Consumptiekerk

1982-03-26
  • Jaargang 26
  • nummer 12
Wij leven in een wereld, waarin de onmiddellijke behoeftebevrediging, de genotconsumptie bepalend is voor ons "geluk" en onze status. Hoe groter onze consumptie, hoe meer wij meetellen. In de loop der jaren zijn onze consumptiemogelijkheden enorm gestegen en wij hebben daarvan een driftig gebruik gemaakt. Let alleen maar op de uitbreiding van onze vakantiemogelijkheden. Wat geven onze auto, onze radio en t.v. niet een consumptiemogelijkheden.
Het komt dan ook zwaar aan nu de economische teruggang ons dwingt ons consumptiepatroon te veranderen. We moeten de tering naar de nering zetten. Hoe beperkt deze teruggang van de consumptie ook is, ze treft ons allen diep. Zo verslingerd zijn we al aan al die consumptieartikelen.
De consumptie is een van onze afgoden geworden.

Hoe staat het in de kerk?
Laatst las ik, dat we ook als kerk een consumptiekerk geworden zijn. Daarmee werd niet bedoeld, dat ook kerkleden verslingerd zijn aan de genotconsumptie. Al is dat ongetwijfeld het geval. Nee, ook als kerkleden zijn we een soort consumenten geworden. We consumeren preken en pastorale arbeid van onze predikant en andere ambtsdragers. Naar mijn opvatting moet inderdaad in deze zin van een consumptiekerk gesproken worden, al wordt hier de economische term consumptie in wat oneigenlijke zin gebruikt. Op zondag zijn we als Ned. gereformeerden over het algemeen vrij trouwe preekconsumenten, al schijnt onze honger naar de 2e dienst wel eens wat minder te zijn. In een kerkdienst moet je je ook wel beperken tot de vrij passieve houding van consument. Alleen bij het zingen en bij de collecte wordt het iets anders. Op de catechisaties schijnen de catechisanten zich meestal ook te moeten beperken tot het consumeren van de toespraken van hun herder en leraar, al schijnt dat velen nog al moeite te kosten. Bij huisbezoeken willen ambtsdragers ons ook nog wel eens tot een passieve rol veroordelen, maar in vele gevallen gelukt dat niet. Op bijeenkomsten van jeugdverenigingen en bijbelkringen mogen we iets meer zijn dan consument.
Op deze wijze lijkt het wel alsof we alleen maar lid zijn van een kerk om er wat aan te hebben. Veel kerkleden schijnen deze rol van alleen maar consument ook wel aardig te vinden.
Natuurlijk is men wel een kieskeurig consument. Als de prediking niet goed smaakt, als de catechisaties gaan vervelen, komt al spoedig ergernis en teleurstelling op en zijn er leden, die zich daarom van de kerk afwenden. Vergeten wordt, dat de kerk uit mensen bestaat. Doodgewone mensen. Mensen, die alle hun gebreken en beperkingen hebben.
Ook de predikanten zijn wel beschouwd, naar een woord van prof. Van Ruler, maar stumpers, al zijn er begenadigde stumpers onder. We moeten de gemeente liefhebben, ook al is er wellicht veel op aan te merken. Een aarden vat, maar wel een vat, dat de schat van het Evangelie bergt.
We mogen niet zeggen: je bevalt me niet. Jullie mensen bevallen me niet, dus blijf ik maar uit de buurt. Kerkleden mogen ook niet alleen maar consumenten zijn. Ze moeten ook produceren. Men is niet alleen kerklid om te ontvangen, maar evenzeer om te geven. In de kerk moeten we ons inspannen. De kerk is niet een luilekkerland, waar de gebraden haantjes ons gratis in de mond vliegen. Helaas schijnen er kerkleden te zijn, die dat wel menen. Maar, zegt men, we betalen toch voor wat we in de kerk consumeren. We geven allen min of meer een kerkelijke bijdrage. Daarnaast komen onze gaven voor diaconale uitgaven, zendingevangelisatie en nog vele andere doeleinden. Het lijkt wel eens alsof de kerk een winkel is. Je koopt preken en geestelijke troost van de predikant in moeilijke omstandigheden en daarvoor betaal je dan een kerkelijke bijdrage. Zo heb je de schuld voldaan. De kerk heeft niets meer van je te vorderen.
Wanneer men de kerk slechts ziet als een winkel, waar preken en troost te koop zijn, heeft men feitelijk de kerk toch niet gezien. De kerk is de plaats waar het Woord gepredikt wordt en de sacramenten bediend worden. Maar daar is meer. In zondag 21 wordt er in vr. 55 op gewezen bij de gemeenschap de heiligen. De kerk is ook een gemeenschap van mensen, waarin alle leden verplicht zijn hun gaven met blijdschap in te zetten ten bate van anderen.
In Hand. 17 lezen we, dat de Geest van God uitgestort is op alle vlees zonder onderscheid van rang en stand. Alle gemeenteleden zijn nu geroepen de deugden van God te verkondigen.
Naar mijn indruk functioneert deze roeping van de gemeenteleden te weinig. Er wordt wel fraai gesproken over het algemeen priesterschap van de gelovigen en in art. 28 N.G.B. wordt zelfs melding gemaakt van het ambt der gelovigen, maar terecht werd vroeger al gesproken over het "vergeten ambt". Deze uitdrukking is nog steeds op zijn plaats. Daar was en is steeds de neiging om het bijzonder ambt te overspannen ten koste van het zogenaamde ambt der gelovigen. Vooral "ambtsdragers" zijn doodsbenauwd, dat de grenzen tussen bijzonder ambt en ambt aller gelovigen worden uitgewist en zo het speciale ambt verdrongen wordt. Diezelfde zorg mis ik echter ten aanzien van het ambt aller gelovigen.
We moeten oppassen voor elke gedachte van ambtshoogheid. In de kerk is er maar Eén hoog. Alles wat ieder doet is dienst. Ambtsgewichtigheid IS een van de ergste vormen van ambtelijke ongehoorzaamheid. Zou het woord ambt daarom in de Bijbel maar nauwelijks voorkomen?
In art. 28 N.G wordt wel over het ambt aller gelovigen gesproken, maar dat heeft hier toch wel een erg beperkte betekenis. Als de regerende ambten wegvallen, treed~ het ambt aller gelovigen daarvoor in de plaats. In de 1e uitgave wordt hier ook me~;an ambt, maar van plicht gesproken.
In zijn "Traktaat van de Reformatie' van 1884 schrijft dr. A. Kuyper in dezelfde zin. Als de ambtsdragers falen, moet het ambt aller gelovigen optreden. Er wordt door hem nog aan toegevoegd, dat het ambt aller gelovigen ook nog het Evangelie mag verkondigen, waar dit niet geschiedt of slechts in schijn. Ds. H. Bavinck wijst ons een beter spoor. Christus oefent zijn ambt uit.
HIJ had dit zonder mensen kunnen doen, maar Hij heeft voor de uitoefening daarvan gebruik willen maken van mensen. Ambten en gaven zijn door Christus aan Zijn gemeente geschonken. Aan het speciale ambt gaat, het ambt aller gelovigen vooraf. Naar mijn mening is deze beschouwing van Bavinck meer in overeenstemming met wat de Schrift ons meedeelt. Alle leden van de gemeente zijn gezalfd tot eenzelfde dienst. De gemeente kent met anders dan werkende leden. Een pure consumentenkerk is onbestaanbaar. Op basis van deze dienst van de gemeente heeft Christus ook bijzondere ambten ingesteld. Niet om aan de leden hun roeping te ontnemen, maar juist om te zorgen voor een goed functioneren van heel de gemeente. Het bijzonder ambt mag het ambt van de gemeente dus niet aantasten maar is er dienstbaar aan. Het staat niet boven de gemeente op de plaats van Christus en het verdringt ook niet de gemeente uit haar ambtelijke roeping tegenover de wereld. Het bijzonder ambt is er om de verantwoordelijkheid van de gemeenteleden te stimuleren, niet om die te begrenzen. De dienst nu waartoe Christus alle leden van de gemeente oproept, functioneert onvoldoende en doet de tendens om alleen maar consumptiekerk te zijn, versterken.
Een kerk blijft echter alleen gezond als ze aan het werk blijft. Daar is veel werk aan de winkel. Dat betekent werk voor alle kerkleden, want zij vormen samen de kerk. .
De verkondiging van het Evangelie bv. moet uitgedragen worden naar hen, die niet tot de gemeente behoren. Hier en elders. Dat is een veelomvattende taak voor heel de gemeente. Helaas lijkt het vaak of met name het Evangelisatiewerk iets is voor een paar hobbyisten. Hoeveel leden van uw plaatselijke gemeente doen daadwerkelijk mee aan evangelisatiearbeid?
In de gemeente is werk beschikbaar voor alle gemeenteleden. Ook voor mensen met geringe gaven. Soms worden we tot nederige taken geroepen. De psalmist was al overgelukkig, als hij dorpelwachter in het huis van de Heer mocht zijn. De kerk is niet een gemeenschap waar het werk door een elitair groepje gedaan wordt. De gemeente van Christus bereikt haar zaligheid, haar volheid, in haar doen.
Niet slechts consumptiekerk, maar evenzeer productiegemeente. Wij zijn vaak liever toeschouwers. We gaan naar de kerk, geven een bijdrage en staan verder aIs critici aan de kant. Maar Petrus zegt heel wat anders over de roeping van kerkleden.
U bent, zegt Petrus, een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilige natie, Gods eigen volk gekozen om de heilsdaden te verkondigen van Hem, die u uit de duisternis geroepen heeft tot zijn wonderbaar licht.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief