Het is nú de tijd...
1982-03-26
Het lied van het laatste der tijden - Jaargang 26
- nummer 12
"Het zal zijn in het laatste der tijden
dat de berg van de tempel verheerlijkt zal staan
dat de wegen er heen zullen leiden
en de volken der aarde op weg zullen gaan
om de rechten des Heren te leren
zich tot God en elkaar te bekeren."
De eerste strofe van Lied 23 uit het liedboek. In één adem, zonder een enkele punt of komma, gedicht door de onvergetelijke domineedichter Jan Wit. Een bijbellied naar Jesaja 2 : 2-5. Getoonzet met een 'ijzersterke' melodie door Frits Mehrtens. Muzikale zinnen, nee, één muzikale zin die er bijna letterlijk wordt ingehamerd: "De smidse inhope uit de derde strofe bracht mij op het martellato-ritme" schrijft hij in het Compendium. Martellato (van Italiaans, martello, hamer): hamerend (van bijv. het ritme in de muziek). Is het een wonder dat zo'n lied bij je boven komt als je nog eens nadenkt over Petrus' woorden: "het einde is nabij gekomen" en "het is nu de tijd dat het oordeel begint bij het huis Gods" (1 Pt. 4 : 7 en 17)? Zeker als Petrus in zijn tweede brief ook nog eens de spotters van zijn tijd aan het woord laat komen met hun vraag: "Waar blijft de belofte van zijn komst" d.i. zijn beloofde komst?
Om even verder te verzekeren: "maar de dag des Heren zal komen als een dief" (2 Pt. 3 : 3, 4 en 10).
Overspannen?
Petrus' woorden, en niet minder die van Paulus (bijv. 1 Thess. 5 : 2) hebben al heel wat pennen in beweging gebracht. De beide apostelen, en niet minder de eerste christengemeenten, zouden hebben geleefd in een overspannen wederkomstverwachting. Zó sterk en overtrokken, dat Paulus in een tweede brief haastig de gedachtestroom moet indammen: "wij verzoeken u, broeders, met betrekking tot de komst van [onze] Here Jezus Christus en onze vereniging met Hem, dat gij niet spoedig uw bezinning verliest of in onrust verkeert ... alsof de dag des Heren (reeds) aanbrak" (2 Thess. 2 : 1, 2). Maar had hij zelf niet eerst die onrust gezaaid? Werden de gemeenten niet de dupe van het eigen, aanvankelijk onmatige enthousiasme van hun apostelen? Ik stel de vraag, omdat ik meen dat ook nu weer tallozen worden opgezweept door een overspannen adventsverwachting: "In onze jaren maakt de eschatologie (= leer van de laatste dingen) overuren. Ze heeft heel wat in te halen, want in de vorige eeuw had men haar praktisch op wachtgeld geplaatst ... Maar dat is nu helemaal anders ... in de theologische afdelingen van de boekwinkels nemen allerlei publicaties over het laatste der dagen een opvallende plaats in. Er is veel vraag naar. Eén van de verschillen tussen de negentiende en twintigste eeuw bestaat in de visie op déze wereld en dit leven." Aldus ds L. H. Kwast in de Friese Kerkbode van 12 februari '82.
Opnieuw bakzeil halen?
Die optimistische visie wordt dan geschilderd: "Er werden dromen gedroomd. Bij voorbeeld dat oorlog uitgebannen kon worden. Bij voorbeeld dat groei van welvaart vermeerdering van geluk zou brengen. Bij voorbeeld dat wetenschap en techniek een gouden toekomst zouden doen aanbreken. Daarom werd de eschatologie een winkeldochter. Ze was niet gevraagd wijl overbodig. Nog in het begin van deze eeuw schreef Troeltsch: "Het eschatologische bureau is meestal gesloten"... In het begin van deze eeuw was in de christelijke wereld de algemene gedachte dat het einde van de kosmos, zoals in de Openbaring van Johannes beschreven, beschouwd moest worden als een mythe. Wij die naar het einde van de twintigste eeuw toeleven, delen die gedachte niet meer."
Er is weer een stomloop op de eschatologie. Geen wonder na twee wereldoorlogen en in een tijd dat de ontwikkeling van de techniek finaal uit de hand loopt met de meest rampzalige (en echt niet alleen denkbare) gevolgen van dien. Wie weet nog wat het woord 'vrede' metterdaad inhoudt?
Intussen lijkt de eschatologie van nu net zo tijd- en situatiegebonden als (naar men meent) die van een Petrus en Paulus in hun dagen. Zullen gemeenten opnieuw de dupe worden? En zal de kerk weer bakzeil moeten halen?
Het oude thema: de dag des Heren
Petrus schrijft: "Het einde aller dingen is nabij gekomen ... het is nu de tijd dat het oordeel begint bij het huis Gods ... "
Dat was geen overspannen toekomstverwachting maar een letterlijk rekening houden met Jezus' eigen woorden: "Ik zeg u, dit geslacht zal geenszins voorbijgaan, voordat dit alles geschiedt." Met alle nadruk zou ik hier nog eens willen wijzen op de artikelenserie van dr D. Holwerda: "De zeven zegelen" (betr. Op. 6 v. en Mt. 24) in 'Opbouw', jaargang 19, de nummers 41 en volgende. Jezus komt. Ja, Hij is in Jeruzalem gekomen (Op. 1:7). Hij komt - éénmaal?
Hij komt als het toppunt (het einde, 1 Pt. 4 : 7) bereikt is, als de tijd rijp is (4 : 17). En dat kan heel wat vaker zijn dan éénmaal. Sodom en Gomorra hadden in Abrahams dagen het toppunt bereikt. De rest van Kanaän nog niet: "de maat van de ongerechtigheid der Amorieten (was nog) niet vol" - dat duurde nog vier geslachten (Gen. 15 : 16). Hier staat precies de maatstaf aangegeven: als de maat vo1 is. Daarover spreekt Jezus (Mt. 24). Daarover schrijft Petrus (I, 4 : 1 v.v.) zo goed als Paulus (2 Thess. 2 : 7,8 v.v.: 2 Tim. 3 : 1-5). Schrijft Petrus de ene keer: "het einde aller dingen is nabij gekomen", de andere keer heet het: "de dag des Heren zal komen als een dief" (11,3 : 10). 'De dag des Heren' is een begrip dat de profeten steeds weer hanteren. En ook zij zeggen: die dag is nabij (bijv. Joël 1 : 15).
De troost der herhaling
De dag des Heren kan elke keer weer nabij zijn (iteratief: zich steeds herhalend). Het vonnis (oordeel) hangt als een onweerswolk boven de wereld - tot de maat vol is en het vuur van de hemel Sodom en Gomorrha bij voorbeeld treft. Het is al vaak gebleken en zelfs Gods eigen volk is er niet aan ontkomen: Jeruzalem is meer dan eens verwoest... En het zál blijken - tot metterdaad het laatste uur van héél de wereld heeft geslagen. Herodes heeft het geweten. En Nero. En Hitler. De machten van de vroegere en van de huidige tijd komen aan de weet dat de HERE God is. Als de maat vol is - niet eerder: zo geduldig is God (2 Pt. 3 : 9). Het laatste bijbelboek begint (toevallig?) met de Openbaring van Jezus Christus "op de dag des Heren" (1 : 1, 10). Het eindigt met zijn toezegging: "Ja, Ik kom spoedig" (22 : 20). Dat zal voor wie "naar de wil van God lijden", voor wie als Lot onder de wetsverachting lijden (2 Petr. 2 : 6 v.v.) tot troost en behoud zijn. Ik hóór weer het lied: "Het zal zijn in het laatste der tijden..."