Gemotiveerd preken

1982-03-12
  • Jaargang 26
  • nummer 10
Niet ten onrechte heeft onlangs Dr. A. A. Spijkerboer in een recensie van het lezenswaardige boek van Prof. Dr. K. Runia: "Heeftpreken nog zin?" opgemerkt, dat deze titel verraadt, dat we wat de prediking betreft teveel in de verdediging zijn. Prof. Runia zélf is op die titel gekomen vanwege de confrontatie in de praktijk met allerlei vragen omtrent het zinvolle van de prediking binnen de muren van de kerk en in de kring van zijn studenten. Maar ook buiten die aangegeven grenzen wordt deze kritische en soms vertwijfelde vraag gesteld: Heeft preken nog zin? Het wordt erger wanneer de prediker zèlf zich gaat afvragen of zijn gang naar de kansel en zijn verblijf op de kansel nog wel enige zin heeft.
Als hij ziet op wat zijn prediking uitwerkt of liever gezegd op wat zijn prediking niet uitwerkt, kan hij momenten kennen waarop hij het niet meer ziet zitten. Velen spelen zo nu en dan met de gedachte hun ambt neer te leggen of verliezen hun ambtsenthousiasme en proberen op een koele berekende manier nog hun jaren vol te maken. Maar de rek is eruit! De vreugde is getaand!
Het geloof is verbleekt! Dit zijn zorgwekkende dingen, die de kerk als zodanig direct raken. Want de dienaren van het Woord zijn ook dienaren van de kerk! Aan de kérk heeft God zijn betrouwbare Woord geschonken. En door middel van de kerkelijke prediking dient de boodschap van verzoening en bevrijding verder gedragen te worden, zodat er een ontsluitingsproces ontstaat in hart en leven van de mensen. Waarom wordt de wereld niet anders van de prediking? Is die prediking teveel binnenkerkelijk gericht? Is het kerkvolk verzadigd van al dat luisteren elke zondag weer opnieuw naar de prediking?
Vindt de goegemeente eigenlijk heel dat preekinstituut een achterhaalde zaak, die ze alleen maar niet uit de markt. durft te prijzen vanwege een gevoel van eerbied voor de historie, voor het historisch gewordene? En aarzelt ze waarschijnlijk ook, omdat ze geen deugdelijk alternatief voorhanden heeft? Hier komt tegelijk de kritiek op de monologische vorm van de prediking ten onzent om de hoek gluren!
Zij, die zich opwerpen tot lieden, die zich begeven op het smalle pad van de analyse van de geuite kritiek, zoeken het vaak in het karakter van de prediking, dat men dan successief zèlf nader invult. Men signaleert, dat de prediking niet schriftuurlijk is. In bepaalde kerken en kringen honoreert men niet meer, dat de Bijbel Gods Woord is waarin De HERE Zich aan ons daadwerkelijk openbaart. Hieraan is het Barthianisme debet. Dan kan het gebeuren, dat een predikant aan het eind van zijn preek gekomen, zegt: (het is historisch): "Ik heb u dit nu verteld, gemeente, niet alsof ik de wijsheid in pacht zou hebben. Vroeger kwam ik als dominee met die pretentie in zekere zin naar de gemeente toe. Ik zei dan met vrijmoedigheid: Ik bedien u het Woord van onze God. Maar dat is voor mij al lang verleden tijd. Ik heb u dit alles vanmorgen voorgelegd en ik hoop, dat u er wat mee kunt doen". Niemand kan ontkennen, dat zo'n dominee bezig is de poten door te zagen van de ambtelijke stoel waarop hij plaats genomen heeft. Anderen menen, dat de prediking in onze tijd te weinig confessioneel is. De belijdenis brengt het er in veler oog vandaag niet zo best meer af. Het is allemaal te historisch gebonden en eigenlijk uit de tijd. Trouwens het gezag van een confessie is in diskrediet geraakt.
Sommigen weten niet méér te zeggen dan dat het feilbaar mensenwoord is. Ja, als dat het eerste en het laatste is wat iemand over de belijdenis der kerk heeft op te merken, kan ik begrijpen dat je niemand meer enthousiast kunt maken voor de bestudering van de inhoud van wat de kerk actueel naar de Schriften belijdt, al is het met gedaar van is de belijdende kerk zichzelf ook terdege bewust! (zie art. VII N. Gel. Bel.). Uiteraard bedoelt men niet met de vraag naar confessionele prediking, dat de voorganger zich uitput in allerlei citaten uit de confessionele geschriften van de kerk. Dán dient de belijdenis als bladvulling en zondigt men tegen de tendentie van het breken en tekortkomingen. Maar belijden. Nee, men beoogt met confessionele prediking een Woordbediening, die in haar verklaring van de Schriften van Oud- en Nieuw Testament weet heeft van de ruimte én de grenzen zoals de kerk die heeft vastgesteld en aanvaard de eeuwen door. Velen zijn er, die de kerk uitlopen of het elders zoeken, omdat zij een aktuele prediking missen waarbij men dan zo gauw aktueel met eigentijds vereenzelvigt. Maar we menen te begrijpen wat deze categorie bedoelt. De prediking spreekt niet aan, omdat zij tijdloos geworden is. In de vorige eeuw paste die prediking óók goed.
En men vindt, dat een dominee, die de tijd niet bijhoudt, een lege kerk verdient. Het gebeurt ook wel, dat mensen afnokken naar de één of andere pinkstergroep, omdat zij het eschatologische element in de prediking niet kunnen ontdekken. Er is zo weinig betrokkenheid op de met rasse schreden naderende dag van de terugkomst van de Here Jezus Christus en daarom dreigt het zo'n saaie, gezapige boel te worden in de gemeente. De mensen gaan in de kerk zitten met een gezicht van: De tijd zal het leren. Waar maken we ons druk om? Ze horen de bekende vertrouwde klanken, maar ze komen er niet door in beweging.
Ettelijke mensen ergeren zich groen en geel aan het feit, dat men zich in de kerk zo heftig kan werpen op allerlei binnenkerkelijke vaak theologisch gekleurde problemen terwijl men zich niet bekommert om een wereld, die in lichterlaaie staat en in ontstellende nood verkeert.
Wat doen wij daaraan? Laten we dat allemaal maar op zijn beloop? Ik laat, zoals u zult merken, nu heel wat aspecten van de ware prediking van het evangelie aan het adres van de gemeente buiten beschouwing. Ik wil het nu gooien over de boeg van de persoonlijke instelling van hem, die de boodschap van God ambtelijk aan zijn volk heeft te verkondigen. Staat hij zèlf achter de boodschap, die hij heeft te brengen? In welke verhouding staat hij tegenover het Woord van de HERE?
"Dit Woord wil doorgegeven worden. Maar wel op een bepaalde manier. Niet op de wijze van de postbode. Hij is in onze samenleving een onmisbare figuur. Wat brengt hij een woorden over, woorden van allerlei aard. En hij doet het - met een enkele uitzondering - getrouwen precies. Maar van de inhoud van wat hij doorgeeft is hij zich niet bewust. En van de uitwerking van al deze woorden nog minder" (W. Kremer). Men kan hier niet ontkomen aan enkele pretentieuze uitspraken. De dienaar van het evangelie hoeft zich echt - niets te verbeelden - hij is slechts een aarden vat - maar dat neemt niet weg, dat hij heeft te leven uit een bepaalde overtuiging, die voor de prediking fundamenteel moet heten. Prof. Dr. H. Jonker heeft dit in de vorm van drie grote, massieve uitspraken nog niet zo lang geleden aldus geformuleerd: "Wij preken, omdat we diep overtuigd zijn, dat God ook spreekt in deze, onze tijd. Wij preken, omdat wij weten, dat God spreekt door de Heilige Schriften. Wij preken, omdat wij geloven, dat God via de Schriften spreekt in de prediking".
Door de prediking worden hemel en aarde bewogen! De eredienst is een indrukwekkend gebeuren, juist omdat God daarin naar ons toekomt met de krachten van genade en gericht en ons naar Zich toetrekt en uitnodigt om bij Hém te schuilen nu en eeuwig! De prediker dient permanent in het gebed zijn Zender te vragen om verlichte ogen van het verstand, opdat hij dát mag ontdekken.
ZÓ gemotiveerd kan hij dan met vreugde als troubadour zijn lied zingen en daarin anderen meenemen. Hij mag namelijk geen solist blijven!
Allerlei beelden dringen zich aan ons op als wij zoeken naar een glasheldere verwoording van de intentie en de betekenis van de prediking. Wij kunnen het specifieke van de prediking betitelen als proclamatie. "Dat wil zeggen: in en door de prediking wordt dat wat gepredikt wordt werkelijkheid, komt het als beslissende factor het leven in van hen, die het horen. Als een heraut de kroning van een koning uitroept, dan wordt die kroning werkelijkheid voor hen, die het horen. Daardoor "ontvangen" die hoorders een koning, daardoor worden zij onderdanen" (C. Veenhof).
Prof. C. Veenhof heeft steeds weer de allesbeheersende functie van het Woord geaccentueerd!
Dáárin lag de kracht van zijn bijzonder gewaardeerde prediking en dát maakte hem als actief hoogleraar in de ambtelijke vakken tot een dynamische figuur! Dáárvan is elk artikel van zijn hand nog steeds doortrokken! De prediker en de gemeente moeten zich steeds weer en meer bewust worden, dat Gods Woord heilswoord is. God biedt dat heil in de prediking aan mensen van vlees en bloed, ontluisterd door de zonde, hoofd voor hoofd welgemeend aan. En wij mogen dat aanvaarden als voor óns ten volle bestemd. Zó alleen geven wij onze God de plaats in ons leven, die Hem werkelijk toekomt. Dat Woord is ook voluit levenswoord! Door de acceptatie en toepassing van dat levenswoord in ons verkommerde aardse bestaan mogen wij ervaren, dat wij midden in de dood toch midden in het leven zijn. De gemeente van Christus kan niet buiten de voortdurende prediking van het rijke evangelie van Jezus Christus. "Ze staat en valt er mee. Ze wordt er door geconstitueerd en gecontinueerd" (K. Runia).
De gemeente heeft recht op bezielde prediking! En bezielde prediking gaat niet buiten de werkzaamheid van de Heilige Geest om. Hoe kon anders Petrus het aan op de Pinksterdag?
(zie Handelingen 2). En heeft Paulus de prediking niet gekarakteriseerd als bediening van de Geest?! (11 Cor. 3 : 8). Wat dan het effect zal zijn van die prediking?
Wij weten het niet precies. Wij beleiden de prediking met onze bede om het gewenste effect, nl. van geloof en bekering. Tot dat láátste roept God op. En dat kan ons dus niet koud laten. Maar onze motivatie is niet afhankelijk van het effect, al hangt ze er wel mee samen. Wij ontlenen de motivatie tot de prediking aan de roeping van boven!
En wij vinden in onze concentratie op de Heiland der wereld het toppunt van onze vreugde. Het gaat om Hém! Hij is. Hij is er. Hij is het. Bij Hèm halen wij de moed vandaan om te preken en te blijven preken dwars door alle weerstanden kerk en wereld en in eigen hart heen. Maarten Luther heeft eens gezegd: "Christus prediken is een moeilijke en zeer gevaarlijke zaak.
Als ik dat tevoren geweten had, dan had ik nooit gepreekt, maar met Mozes gezegd: Stuur maar een an-, der! Maar ik doe het omwille van de man, die voor mij gestorven is.
Daarom zou de wereld mij niet genoeg geld kunnen geven om ermee op te houden" (geciteerd door J. H. v. d. Laan). De bezielde prediker wordt door de Geest van God gebruikt als instrument om in het hart van de ander de liefde tot de HERE en zijn taak te doen ontvlammen. En daarbij staat niet zijn persoon, maar zijn boodschap centraal. Hij spreekt in de tegenwoordigheid van God (11 Cor. 2 : 17 St. Vert.). Wat een spanning roept dat op! Maar ook: Wat een majesteit straalt dáárvan af! Ongelofelijk! Maar toch waar! Door de grootheid van Gods genade!

Geciteerde literatuur
1. Prof. Dr. H. Jonker: "Gereformeerde prediking in onze tijd". Apeldoorn - 1980.
2. Prof. W. Kremer: "Priesterlijke prediking". Amsterdam - 1976.
3. Drs. J. H. v. d. Laan: ,,Heeft preken zin?" - artikel in het blad THHK 1978 - Jaargang 4, nr. 2.
4. Prof. C. Veenhof: "Prediking en uitverkiezing". Kampen - 1959.
5. Dr. K. Runia: "Heeft preken nog zin?". Kampen - 1981

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief