Toekomstverwachting (3)

1982-03-12
  • Jaargang 26
  • nummer 10
Wat moeten we doen
De christelijke toekomstverwachting brengt de gelovigen tot een wezenlijk andere levenshouding dan de niet-gelovigen. Ik wees er in het begin op hoe met betrekking tot de toekomst een algemeen optimisme is verdrongen door een algemeen pessimisme. Velen zijn beheerst door een ondergangsstemming, die door kranten en het journaal dagelijks wordt gevoed.
De reactie daarop is tweeërlei. Menigeen vervalt in een houding van: laten we eten en drinken en vrolijk zijn, want morgen sterven wij! Laten we genieten wat er nog te genieten valt en daarbij niet teveel aan anderen denken. Ieder is zichzelf het naast. Ná ons de zondvloed!
Of men wordt kwaad en agressief en men reageert zijn onmacht om de ondergang tegen te houden af in vandalisme, een machteloze uiting van onbehagen om de dreiging waaraan niet te ontkomen schijnt. Of men vlucht in de schijnwereld van alcohol en drugs, ook al moet men zich dood spuiten.
Anderen hebben door dat déze manier van denken en leven funest is voor enkeling en samenleving. Het werkt immers verlammend voor elke creativiteit bij het zoeken naar uitwegen. Kom op, zeggen zij, we moeten ons niet overgeven aan het doemdenken. We moeten aan de slag, actie voeren, plannen maken, de mentaliteit omturnen, bezig zijn de bedreigende machten te ontwapenen en de toekomst veilig te stellen. Men is daarbij optimistisch gestemd over de mogelijkheden, die de mens daarvoor heeft. Daar zijn talloze gevoerde acties sprekende voorbeelden van. Men vertrouwt op het redelijke inzicht en op het technisch kunnen dat ongetwijfeld bijtijds voor oplossingen zal zorgen.
Het is echter een optimisme dat eraan voorbij ziet dat het met de mens fundamenteel mis is. Elke toekomstverwachting, die met de mens rekent, komt onherroepelijk bedrogen uit.

Reden tot pessimisme
Beide houdingen zijn voor de gelovige echter onaanvaardbaar. Zowel de houding van de pessimist die het allemaal weinig meer kan schelen of tot wanhoop vervalt, als de houding van de optimist die een blinde ijver aan de dag legt. De gelovige staat in zekere zin het dichtst bij de pessimist. We hebben nl.
inderdaad rekening te houden met de ondergang van onze wereld. Daarover laat Gods Woord ons immers niet in het onzekere. Daarover sprak Jezus in zijn rede over de laatste dingen (Matth. 24; Mark. 13; Luk. 21). En we weten wat Johannes op Patmos gezien heeft bij het verbroken worden van de zeven zegels van de boekrol, het blazen op de zeven bazuinen en het uitgieten van de zeven schalen. De geschiedenis komt steeds meer te staan in het teken van bloed en vuur en rookwalm. Dat kan ons niet verbazen. Hoewel het ons wel met huivering vervult hoe meer we het in vervulling zien gaan. We kunnen om ons heen de mensen soms nogal rauw horen zeggen, dat we met elkaar bezig zijn 'naar de verdommenis' te gaan. Helaas vaak zonder het goed te beseffen, wordt daarmee een ernstige waarheid uitgesproken.
Inderdaad gaat onze wereld 'naar de verdoemenis'. Naar de diepste betekenis van dit woord valt ze onder de strenge oordelen van God. Die oordelen zullen steeds harder worden naarmate de mensheid er niets van leert. Als gelovigen zien we in de dreigende catastrofes daarom niet zozeer rampen, die al of niet te bestrijden zijn. Maar we moeten er Gods oordelen in zien, die onafwendbaar zijn als men zich niet bekeert.

Wat is er veranderd sinds' 40·' 45?
Ik denk aan wat Floris Bakels schreef in zijn indrukwekkende boek "Nacht und Nebel", waarin hij vertelt over zijn verschrikkelijke ervaringen uit de Tweede Wereldoorlog. Hij trekt daaruit behartigenswaardige conclusies. In de inleiding op zijn boek schrijft hij: 'Gedurende twaalf jaar, 1933·1945, heeft de Duitse demonie over het mensdom geraasd, wat gepaard ging met onvoorstelbare verschrikkingen. Ik zie daarin een manifestatie van de Antichrist, tot grote macht gekomen doordat de mensheid bezig was Christus los te laten. De Duitse macht is in 1945 verslagen, en even later ook de Japanse, maar nadien is feitelijk niets tot een oplossing gebracht. Het uitmoorden van zes miljoen joden, met name, is niet gevolgd door iets dat herhaling onmogelijk maakt.
Men heeft zich niet bekeerd. Integendeel, men is voortgegaan op de weg van Godsverzaking, materialisme en ongeloof, ja antigeloof. De daarbij behorende verschijnselen zijn alom angstwekkend waarneembaar. Er zijn geen grenzen aan onze slechtheid. Roependen in de woestijn waarschuwen terecht voor komende catastrofes.
Als schrijver van dit boek voeg ik mij bij hen. De doden verplichten mij daartoe.
Wie leest waartoe demonisch bezetenen in staat zijn geweest, mag niet verzuchten: niet meer aan denken, dat is voorbij, wij leven in vrede. Het is niet voorbij en wij leven niet in vrede' (blz. 10; cursivering door Bakels zelf). Daarom gaat onze wereld inderdaad naar de verdoemenis, valt ze onder het rechtvaardig eindoordeel van God. Volken, die eeuwenlang christelijk hebben willen heten, raken steeds meer door en door vergiftigd met een duivelse leugengeest, die het kwade goed noemt en het goede kwaad, die duisternis voorstelt als licht en licht als duisternis; die bitter doet doorgaan voor zoet en zoet voor bitter (Jes. 5 : 30). Jonge mensen krijgen dit gif ingedruppeld op scholen, via radio en t.v., hun eigen muziek, films, enz., zodat hun zielen aan Satan ten prooi vallen.
Een nieuwe moraal maakt mensenlevens stuk, laat huwelijken exploderen, slaat gezinnen uiteen, verziekt de verhouding werkgevers en -nemers, tast elke gezagsverhouding aan. Vaak ook nog met een vals beroep op de bijbel. Maar door dit alles wordt God tot het uiterste getergd. Wij beseffen nauwelijks wat Gods lankmoedigheid met onze wereld (2 Petr. 3 : 9) Hem dagelijks kost! Hoe de duizendvoudige lastering van zijn Naam Hem grieft!

Roepen om het oordeel
Nogmaals, hoe moet onze houding in dit alles zijn? Onwillekeurig delen wij de angst van vele niet-gelovigen voor een atoomoorlog. Tegelijk vrezen wij de verschrikking van een rode dictatuur, die even erg, zo niet erger is dan Hitlers nazidom. En we zijn geneigd ons met man en macht zowel tegen het één als tegen het ander te verzetten. Maar we kunnen niet uit onder de vraag: heeft onze wereld dit niet dubbel en dwars verdiénd? Hebben we het er in het Westen niet afgrijselijk naar gemaakt? Moeten we dus eigenlijk niet naar Gods oordelend handelen uitzien? Moeten we God juist niet tot het gericht aansporen? Nee, niet uit leedvermaak met wie getroffen worden, maar uit innig verlangen naar zijn vrederijk, omdat al het leed en al het onrecht, alle schijnheiligheid en bedrog ons hogelijk verontrusten. Dat is de houding van o.a. de psalmisten, b.v. de dichter van ps. 10 die uitroept: Waarom, HEERE staat Gij van verre, verbergt Gij U in tijden van nood? (vs. 1). En dan laat die dichter eens eventjes aan God zien hoe erg het in de wereld is (vs. 2-11). Hoe kan God het langer aanzien, dat het recht struikelt op de straten en de zwakken verdrukt worden? Sta toch op, HEERE! 0 God, hef uw hand op (vs. 12). En de dichter van ps. 139 valt hem met felheid bij: 0 God, dat Gij toch de goddelozen ombracht (vs. 19). Zou ik niet haten, HEERE, wie U haten, niet verafschuwen wie tegen U opstaan? Ik haat hen met een volkomen haat, tot vijanden zijn zij mij (vs. 21 v.).
Hieruit spreekt een brandende liefde voor God èn voor de slachtoffers van al het onrecht. Durven wij het nog wel aan om zo tot God te bidden?
Of zijn we zelf bang voor de verhoring van dit gebed, waarbij God mogelijk gebruik maakt van het atoomwapen zoals Hij vroeger de Assyriërs of de koning van Babel gebruikte?
Maar bidden om de komst van Jezus is bidden om het gericht. Dat moeten we goed beseffen. Het is vragen om het gericht waarin alles wat scheef gegroeid is weer wordt recht getrokken. Ook uit verlangen daarnaar roepen de Geest en de bruid samen: Kom! (Openb. 22: 17). Want gelovigen zien over de oordelen heen. Dat is immers het einde niet!

Inspirerende hoop
En ook wie het roepen van de Geest en de bruid hoort, zo lezen we op de laatste bladzij van de bijbel, zegge: Kom! Zoals de Geest aanstekelijk op de gemeente werkt, zo mag de gemeente op haar beurt de wereld om haar hen inspireren. De christelijke hoop mag en moet een klinkend getuigenis zijn tegen de vertwijfeling en de wanhoop, die vandaag zovelen bezielt. Maar ook tegen alle activisme die de nood van de wereld niet diep genoeg gepeild heeft.
De gemeente zegt het aan dat er nog hoop is voor deze wereld. Maar wel hoop, die slechts door het gericht heen gerealiseerd zal worden. Eén ding staat echter vast: deze wereld is niet kapot te krijgen, nog door geen kernoorlogen. Want God blijft trouw aan zijn beloften. En voor ieder die zijn Naam aanroept zal er toekomst zijn. De wereld mag daarom meehopen op de verlossing die aanstaande is. Ja, laat ieder die het hoort zeggen: Kom!
leder die het hoort... Ja, dat ligt natuurlijk mee aan ons. Wij mogen het onze verziekte en verscheurde wereld niet aandoen te zwijgen over de hoop die in ons leeft. Laten we daarom in deze donkere tijden staan als vuurtorens, die sterke lichtbundels uitstralen. Als tekenen van hoop, die mensen leiden in de goede richting. Die hen veilig doen landen op de lieflijke stranden van het Koninkrijk van God.

Door de nacht leidt ons ten leven
licht dat weerlicht overal,
dat ons blinkend zal omgeven
als ons God ontvangen zal.

Met één lied uit duizend monden
gaan wij zingend door de nacht,
door één Geest tesaam verbonden,
naar de kust waar God ons wacht.


(Lied 459 : 3 en 5)

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief