De leegloop der kerken
1982-03-26
In één van de vorige artikelen in Opbouw heeft ds H. Amelink het volgende geschreven: "Ik vermoed dat de leegloop van de kerken vooral toe te schrijven is aan 'verbalisme' in de prediking. Er wordt te veel over 'onderwerpen' gepreekt. Daarmee worden predikers gemakkelijk tot 'verwaten wauwelaars'. In plaats daarvan moest men het oordelend en vrijsprekend woord van God ten gehore brengen en dan volgt in letterlijk citaat de uitspraak: "het is niet goed als de prediker de ene keer over het zoveelste gebod preekt, de andere keer over de doop of over de vrede. Zeker, al deze zaken en al het andere dat in de bijbel genoemd wordt dient ter sprake te komen in de leer van de rechtvaardiging van de goddeloze uit genade alleen zonder de werken. Of er nu over Abraham of Simson wordt gepreekt, over Petrus of Judas, als het toch niet is verkondiging van de vrijspraak, dan is het verbalisme." (5-2 '81, pag. 34).- Jaargang 26
- nummer 12
Verbalisme
Ds Amelink schrijft de leegloop der kerken dus met name toe aan verbalisme: 'n term die betekent: er worden veel woorden gebruikt, maar ze leiden tot niets: er vindt geen contact plaats tussen Christus en de gemeente. Deze gemeenschap tussen Christus en Zijn gemeente vindt alleen plaats als het evangelie weerklinkt van de rechtvaardiging van de goddeloze door geloof alleen.
De nadruk die ds Amelink hierop in vele van zijn artikelen in Opbouw legt is mij uit het hart gegrepen: Welke verkondiger van het Evangelie zou er niet mee instemmen dat dáár het zwaartepunt van zijn boodschap moet liggen. Als het goed is zullen we toch allemaal in Paulus voetspoor willen treden, die zei: ik heb besloten onder u niets te weten, dan Jezus Christus en dien gekruisigd (1 Cor. 2 : 2).
Zó niet
Toch vraag ik mij af of wij het gevaar van verbalisme wel echt bestrijden als wij stellen dat de verkondiging van de rechtvaardiging van de goddeloze door geloof alleen ons daarvan bevrijdt.
Ook deze "leer" kan gebracht worden op een wijze die alleen bestaat uit woorden en niet uit kracht.
Ik ben bang dat de citaten van Amelink de indruk wekken (om het heel zacht te zeggen) dat als je in de Woordverkondiging je onderwijs maar past in dát raam van de rechtvaardiging van de goddelozen door geloof alleen je altijd wel gevrijwaard zal blijven van verbalisme.
Helaas is dat een illusie. Zelfs de heiligste woorden en de zuiverste kern van het evangelie kunnen verworden tot verbaal geweld. Sterker nog: ik ben bang dat als dominees over een tekst in de Schrift preken - bijv. de geschiedenis van Simson - gespannen tussen intocht en koningschap - en in hun preken over Simson iedere keer weer opnieuw diezelfde boodschap ten gehore brengen de gemeente dan juist gaat lijden onder geforceerde constructies - en erbij gesleepte waarheden die wel allemaal ontzettend waar zijn maar die niet uit de tekst zelf voortvloeien en zo als een steeds weerkerende verbale vloedgolf wordt opgevat. Ik zou wel eens willen weten wat ds Amelink van deze tegenwerping denkt. Er moest toch in een bepaalde fase van de geschiedenis van de vrijgemaakte kerk ook altijd heilshistorisch gepreekt worden... totdat er iemand eens de ban durfde te breken door te zeggen dat heilshistorisch in sommige gevallen niet veel verschilde van heils-hysterisch.
Kortom: wij kunnen ons niet van verbalisme vrijwaren als wij onze verkondiging maar altijd in dat éne raam plaatsen van de rechtvaardiging van de goddeloze - om niet.
Hoe danwel?
Toch voel ik mij heel nauw verbonden met de inzichten van ds Amelink. Juist op dit voor ons predikanten zo gevoelige punt van: hoe preek je? Komt het Woord wel echt over? Is het wel het oordelende en vrijsprekende Woord van God? vraagt ds Amelink. Ik zou er aan toe willen voegen: Is het wel het oordelende en vrijsprekende en bemoedigende en opbouwende en vermanende Woord van God? Er zijn toch ook voorbeelden in de bijbel te vinden van hele bijbelboeken en brieven, waarin wèl het Woord van God weerklinkt maar niet in zijn harde kern, waar ds Amelink steeds naar verwijst, zoals de Spreuken of de brief aan Philémon. Toch zijn zij op hun plaats niet minder belangrijk - want de Here spreekt wel méér woorden tot ons dan alleen genade.
Het Avondmaal
Intussen: als dit laatste woord niet steeds weer in de verkondiging terugkeert en de gemeente opnieuw doet rusten op het fundament is er iets niet in orde. Mijn vraag is: is ons nu niet juist met het oog hierop het Avondmaal gegeven? Bij ons is de viering van het Avondmaal een twee- of driemaandelijks gebeuren geworden. Zo was het van de aanvang af niet bedoeld. De vroegchristelijke kerk brak het brood in iedere samenkomst waarin zij als gemeente bijeenkwam. Het heil van Gods genade alleen door het kruis van Christus laat zich niet altijd zeggen. Het laat zich wel altijd vieren. Wij zouden het weer iedere zondag moeten gaan vieren. Zou dat niet aan het diepste motief van het spreken van ds Amelink recht doen??
Dat betekent dan wel dat wij naar een ander soort viering moeten toegroeien: niet een plechtig en vaak somber gebeuren, maar een blijde en open viering aan het slot van iedere dienst. Met nieuwe liederen, zoals er vandaag gelukkig zo veel 'op de markt' zijn, met weglating van het formulier, waarvan wij de inhoud op andere wijze tot zijn recht moeten laten komen, en zo mogelijk ook in verbondenheid met een echte maaltijd of andersoortige gemeenschapsbeoefening.
Onemanshow
Het tweede waar ik voor zou willen pleiten is een veel grotere gemeenschappelijkheid in de diensten. Het is in de lange eeuwen dat de christelijke kerk een volkskerk was wellicht onontwijkbaar geweest dat de diensten geheel in de hand lagen van één man: de predikant. Vandaag is dat veranderd. De meeste gemeenteleden hebben een hoge ontwikkeling, kunnen het woord voeren voor een groep mensen, zijn toegewijd aan de gemeente en hebben een goede kennis van het evangelie. In die omstandigheden is het een misstand dat het geestelijk leven van de gemeente en de opbouw ervan zó sterk van een man afhankelijk is. Ik weet dat ik hier voorlopig nog alleen theoretisch kan spreken. Bijna alle leden en predikanten van onze gemeenten zijn het er in theorie over eens dat de N.T.-ische kerk een veel grotere gemeenschappelijkheid kende in haar samenkomsten, lees maar in 1 Korinthe 12-14. Toch blijkt de macht van de traditie, het sacrosancte karakter van onze samenkomsten, en de ingeboren gewoontevorming bij ons zo sterk dat daarvoor de schriftuurlijke en noodzakelijke vernieuwing - ruimte voor meer Geestesgaven - moet wijken (zie art. N. Cornelisse in het vorige nummer). Ik pleit hier niet voor een afschaffen van een gedegen opleiding tot predikant en de noodzaak van diepgaande studie - integendeelmaar wel voor een verrijking en verdieping van onze samenkomsten zodat het verbalisme - om met ds. Amelink te spreken - wordt tegengegaan en er naast het woord van één man ook ruimte komt voor gevoel, voor viering, voor gemeenschappelijk gebed - uit de mond van meer dan één man - en vooral echte aanbidding.
Tegelijk geef ik met deze woorden ook een klein beetje uitdrukking aan de nood waarin predikanten zich soms bevinden, wanneer zij enerzijds niets liever willen dan heel hoog denken over de betekenis van de eredienst - als, moet je nagaan de ontmoeting tussen God en zijn volk, waaraan zij leiding zouden moeten geven - en anderszijds hun diep besef van eigen onmacht en ontoereikendheid, als zij zich vrijdags naar het hoofd grijpen en denken: "ik kom er niet uit, ik weet niet wat ik déze zondag zeggen moet". Maar ja, zij moeten, en er is geen ontkomen aan en zij geven tenslotte dan maar wat zij in hun armoede hebben. Soms denk je: zouden het alleen de dominees zijn die zo worstelen met het Woord? In ieder geval hoop ik met deze woorden iets aan de strengheid van ds Amelinks woorden te ontnemen. Inderdaad - zo er èrgens in zwakheid gewerkt wordt, dan is het in de wekelijks terugkerende verkondiging van het Evangelie, die je dan ook alleen kan volhouden als je het doet met dàt woord van Paulus in je hart, dat juist hierover gaat en dat zich tot steeds weerkerende verbazing en vreugde nog blijkt waar te maken ook (11 Cor. 12 : 9).
Intussen moet ons dit er niet van weerhouden om een deel van deze abnormale druk te verklaren uit een misstand en hoop ik met deze woorden een nieuwe generatie er toe op te wekken deze bovenbeschreven misstand te verwijderen.
De 'tieners'
Tenslotte nu ik toch over de leegloop der kerken schrijf: ik denk dat wij ons de weelde niet meer kunnen veroorloven om onze diensten geheel te richten op de smaak (bijv. van de muziek) en het begrip en bevattingsvermogen van de volwassen burgerij van de middenstandsklasse. Hoe het wèl moet, weet ik niet. Maar wel weet ik dat wat vroeger kon, ons vandaag opbreekt.
Er moeten wegen komen waarlangs in de eredienst ook muziek, verhaal, en viering plaatsvindt, waar de jongeren door worden aangesproken. De gewoonte om een kindervertelling te hebben in de samenkomst - zoals in Dordrecht gebeurt - is een goed voorbeeld van een poging om dit te bereiken. Kindernevendiensten zijn een oplossing maar m.i. een noodoplossing. Het liedboek geeft wel mooie nieuwe liederen, maar weinig of niets, dat geschikt is voor 'tieners' . Het beklemt mij te lezen dat een man als prof.
Hartvelt schrijft dat zijn kerken 50% van de jongeren voor het geloof verliest tussen de 12 en de 18 jaar. Zou het er bij ons veel beter voorstaan? In ieder geval: ik zou iedereen willen stimuleren om biddend te zoeken naar wegen om in onze samenkomsten ook de ± 30% van de bezoekers aan te spreken die nu nog het hoofd op de armen legt en planken of lampen gaat zitten tellen - om de tijd maar door te komen.
Ik hoop dat u door dit artikel niet teleurgesteld geraakt bent, maar eerder gestimuleerd om over dàt grote punt na te denken, dat ds Amelink aansneed nl. de leegloop der kerken en: verbalisme.