Christen-zijn en burgerlijke ongehoorzaamheid in een democratische samenleving

1982-03-19
  • Jaargang 26
  • nummer 11
Hetgeen volgt is een bewerking van een lezing, op 26 september j.l. gehouden op de plenaire openingsbijeenkomst van het Internationaal Christelijk Studiecentrum te Amsterdam, dat allerlei gesprekskringen organiseert tussen christenstudenten. Het artikel zal eveneens worden opgenomen in het Contactorgaan van het I.C.S.

Waar hebben we het over?
Ik zou willen beginnen met een vráág. Waar hebben we het over, wáár denken we aan als wij het nu, in 1981, hebben over burgerlijke ongehoorzaamheid in een democratische samenleving? Je kunt je nl. bij burgerlijke ongehoorzaamheid nog al wat voorstellen. Ongehoorzaamheid is er al sinds de zondeval in het paradijs. En verzet tegen voorschriften van de overheid dateert ook bepaald niet van de láátste jaren. Ik zou het onderwerp dus wat scherper willen omlijnen. Omdat je er anders van alles en nog wat bij kunt halen. Omdat anders wel eens zou kunnen blijken, dat we aan heel ongelijksoortige zaken denken. Aan situaties met toch wel heel gr6te verschillen. En dat zou weer tot gevolg kunnen hebben, dat we aan een "zinnige" bezinning niet toe zouden komen.
Want dan lopen we, om slechts enkele voorbeelden te noemen, de kans, dat de één, bij voorbeeld een historicus, denkt aan onze opstand tegen Spanje. Tegen die koning, die we, zoals er in het Wilhelmus staat, altijd geëerd hebben. Al waren we wel blij dat we hem kwijt waren.
En een ander zou dan veeleer kunnen denken aan het Nederlandse verzet in de Twééde Wereldoorlog. Aan iemand als Ds Slomp, .Frits de Zwerver", zoals hij in de oorlog werd genoemd. De "illegale" predikant, die vanaf de kansel opriep tot verzet tegen het nationaalsocialisme. Die in niet mis te verstane woorden preekte over de j66dse vroedvrouwen uit Egypte, Sifra en Pua, die het bevel van de Farao 'om de joodse jongetjes bij hun geboorte te doden, aan hun Israëlische laars lapten, èn, zo staat er in de Bijbel, dáárom door God gezégend werden. ' Een derde zal weer denken aan iemand als Dietrich Bonhoeffer, de Duitse theoloog, die meedeed aan het duitse verzet tegen Hitler en dat meedoen met zijn leven moest betalen. De vierde zal dan veeleer denken aan de blokkade van de kerncentrale van Dodewaard of aan actievoerende binnenschippers, of aan de secretaris van het IKV, die onlangs, zo kan men in de krant lezen, het bureau van de (synodale) gereformeerde kerken opriep om de Volkelerheide te gaan bezetten, wanneer het daar tot plaatsing van kruisrakketten zou komen.
En nog weer anderen zullen misschien denken aan allerlei activiteiten van diverse "bevrijdingsbewegingen".

Uiteraard hebben al die situaties echt wel bepaalde verwante trekken. Tóch lijkt het me goed om ons nu even te beperken, om even af te zien van allerlei oorlogssituaties of buitenlandse toestanden. Om ook even af te zien van allerlei betogen van uit een verder verleden, om ons nu te bezinnen over onze situatie als christen hier en nu. Niet omdat een bezinning over al die andere situaties niet van belang is. Niet omdat datgene wat een Calvijn of een Luther, of zelfs een Gandhi of en Nehru - en je kunt daar een indrukwekkende reeks van namen aan toevoegen - over het recht van opstand of over burgerlijke ongehoorzaamheid hebben gezegd of geschreven, niet de moeite van het overwegen waard zou zijn. Maar veeleer omdat de situatie waarin wij nu leven, de mentaliteit, waarmee wij nu in aanraking komen, de huidige crisis in de democratie, de grotere "mondigheid" van de mens en de soms krankzinnige technische mogelijkheden van déze tijd geheel eigen aspecten vertonen.
Het lijkt me goed om daar oog voor te hebben en om ons opnieuw te bezinnen op onze taak en onze houding nu. En dan zullen we echt nog wel genoeg vragen overhouden.
Ik zou dus de nadruk willen leggen op het hier en nu. Op óns christen-zijn en die burgerlijke ongehoorzaamheid in een - voor ons primair Nederlandse - democratische samenleving.
En wat dat laatste betreft, die democratische samenleving, denk ik dan toch allereerst aan een situatie, waarin, wat je er verder als christen ook van kunt en moet zeggen, het toch zo is, dat iedere burger zich daarin toch in alle vrijheid kan bewegen; dat iedere burger daarin in vrijheid zijn mond kan opendoen; dat iedereen daarin voor zijn deel invloed kan uitoefenen op bestuur en beleid, ook al is dat deel dan misschien beperkt en minder dan menigeen zou wensen; dat er bepaald geen sprake is van een dictatuur, geen sprake van een buitenlandse overheersing, geen sprake is van oorlogstoestanden en onderdrukking.

Hernieuwde bezinning: een noodzaak
Dat een hernieuwde bezinning noodzakelijk is, is voor iedereen, ook voor de wetgever en het bestuur, wel duidelijk. Alleen al vanwege de omvang en frequentie van situaties, waarin men kerncentrales blokkeert, rechterlijke bevelen om gekraakte woningen te ontruimen weigert op te volgen, illegaal pleegt uit te zenden; situaties, waarin men zelfs leest en hoort van militairen en agenten, die aankondigen bepaalde bevelen, die toch aan hun functie inherent kunnen zijn, niet te zullen opvolgen.
Wanneer we naar óórzaken zoeken, zullen we aan een heel complex moeten denken. Oorzaken, die soms van meer feitelijke aard zullen zijn, soms ook veeleer mentaal of ideologisch gekleurd zijn. Ik zou er enkele willen noemen.

a. Verandering van visie op de overheid
Slechts enkele decennia geleden bestond er nog zoiets als een vrij stabiel stelsel van normen en waarden. Dat is nu zeker niet meer het geval. Velen zijn niet alleen hun kerk, maar ook God kwijt geraakt. Gold vroeger voor velen de overheid toch als een "dienaresse Gods", die er "ons ten goede" is, thans is dat in veel mindere mate het geval. Gezag, zo wordt nu vaak gesteld, moet zich zelf "legitimeren" door ons te overtuigen, dat de wijze waarop het wordt uitgeoefend voor ons van belang is. Kan die overheid dat niet, zo is dan de gedachtegang, dan ben je er ook niet aan gebonden. Waarom zou je beslissingen moeten aanvaarden, zo wordt wel betoogd, waarvan je overtuigd bent dat ze onjuist, onrechtvaardig zijn? Geldt dan niet veeleer "Uw rechtsorde is de onze niet"?
En dan wordt al spoedig een minister geïdentificeerd met een falend beleid, wordt een rechter beschouwd als een verdediger van gevestigde belangen en de politie niet alleen als een mobiele maar ook als een corrupte eenheid beschouwd. En wie kan ontkennen, wanneer hij in deze wereld niet zijn ogen dicht doet, dat "aardse machten" zich soms toch wel zeer vreeswekkend kunnen gedragen, dat wat in vele landen "wet" heet soms volslagen onrecht is en dat toch ook in betere omstandigheden agenten mensen met gebreken zijn?

b. De gevallen ambtsdrager
Die ontluistering van de overheid wordt dan nog eens door verscheidene factoren versterkt. Soms - ik roerde het net al even aan - door de gedragingen van overheidsinstanties en politici zelf. Een kabinet, dat al voor zijn ontstaan als vechtkabinet wordt gekwalificeerd, politici, waarvan je in de krant kunt of kon lezen, dat ze weer eens te veel alcoholica naar binnen hebben geslagen e.d. verhogen het ambt niet. Een aantal jaren geleden was een minister van defensie, die betrokken bleek bij een echtscheidingsprocedure, en een minister van Binnenlandse Zaken, die na onder invloed een aanrijding te hebben veroorzaakt was doorgereden, nog gedwongen af te treden. Maar, zou dat ook nu nog zo zijn? Ook vanuit een oogpunt van publieke moraal?
Zo staat en valt ook het aanzien van de rechterlijke macht met het eens opgebouwde imago van objectiviteit. Voor de wet is, aldus één van de criteria van de rechtsstaat, ieder gelijk. Maar wanneer benoemingen van rechters publiekelijk tot inzet van een politieke machtsstrijd worden... Gelukkig valt dat in Nederland nog al mee - dan daalt ook dat vertrouwen en respect. Maar ook hier kan de rechter soms in een typisch politiek conflict worden betrokken omdat de wetgever het liet afweten. Men denke maar aan de stakingsconflicten, die zich soms voordeden.

c. De ontluisterde wet
Soms kunnen ook zelfs resultaten van wetenschappelijk onderzoek bijdragen tot het in diskrediet brengen van wettelijke voorschriften. Natuurlijk is het in de praktijk soms moeilijk om bepaalde wetten bevredigend toe te passen en te handhaven. Dat is echt niet altijd mogelijk en soms zelfs niet gewenst. Wanneer iedereen in Amsterdam op vrijdagmiddag aan het van rechts komend verkeer voorrang verleent is er ongetwijfeld binnen vijf minuten een verkeerschaos. En dat is toch ook niet de bedoeling van de wetgever.
Maar het doet het gezag van een Hinderwet toch niet goed, als uit wetenschappelijk onderzoek blijkt, dat tal van fabrieken éérst gaan draaien en dat pas daarna eens serieus bekeken wordt welke voorwaarden er in de desbetreffende hinderwetvergunning kunnen worden gesteld. En wanneer zoals een aantal jaren geleden geschiedde, in een oratie de werking van de wet op de ruimtelijke ordening wordt geëvalueerd onder de titel "Onrecht in de ruimtelijke ordening", dan is wel duidelijk dat ook daar een aantal zaken niet goed liggen. En zo zijn er nog wel meer voorbeelden te geven. Ze maken duidelijk, dat de greep op het geheel ook aan de wetgever dreigt te ontglippen.
Hetgeen weer leidt tot frustraties bij wetgever, bestuur en burger. En dan spreek ik nog niet eens over de voor de burgers vaak geheel onoverzienbare complicaties, zoals die kunnen voortvloeien uit het Europese en internationale recht.

d. Recht hebben op
Mogelijkheden tot frustraties worden soms ook nog door die overheid zelf vergroot. Maar al te vaak bestaat er een overspannen verwachtingspatroon bij de burger van wat die overheid kán en móet doen. En wie kun je als mens beter voor alles en nog wat verantwoordelijk stellen dan juist die overheid? Je hebt toch als mens je rèchten, zo wordt gesteld? Je hebt toch rècht op een eigen woning, op voldoende bijstand, op sociale zekerheid, op arbeid e.d.?
Wordt dat beeld ten dele ook niet door politici (vooral vóór de verkiezingen) en door de wetgever zelf opgeroepen? Vroeger maakten we ons primair druk om onze klassieke vrijheden: vrijheid van godsdienst, vrijheid van meningsuiting, waarborgen tegen arrestatie e.d. Nu is de aandacht vaak meer gericht op wat men de sociale grondrechten is gaan noemen: dat recht op bijstand, op arbeid e.d. In de nieuwe grondwet zullen er meerdere artikelen aan worden gewijd.
Dat is op zich zelf nog niet zo bezwaarlijk. Maar doordat men in de praktijk zo sterk de nadruk legt op het feit, dat het hier om rèchten van de burger zou gaan, vergeet men maar al te vaak dat het garantiekarakter van déze laatste rechten heel wat minder groot is dan bij de klassieke grondrechten het geval was. Sociale grondrechten zijn vaak veeleer taakstellingen van de overheid, intentieverklaringen. Streven naar voldoende werkgelegenheid is één ding, rècht hebben op arbeid klinkt toch wel iets anders. Maar ook dergelijke ontwikkelingen kunnen weer een bijdrage leveren tot frustraties en derhalve ook tot een gemakkelijker aanvaarden van burgerlijke ongehoorzaamheid als een "geoorloofd" middel.

(wordt vervolgd)

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief