Christen-zijn en burgerlijke ongehoorzaamheid in een democratische samenleving (2)

1982-03-26
  • Jaargang 26
  • nummer 12
(Na in het vorige artikel vier oorzaken over de toenemende burgerlijke ongehoorzaamheid te hebben genoemd, gaat prof. Oosterbrink als volgt verder:)

e.Nieuwe theorieën
Maar ook in de theorievorming zelf heeft burgerlijke ongehoorzaamheid een hele ontwikkeling doorgemaakt. Vooral in het Amerikaanse maatschappelijke en rechtsdenken. Schrijvers als bijvoorbeeld Rawls en Dworking hebben zich daar uitdrukkelijk bezig gehouden met "civil obedience", burgerlijke ongehoorzaamheid. En dat is natuurlijk niet toevallig. De oorlog in Vietnam, de civil rightsbeweging en het studentenprotest hebben daar diepe sporen achtergelaten.
Ook een Nederlandse dissertatie over "Recht, orde en burgerlijke ongehoorzaamheid"
van Schuyt, werd, zo kan men in het voorwoord lezen, geschreven in een jaar dat de schrijver studeerde aan de University of California. Een dissertatie, die zich overigens niet beperkt tot burgerlijke ongehoorzaamheid binnen een democratische samenleving. Dat laat zich wellicht het meest gemakkelijk illustreren aan de hand van het feit, dat de schrijver eindigt met een pleidooi voor burgerlijke ongehoorzaamheid op drie probleemgebieden, te weten:

- in de derde wereld: Burgerllijke ongehoorzaamheid als protest tegen het voortduren van de onrechtvaardige verdeling van de levenskansen op internationale schaal.

- in verband met een derde wereldoorlog: Als protest tegen een regeringsbeleid, dat er op gericht is om politieke conflicten primair op te lossen met overdadig, inhumaan en allesvernietigend geweld (nucleaire bewapening, militaire destructies, genocide).

- in verband met de ecologische crisis: Als protest tegen het uitblijven van beschermende maatregelen voor het behoud van levenskansen (de ecocide).

Maar ook al omvat Schuyt's dissertatie een ruimer gebied dan alleen maar de burgerlijke ongehoorzaamheid in een democratische samenleving, de gegeven voorbeelden maken wel duidelijk dat ook wij daar alleszins mee te maken hebben. Veelal zul je echter moeten constateren, dat in die beschouwingen voor vele aspecten een plaats is ingeruimd maar dat van een poging die burgerlijke ongehoorzaamheid te bezien tegen het licht· van een verantwoord christen-zijn en in het licht van een schriftuurlijke visie op de overheid en op de burger geen sprake is. Zo zal men in het meest befaamde artikel van Rawls op dit punt "The justification of civil obedience" (de rechtvaardiging van burgerlijke ongehoorzaamheid) weer een bepaalde variatie op de leer van het "sociaal contract" tegen komen. Politieke plichten zijn dan gebaseerd o.a. op bepaalde afspraak verplichtingen uit vrije wil en rechtsbeginselen zijn dan het resultaat van hypothetische afspraken. En ook in Schuyt's proefschrift - hij werd na zijn promotie lector en vervolgens hoogleraar aan de rooms-katholieke universiteit te Nijmegen, maar vertrok nog niet zo lang geleden weer naar Leiden - zal men van énige verwijzing naar een bijbelse notie omtrent overheid en overheidsgezag tevergeefs zoeken.

Twee vragen
Wel is het zo, dat vrijwel al die schrijvers, uiteraard binnen de door hen gekozen uitgangspunten, vooral hun aandacht richten op twéé vragen:
1. Wat moeten we precies onder burgerlijke ongehoorzaamheid verstaan? Wat is daarvoor typerend?

En 2. Binnen wélke grenzen en onder wélke voorwaarden en omstandigheden is burgerlijke ongehoorzaamheid geoorloofd? Wat het eerste punt betreft wordt dan veelal betoogd, dat er dan sprake moet zijn van: - een handelwijze die, wanneer men uitgaat van het geschreven recht, toch duidelijk als illegaal moet worden aangemerkt; - dat die handelwijze zeer weloverwogen en openlijk wordt gekozen; - dat men daarbij voorts gewetensvol te werk gaat; niet lukraak handelt en methoden kiest; - dat er ook een bepaalde samenhang is tussen datgene wát men bekritiseert én de gekozen methode; - dat men ook van tevoren alle legale middelen geprobeerd heeft en dat hantering van die middelen geen effect heeft gesorteerd; - dat ook de rechten van anderen zoveel mogelijk worden gerespecteerd en tenslotte - veelal ook dat de actie, wat men dan noemt, geweldloos was, als zodanig was bedoeld en opgezet.

Geweldloos?
Het meest omstreden kenmerk is dan die geweldloosheid. Sommigen achten dit element wel noodzakelijk, wil men echt van burgerlijke ongehoorzaamheid kunnen spreken en niet bijvoorbeeld van terreur. Op die manier worden immers de verhoudingen minder vertroebeld? En blijft ook de mogelijkheid tot overleg open?
Anderen hebben er echter op gewezen, dat een geweldloze actie dan misschien wel "geweldloos" kan zijn, maar dat de facto ook een "geweldloos" handelen soms veel dieper kan ingrijpen dan wanneer wel geweld wordt gebruikt. Er is dunkt me nog een andere reden, waarom ik bij dit criterium een vraagteken zou willen zetten. Immers, bij veel acties, die men toch vaak, en zeker in de krant, als een bepaalde vorm van burgerlijke ongehoorzaamheid zal beschrijven, is er toch wel sprake van énige vorm van geweld. Bij een blokkade wordt toch metterdaad de vrije beweging van anderen onmogelijk gemaakt, bij het ontruimen van gekraakte panden en het verzet daartegen worden welhaast altijd gewelddadige vormen van verzet gebruikt en ook een groep die een stadhuis of een school bezet, houdt zich écht wel bezig met het uitoefenen van een bepaalde vorm van dwang en geweld. Als we dit criterium van geweldloosheid van de actie dus strikt zouden willen blijven hanteren, zouden vele van de hier bedoelde acties daar buiten vallen. En dat zou twee bezwaren hebben:

a. de krant schrijft er anders over; en in de praktijk nemen we het begrip ook ruimer.

b. bovendien krijg je allerlei misverstanden. Uitspraken als "die en die" vindt dat burgerlijke ongehoorzaamheid dan wel geoorloofd is, zouden veelal heel anders geïnterpreteerd kunnen worden dan de man of vrouw wellicht heeft bedoeld.

Vandaar dat het hanteren van dit criterium mij minder zinnig lijkt. Het lijkt me beter om, ook al worden bepaalde vormen van dwang, van geweld gebruikt, toch wel van burgerlijke ongehoorzaamheid te blijven spreken. Anders kan de betiteling van een bepaalde actie als burgerlijke ongehoorzaamheid de schijn oproepen van een rustig geweldloos handelen, terwijl de praktijk bepaald heel anders is (kan zijn).

Wanneer geoorloofd?
De tweede vraag, waar men specifiek aandacht aan besteedde, was, zo zagen we, binnen welke grénzen en onder welke omstandigheden en voorwaarden burgerlijke ongehoorzaamheid geoorloofd mag worden geacht. Een aantal van mogelijke criteria kwamen we al in de geciteerde definitie van Schuyt tegen. Sommige schrijvers trekken de grenzen daarbij ruimer, anderen daarentegen veel enger. Dé kardinale vraag blijft natuurlijk in hoeverre je als christen vanuit de Bijbel nu wel tot een goede beantwoording van die vraag kunt komen.
Zo kan men in dit verband vermelden, dat mr P. J. Boukema, lid van de Raad van State en oud-lid van de Eerste Kamer voor de toenmalige ARP, volgens een in Trouw verslagen discussie voor de gereformeerde raad samenlevingsvragen (GSA) het plegen van daden van burgerlijke ongehoorzaamheid niet gehéél afwees. Er was volgens hem in Nederland echter een rechtsorde, die collectieve overtredingen niet rechtvaardigt. Dat dan in tegenstelling tot landen als Zuid-Afrika, aldus het verslag in Trouw. Het democratisch bestel zou volgens hem weliswaar niet perfect zijn, maar het biedt toch waarborgen, dat de regering hier haar wil niet oplegt aan een meerderheid van ons volk. Verzet tegen invoering van kernenergie of tegen modernisering van kernwapens moet, zo stelde hij, via het parlement plaats vinden. Een nog veel gereserveerde opstelling werd nog niet zo lang geleden verdedigd in een voordracht voor de Evangelische Hogeschool door drs. A. A. E. Vermaat onder de titel Verzetsrecht. Na een uitvoerige analyse van een aantal bijbelse gegevens en van hetgeen o.a. Calvijn en Luther met betrekking tot het recht van verzet hebben geschreven, komt deze tot de conclusie, dat het enerzijds zo is, dat de bijbel ons niet oproept tot onvoorwaardelijke gehoorzaamheid jegens elke overheid. Hij noemt dan als criterium voor een eventueel individueel actief verzetsrecht o.a.:

- dat er geen andere middelen meer open staan; - dat het regime duidelijk apocalyptische trekken moet zijn gaan vertonen (massale deportaties, gaskamers e.d.);

- dat er sprake is van een aantasting niet alleen van de godsdienstvrijheid maar ook van alle vrijheid; het verplicht opleggen van een bepaalde cultus of ideologie;

- dat er sprake is van duidelijke tekenen van krankzinnigheid bij de hoogste gezagsdrager;

- en dat de machthebber in staat moet worden geacht over middelen te beschikken waarmee hij een grote oorlog kan ontketenen of bevorderen.

Waarbij Vermaat dan tevens opmerkt, dat dit slechts enkele, zij het wel de belangrijkste criteria zijn, die tot een zeer spaarzaam gebruik van het actieve individuele verzetsrecht zouden kunnen nopen.
Voor alle duidelijkheid zij hier nog eens benadrukt, dat hij het over het veel algemener verzetsrecht heeft en zich niet beperkt tot vormen van burgerlijke ongehoorzaamheid in een democratische samenleving. Men leze zijn artikel, dat ook in Bijbel en Wetenschap is verschenen, er op na.

(wordt vervolgd)

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief