Het huis Gods
1982-03-12
Noodzakelijke uitleg- Jaargang 26
- nummer 10
De voorpagina van 'Opbouw' is gereserveerd voor Schriftstudie, aldus lang geleden prof. C. Veenhof. Schriftstudie - geen meditatie in de gangbare betekenis van "overpeinzing, bespiegeling" (Van Dale). Een ander woord uit 'Opklaring' van dr Okke Jager zal hem uit het hart gegrepen zijn: "De prediking zegt: zo spreekt de Heer; de meditatie zegt: zo spreekt meneer. Mediteren is dan ook een bedenkelijk verschijnsel, a1shet niet van de exegese uitgaat." Akkoord, zelfs van harte mee eens - maar mag ik dan van de welwillende lezer enig geduld vragen? In een tijd waarin je snellezen per cursus kunt volgen, zijn we misschien toch nog traag om te horen. De uitspraak van Jacobus "ieder mens moet snel zijn om te horen, langzaam om te spreken" (1 : 19) kon ook wel eens voor de exegese van belgng zijn. Juist wat altijd als vanzelfsprekend is ervaren, spreekt lang ni~ altijd vanzelf. Neem nu die uitspraak van Petrus: "Want het is nu de tijd, dat het oordeel begint bij het huis Gods; als het bij ons begint, wat zal dan het einde zijn van hen, die ongehoorzaam blijven aan het evangelie Gods?" (1 Pt. 4 : 17). Een tekst die in en na de vrijmaking met opgewekte nederigheid werd toegepast op "vrijgemaakten" (het huis Gods, de kerk) en "synodalen" (hen die ongehoorzaam blijven aan het evangelie Gods). Soms is niet de Schrift maar de exegese kennelijk tijd- en situatiegebonden...
Brief met begin en slot
Wil je een brief als van Petrus goed begrijpen, dan zul je toch zeker ook op de aanhef en het slot moeten letten. De aanhef doet ons kennis maken met schrijver en geadresseerden: "Petrus, een apostel van Jezus Christus, aan de vreemdelingen. die in de woestijn zijn ... de uitverkorenen naar de voorkennis van God... 1: 1, 2). Aan het slot lezen we o.a.: "U laat de mede-uitverkorene te Babylon groeten, en mijn zoon Marcus" (5 : 13). De vraag rijst: wie zijn die vreemdelingen in de diaspora? En dan ook: wat wordt bedoeld met Babylon, de plaats vanwaar de brief verzonden is?
Vaak wordt aangenomen, dat termen als "vreemdelingen in de verstrooiing" en "Babylon" overdrachtelijk gebezigd zijn. Omschrijvingen eertijds van de situatie van Israël, maar nu toegepast op de nieuwtestamentische gemeente, een gemeente van christenen uit de heidenen.
Bij "Babylon" kun je dan denken aan een typologisch woordgebruik: het oude Babylon staat model voor bijv. het decadente Rome uit Petrus' tijd. Toegegeven: het kan. Maar het is niet de enige en naar mijn mening ook niet de eerste, voor de hand liggende mogelijkheid. Een deel van de argumenten wil ik graag noemen. Verstrooide geadresseerden Om te beginnen: na de dood van Stephanus zette de verstrooiing van christenen uit de Joden in. Eerst trokken zij maar wat rond (Hand. 8 :4), later trokken zij al verder "tot Phenicië, Cyprus en Antiochië toe" (11 : 19). Het werden met recht landverhuizers. En dat bracht vreemdelingschap met zich mee. Wie zal zeggen hoever zij uiteindelijk verstrooid raakten. Triest? Ja, maar ook daardoor werd het evangelie steeds verder verspreid.
Petrus noemt als woonplaatsen: Pontus, Galatië, Cappadocië, Asia en Bithynië. Prof. Greijdanus schrijft: " ...als landschapsnamen zouden zij de gemeenten, die Paulus en Barnabas op hun gemeenschappelijke reis in Klein-Azië stichtten, Hand. 13 en 14, niet mede omvatten." En een zekere Eusebius (begin vierde eeuw) schrijft in zijn kerkgeschiedenis: "Petrus voorts schijnt in Pontus en Galatië en Bithynië, Cappadocië en Asië (het evangelie) verkondigd te hebben aan de Joden in de verstrooiing". Hij vermeldt dit op gezag van Origenes (begin derde eeuw).
Daar komt bij, dat Petrus deze brief geschreven heeft uit Babylon. "Het ligt het eerst voor de hand, daarbij aan het eigenlijke, oude Babylon te denken." Met inachtneming van het feit dat Babylon ook wel gebezigd werd als landsnaam voor alles wat aan gene zijde van de Euphraat lag.
En daar woonden veel Joden. Er was een levendig verkeer tussen Babylon en Jeruzalem, ook in geestelijk opzicht.
De Schriften spreken
Nu was in Jeruzalem, in onderling overleg, overeengekomen dat Petrus zijn werkzaamheden zou toespitsen op "de besnedenen", de Joden dus (Gal. 2 : 7-9). Terecht stelt iemand de vraag: hoe had Petrus zijn zending kunnen volbrengen als hij aan die grote joodse gemeenschap in Babylon was voorbijgegaan? Na zijn vertrek uit Jeruzalem (Hand. 12: 17, vgl. 15 : 13 v.v.) ging hij naar Syrië - bijv. Antiochië - en daarvandaan was het maar een korte reis naar het gebied van de Euphraat (aldus weer Greijdanus). Zoals gezegd: wij denken al heel gauw bij de "vreemdelingen in de verstrooiing"
aan christen geworden heidenen en bij Babylon aan Rome (zo ook Greijdanus). Toch zou ik willen voorstellen in de eerste plaats aan christen geworden Joden en aan (de grote joodse gemeenschap te) Babylon te denken. En dat juist ook om de wijze waarop Petrus het Oude Testament voor zijn lezers laat spreken in zijn beide brieven. Niet alleen door zo'n kleine twintig rechtstreekse of indirecte citaten uit Mozes, de profeten en de geschriften. Maar ook door namen (en gebeurtenissen) als bekend te veronderstellen: Sion; Sara en Abraham; zondvloed en ark ten tijde van Noach; Sodom en Gomorra en de rechtvaardige! Lot. Om over zijn verdere woordkeus (zoals "de dag des Heren") nog maar te zwijgen.
Jeruzalem en Sion
Ik weet, dat ik veel geduld gevraagd heb: waarom. vraagt u misschien, moesten nu al die vervelende details worden opgesomd? In een restaurant heb je belang bij de maaltijd die op tafel gezet wordt - wat er in de keuken bekokstoofd wordt is alleen een zaak van de kok. Toch heb ik er een goede reden voor. Want wilt u nu, na alles wat over de Jood Petrus en (eventueel) die christenen uit de Joden is gezegd, nu nog eens de boven geciteerde woorden van Petrus lezen? Déze woorden: "Want het is nu de tijd, dat het oordeel begint bij het huis Gods, als het bij ons begint...
Waar denk je het éérst aan als het gaat over "het huis Gods"? Toch aan de tempel te Jeruzalem? Dáár begint (maar daarover volgende week verder) het oordeel- precies zoals Jezus dat had voorzegd. Gelukkig dat er daarnaast (2 : 6) ook nog op andere wijze over Sion valt te spreken!