Petrus. Alleen in uiterste noodgevallen heb ik daar later gebruik van durven maken: je kwam niet los van die colleges, je was er niet vrij van. Die vrijheid heeft op de lange duur het leven in en met de gemeente me ongewild en onbedoeld weer teruggegeven. Daar sta je met je bijbeltje vol mooie woorden - maar wat hebben ze er aan in een concrete situatie. Wat doe je met een "tekst" als "Geloofd zij de 'God en Vader van onze Here Jezus Christus, die ons naar zijn grote barmhartigheid door de opstanding van Jezus Christus uit de doden heeft doen wedergeboren worden tot een levende hoop...! (1 Petr. 1:3)?
Als omlijsting van het thema "Hoop" doet die tekst het wel goed. Maar zonder de preekcolleges èn de levenslessen vanuit de gemeente zouden het wóórden blijven zonder leven.

Van een apostel mag je veel verwachten
Petrus schrijft aan een gemeente in vreemdelingschap, die verdriet heeft, die in allerlei verzoekingen is geraakt (1 : 1, 6). Dat moet je even goed laten bezinken. Het gaat om mensen die het huilen nader staat dan het lachen. Ook moet je de diepte proeven van de nood van mensen die "in allerlei verzoekingen" zijn geraakt. Je leest er zo gauw overheen. Maar verzoekingen zijn duivelswerk. Denk er maar aan hoe Jezus Zelf verzocht is in de woestijn door de duivel zelf. Hoeveel inspanning kost het de duivel te weerstaan? Ik zie mensen voor me – dood en doodmoe, mensen zó verdrietig dat de tranen hun over de wangen lopen. Mensen die voortdurend onder druk staan: gebukt, gebeukt, gebogen.
En dan kijk ik naar die brief van Petrus. Wat heeft die man deze mensen te zeggen? 't Is toch een apostel nietwaar? Daar kijk je tegen op en daar mag je dan ook wel iets van verwachten. Die maakt er zich niet met een Jantje van Leiden af en bezigt vast geen c1iché's, goedkope woorden. Denk je. Want zo probeer je het zelf ook als je iemand een brief wil schrijven om je medeleven te betuigen. Je doet je uiterste best, je schrijft, verscheurt, schrijft weer - en tenslotte verstuur je je brief.
Met een onbevredigd gevoel: elk woord telt opeens, besef je. Of je blijft bij gebrek aan woorden in je wanhopige pogingen steken. Maar van een apostel, een Petrus, mag je beter verwachten. Die heeft zeker iets zinnigs te zeggen - gelukkig maar...

Een apostel die blundert?
Nu, dan gaan we maar eens lezen, benieuwd hoe zo'n Petrus dat doet. Hij stelt zich voor. Hij groet de gemeente. En dan komt het: geloofd zij de God en Vader van onze Here Jezus Christus... Zoudt zó begonnen zijn? Als je je indenkt dat je bij inverdrietige mensen binnenstapt en met de deur in huis vallend zegt: geloofd ... ? Dat is toch alsof je een klap in je gezicht krijgt? Dat is toch een blunder van de eerste orde? Hoort Petrus óók al bij die mensen die het "prijs de Heer" in de mond bestorven ligt, die even makkelijk zeggen "blij, blij, blij" of het nu gaat over een zonnige dag of een begrafenis? Heeft die man, die Petrus, nog wel énig gevoel? Ik denk, dat veel mensen zó de bijbel ervaren. Maar ik denk ook, dat ze er dan niet diep genoeg over nadenken. Want leg hier nu eens naast het slot van Johannes' evangelie (juist, die apostel die in de schoenen geschoven wordt dat hij alles afdoet met "God is liefde"). Die Johannes schrijft over de apostel Petrus, over Petrus en het meer van Galilea.
Dat meer waarop Jezus wandelde - en Petrus ook, al ging hij bijna ten onder. Het meer van de (eerste) wonderbare visvangst - waarbij juist ook Petrus een rol speelde: "toen Simon Petrus dit zag, viel hij neer aan de knieën van Jezus en zei: Ga uit van mij, want ik ben een zondig mens" (Luc. 5 : 1-11). Het meer waar Petrus bevorderd wordt tot "visser van mensen".

Een apostel die blundert ...
Een meer dat voor Petrus een zee van herinneringen herbergt. Zeker als Jezus voor de tweede keer bij dat meer zorgt voor een wonderbare visvangst.
Het is Johannes, die Hem herkent, maar Pétrus die meteen te water gaat - op Jezus af. Jezus die hem daar en toen bevordert tot herder van zijn kudde - te beginnen met de lammetjes ...
Ach, u weet wat er gebeurde. Want deze Petrus had gelijk toen hij die eerste keer zei: .. ik ben een zondig mens. Hij wist nog niet half hoe waar dat was. Had hij - juist hij met zijn grote woorden - niet zijn Heer al vloekend verloochend (Mt 26 : 74, 75)? Binnen vierentwintig uur was Jezus ... dood. Gekruisigd, gestorven en begraven.
Paasfeest, pascha? Petrus ging door een hel. Wat een tranen ("en weende bitter"), wat een verdriet... In allerlei verzoekingen? Hij wist er alles van. Hij was een gewaarschuwd man (Luc. 22 : 31, 40, 46)desondanks was hij door de knieën gegaan. Niets, niets had hij voor Jezus gedaan toen het er werkelijk op aan kwam. "Ik ken die mens niet:: - dat waren zijn laatste woorden inzake Jezus geweest. Dat kon hl] nooit meer goed maken. Hij kon niet eens meer vragen: Heer, vergeef mij ... Zijn leven was uiteindelijk een mislukking. Grootspraak. Grote wóórden - daar hield het mee op. Uiteindelijk niet meer dan één blok ellende.

Enerlei troost voor apostel en gemeente
Eén brok ellende - ja, tot het ongelooflijke gebeurde. Tot Jezus opstond uit het graf. En 's avonds bij zijn discipelen kwam: vrede zij u! En een week later weer. En daar bij dat meer voor de derde keer. En het daar weer goed maakte met Petrus en dwars door het verdriet van Petrus heen (Petrus werd bedroefd, verdrietig toen Hij voor de derde maal tot hem zei: heb je Mij lief?) de visser tot herder maakte, hem de hele kudde, de schapen èn de lammeren toevertrouwde. Bijna zonder één woord van verwijt. Met alleen maar die drievoudige vraag: heb je Mij lief? Kijk, die Petrus schrijft. Schrijft aan mensen vol verdriet en in velerlei verzoekingen: geloofd zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, die ons naar zijn grote barmhartigheid, door de opstanding van Jezus Christus uit de doden heeft doen wedergeboren worden tot een levende hoop...
Wedergeboren: herboren - het leven begon opnieuw voor Petrus toen hij daar Jezus levend voor zich zag staan, zonder een woord van verwijt. Toen zijn leven weer gevuld werd met hoop. Toen Jezus hem bijna woordeloos schonk waarvoor Hij gestorven was: vergeving van zonden; een nieuwe toekomst; hoop. En dát gaf (en geeft) hij als apostel, juist als apostel door aan andere mensen, in wie hij zichzelf herkent. Hij scheldt hun de . huid niet vol, maar leert hun de zin van dit vaak zo moeizame bestaan. Hij slaat a.h.w. de armen om hen heen en betrekt ze in zijn herboren zijn, zijn nieuwe hoop: geloof zij God... die ons heeft doen wedergeboren worden... Kijk, zegt Petrus: dát is Jezus voor mij, voor u, voor ons zondaars samen: de bron van leven en hoop - vertroost, troost uzelf en anderen met deze woorden. Petrus mág dat zeggen: hij wist dat hij zelf om het evangelie zou sterven (Joh. 21 : 18, 19). En leven: wie in Mij gelooft, zal leven ook al ware hij gestorven...!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief