Bezit en eigendom

1982-03-12
  • Jaargang 26
  • nummer 10
Het land Kanaän was door de HERE aan de stammen van Israël toegewezen als bezit. Als een erfdeel. Elke stam had z'n deel van de HERE gekregen, behalve de stam Levi. Die had wel steden door heel het gebied ontvangen, maar geen apart gebied. Het deel van het land, dat aan elke stam was toebedeeld, mocht niet worden ontvreemd, maar als een altijddurend bezit bij de stam of bij de familie blijven. Grondbezit was het voornaamste van de erfenis, die van de HERE werd ontvangen. Daarvoor moest hij goed zorgen. Van de vrucht mocht hij leven. Maar Eigenaar was de HERE. Met het bezit moest gedaan worden wat Hij wilde. Was iemand genoodzaakt zijn bezit te verkopen dan moest het op een jubeljaar weer in zijn hand terug komen. Verarmen kon hij of zijn familie op de duur niet. Een zoon van een arme boer kon weer met het aloude bezit beginnen en een zoon van een rijke ook. Anders dan in onze maatschappij waar een arme jongen in armoede kan doorgaan. Terwijl een rijkeluis zoon automatisch het rijke eigendom van z'n vader kan erven. Of de bepaling van het jubeljaar in werkelijkheid is doorgevoerd, ik weet het niet. Zo ja, dan komt het mij voor een goede zaak voor heel de maatschappij te zijn geweest.
Zoals onze samenleving met zijn rijke en arme families in elkaar zit is veel onbillijks dunkt mij. Maar een ideale maatschappij zal in deze bedeling wel niet bereikbaar zijn. Aan de samenstelling van elke maatschappij, waar ter wereld ook, mankeert wel het een en ander.

In de geschiedenissen van de Bijbel speelt het bezit al een grote rol. En meestal geen mooie. We kennen waarschijnlijk allen wel het verhaal over Achab en Naboth. De wijngaard van de laatste had de begeerte gewekt van de eerste, voor goed geld wilde Achab de hof van z'n buurman graag in bezit of waarschijnlijk wel in eigendom krijgen. Het lag zo geschikt naast het zijne. Maar Naboth weigerde z'n bezit te vervreemden. Hij mocht het naar de inzetting van de HERE niet verkopen. Het erfdeel der vaderen moest hij ongeschonden aan het volgende geslacht overdragen. Maar Naboth hád wel recht doch hij kréég het niet. Zoals zo vaak in deze bedeling gebeurt. Izebel wist wel raad. Zij wist met bedrog wel wat getuigen tegen Naboth in het veld te brengen. Achab kreeg zijn zin en de man die in z'n recht stond verloor het leven er bij. Geld dat stom is maakt recht wat krom is.

Dat het bezit der Israëlieten niet, zoals bij ons, bestond in geld of goud of zilver, maar in goederen als olie en koren en wijn, blijkt zowel uit het Oude als het Nieuwe Testament. De Heiland waarschuwt: vergadert u geen schatten op aarde, waar ze de mot en de roest verteren en waar de dieven de muur ondergraven en stelen. Die schatten bestonden in het Oosten meest in kostbare olie of dure kleden of schatten van koren. Daarin kon de roest en de mot komen en Perzische tapijten konden door vocht worden verteerd. Integendeel zegt de Heiland: vergadert u schatten in de hemel. Daar komt geen bederf in. Gods liefde en de genade van Jezus Christus en de gemeenschap van de Heilige Geest vergaan nimmermeer. Dat de Oosterlingen vroeger in de bijbelse tijden meest niet in baar geld, maar in goederen hun bezit hadden, blijkt ook uit I Petr. 1. Waar we door de apostel worden verzekerd dat ons een erfenis wacht, die "onvergankelijk en onverderfelijk en onverwelkelijk" is. Die woorden doen ons weer denken aan aardse schatten die door vergaan en verderf en verwelking kunnen worden aangetast. Dát gevaar bestaat er voor de hemelse schatten niet. Ze zijn daar in de hemel wèl bewaard. Terwijl de gelovigen door de kracht Gods hier worden bewaard voor de eeuwige erfenis.

Een bezitter is geen eigenaar van wat hij beheert. Zo zijn christenen zich bewust dat zij geen eigendomsrecht kunnen laten gelden op wat zij bezitten. Het is hun enige troost dat zij het eigendom van Jezus Christus zijn. Maar dat geldt ook van wat zij aan geld en goederen hebben. Ze zijn maar pachters of rentmeesters. Die verantwoording schuldig zijn van hun beheer.
Ze kunnen er niet mee doen wat zij willen. Ze moeten er mee doen wat zij willen. Ze moeten er mee doen wat hun Eigenaar wil. In de bekende gelijkenis van de onrechtvaardige rentmeester wordt ons voorgehouden hoe wij met de onrechtvaardige Mammon moeten omgaan. Met de Mammon wordt bedoeld al wat we bezitten aan geld en goed, waarmee ontstellend veel gruwelen worden bedreven. Als men van z'n bezit een afgod maakt dan heet die afgod de Mammon. Op zichzelf is een rijk bezit niet onrechtvaardig. Op zichzelf is het om zo te zeggen neutraal. Er kan veel goeds maar ook veel slechts mee bedreven worden. Het is, wat men gezegd heeft van de boekdrukkunst, een stap naar de hemel Of naar de hel. Dat laatste waarschijnlijk vaker dan het eerste.

Nu wordt ons genoemde rentmeester niet ten voorbeeld gesteld als verkwister van het goed van zijn heer. Maar in z'n bezinning over de toekomst. Hij vroeg zich af hoe hij zich vrienden kon maken, zolang hij nog rentmeester was. Opdat zij hem na z'n ontslag zouden opnemen in hun huizen. Mij is verteld door een deskundige, dat hij als rentmeester volkomen recht had om zo met de pacht te doen als hij deed. Z'n onrechtvaardigheid zou alleen bestaan in z'n verkwisting. Hoe dat zij, 't doet aan de betekenis van de gelijkenis niet af .of toe. De strekking daarvan is dat wij met ons bezit, groot of klein, vrienden zullen maken door wel te doen.
Opdat we daardoor vrienden maken die ons, als geld en goed ons gaan ontbreken, zullen opnemen in de eeuwige tabernakelen. In het vaderhuis met z'n vele woningen. Dan dienen we niet de afgod Mammon, maar onze Vader die in de hemelen is. Als ons op dat gebied veel gegeven is, zal van ons veel gevraagd worden. Als ons weinig is gegeven zal er weinig van ons worden gevraagd. Het penningske van de weduwe kan meer zijn dan groot geld van de rijke. Er is in rijk bezit een groot gevaar.

Aan Timotheüs schrijft Paulus in de eerste brief, 6 : 9: "Wie rijk willen zijn vallen in verzoeking, in een strik, en in vele dwaze begeerlijkheden.
Die de mensen doen wegzinken in verderf en ondergang. Want de wortel van alle (of allerlei kwaad) is de geldzucht." In de bijbelse geschiedenis zijn daar voorbeelden van. Ik denk aan Achab. Door de glinstering van goud en zilver en de schoonheid van een Perzisch kleed werd hij verleid. Hij vergreep zich aan het verbannene. Het werd zijn dood! Een duidelijk afschrikwekkend voorbeeld is ook Gehazi. Stom vond hij het van Elisa, dat die geen beloning wilde aannemen van Naäman.
Hij bedacht een smoes en kreeg van de Syriër veel geld en kledij. Als hij dan bij de profeet komt weet hij van de prins geen kwaad. Maar Elisa had hem door. Hij houdt Gehazi voor, wat voor fantasieën deze heeft. Voor geld is toch alles te koop? Een plantage en kudden vee en een stoet van slaven en slavinnen. Hij ziet zich reeds als een groot heer. Maar z'n geldgierigheid werd gestraft met melaatsheid.

Paulus schrijft aan Timotheüs dat we niets in de wereld hebben gebracht en dat we er ook niets uit kunnen meenemen. Het doodskleed heeft geen zakken. Daarom zullen we tevreden zijn als we voedsel hebben en kleding en onderdak. Dat dit het geval niet is met mensen, die de HERE niet kennen is wel duidelijk. Maar zijn wij christenen dat wel? In het algemeen dunkt mij niet. En nu kan ik mij daarachter verschuilen en redeneren: niemand is daarmee tevreden, dus hoef ik er ook niet mee content zijn! Zo doen we vaak. Maar daarmee zijn we toch niet klaar. Ieder zal eigen pak dragen staat er. We zullen moeten verantwoorden wat we gedaan hebben, hetzij goed hetzij kwaad. Dat geldt ook voor wat we gedaan hebben met onze portemonnee. Toen iemand eens beweerde door Spurgeon bekeerd te zijn antwoordde deze: daar geloof ik niets van, want uw beurs is niet bekeerd. Dat de wereld vol van bedrog met geld en goed is, dat kunnen we vrijwel elke dag in de krant lezen. Nu weet ik wel dat één oplichter eerder in de krant komt dan 99 mensen die trouw zijn in dat "kleine". Zo noemt de Schrift dat. Geld en goed en alle bezit is maar "klein" in vergelijking met het "grote" van het Koninkrijk Gods. Ik las zo juist in een blad, dat een topambtenaar ergens is veroordeeld tot een geldboete en voorwaardelijke gevangenisstraf wegens verzwijgen van een groot bedrag aan inkomsten. Kappen wij liever de hand af dan onze handtekening te zetten onder een niet helemaal eerlijke opgave? Ik denk dat er door niemand een regel kan worden gesteld, die voor allen geldt. Ik weet niet hoe een bankier met zijn zaken moet omgaan of een handelaar of directeur van een bedrijf. Ieder zal dat voor God moeten kunnen verantwoorden. Maar we zullen geen "natuur" en "genade" moeten scheiden. Op dat gebied wordt menig misdrijf goed gepraat. Zo kwam het voor in tijd van nood, dat een zwaar't godsdienstige broeder een gemest beest voor grof geld verkocht. En nog wel aan de zwarte handel! Hij verdedigde dit met te zeggen dat hij toch voor zijn gezin moest zorgen. En dat dit maar behoorde tot het natuurlijke leven. Alsof de HERE daarmee niet te maken had.

Is het nu wel nodig om dit alles aan christenen voor te houden? Dat weten we toch allen wel? Jawel, maar wéten is nog geen doen. De Farizeeën wisten het ook wel denk ik. Maar de Here Jezus noemt hen geldgierig. Ze baden wel lang en in het oog lopend, maar ze "aten de huizen der weduwen op". De geldzucht is wel in de menselijke natuur ingebakken om zo te zeggen. Waarom bloeien anders allerlei loterijen? Er is zelfs in ons zgn. christelijk Nederland een staatsloterij. Waarvoor reclame wordt gemaakt. Begeert u een mooie auto? Wel, een lotje van een gulden of wat kan u een half miljoen bezorgen. Kijk es an. Dat die éne prijs wordt betaald door veel nieten wordt er niet bij verteld. Zelfs een actie om gehandicapten te helpen werd aantrekkelijk gemaakt door een loterij of iets dergelijks. De praktijk bewees nu eenmaal dat de opbrengst dan groter zou zijn! Het zou de vrijgevigheid vermeerderen. Ik vind zulks een vreemde vrijgevigheid.

Als we onze economische toestand vergelijken met de derde wereld bijv. en met de omstandigheden van de miljoenen vluchtelingen, zullen we vrijwel
allen moeten toestemmen dat we welvaart hebben. Toch lees ik soms een ingezonden stuk waarin wordt gezegd: laten we eerst maar eens zorgen dat wij het beter krijgen. Dán kunnen we wel eens aan de armen in de verte denken. Wel ja, het hemd is nader dan de rok! Hoe bestaat het denk ik dan. Of men zegt: laten de rijke landen maar eerst beter in de beurs tasten. Of: laten die miljarden voor oorlogstuig maar eerst besteed worden voor allerlei hulp aan arme landen! Jawel, maar als we daarop zullen wachten dan kunnen we wachten tot we een ons wegen. Of men zegt: het is toch maar een druppel op een gloeiende plaat. Dat zal wel zo wezen, maar miljoenen druppels helpen altijd wat. En al zou het niets baten dan worden de gevers er zelf rijker van. Wie zich over de armen ontfermt leent de HERE, staat ergens naar ik meen.

We zullen naar het woord van de Heiland de wereld niet lief hebben. Met wat onze ogen begeren en met de grootsheid des levens zoals in de St. V. staat. Met de opschepperij zal ik maar zeggen. Het opbieden tegen elkaar hoort daar ook bij naar ik denk. Een man in het autovak verzekerde mij eens, dat als er een nieuwe auto in een bepaalde straat verscheen er binnen een week nog een werd verkocht. Een ander vertelde mij, dat als in een buurt een nieuw ameublement werd aangeschaft een ander dit voorbeeld volgde. We besteden waarschijnlijk allen veel gemakkelijker een bedrag voor ons zelf of voor onze kinderen (die zijn ook een deel van ons zelf) dan voor noodlijdenden in eigen omgeving of van verre. Maar daar doen kerkmensen toch niet aan mee? Als dat eens waar was. Maar ik heb nog beleefd dat rijken een mooie plaats in de kerk konden kpen. Terwijl "bedeelden" op armenbanken mochten zitten. En dat ondanks Jacobus, die waarschuwt voor andere behandeling van de man met de gouden ring dan voor de man in lompen gekleed.

Als we op eerlijke manier rijk worden is dat niet te veroordelen. Maar rijkdom is wel gevaarlijk. Z6 gevaarlijk, dat de Here Jezus gezegd heeft dat een kabel gemakkelijker gaat door het oog van een naald, dan een rijke ingaat in het Koninkrijk Gods. Gelukkig voegt Hij er aan toe, dat wat bij mensen onmogelijk is mogelijk is bij God. Als we rijk zijn (en dat zijn velen van ons) dan is dat niet voor ons plezier. Maar om vrienden te maken van de onrechtvaardige Mammon. Dat wil de HERE.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief