De begrensde bevoegdheid

1982-04-02
  • Jaargang 26
  • nummer 13
Principe en praktijk
De discussies over het Voorontwerp van een wet gelijke behandeling zijn volop aan de gang. Soms laaien daarbij de emoties vrij hoog op. Met name het orthodoxe christelijke volksdeel voelt zich in zijn christelijke activiteiten belemmerd, indien dit Voorontwerp ongewijzigd tot wet zou worden. En daarmee ook in zijn door de grondwet gewaarborgde vrijheid. Terecht?
Om op deze vraag behoorlijk antwoord te geven is het wenselijk ons nader te bezinnen op de bevoegdheid van de Overheid. Doen we dit niet dan blijven we m.i. toch wat in de oppervlakte steken en zullen onze bezwaren de betrokken instanties minder aanspreken dan wel gewenst mag worden.

We belijden als Bijbelgelovige christenen dat de Overheid aan God en aan Zijn Christus onderworpen is. Want alleen de Here God is de absolute soeverein, aan Wie alles in de hemel en op de aarde onderworpen is en Hij heeft Christus alle macht gegeven. Hij is de Koning der koningen en de Heer van alle heren. Aan Zijn wet heeft ook de Overheid gehoorzaamheid te bewijzen en zij heeft die te erkennen als richtsnoer van al haar handelen.
Dat betekent intussen niet dat de Overheid haar onderdanen de wet Gods heeft op te leggen op dezelfde wijze als dat in de kerk gebeurt. Kerk en Staat zijn onderscheiden, daarom ook de 'regering' in beiden. Calvijn drukt dit zo uit: Hij "die tussen lichaam en ziel, tussen dit tegenwoordige vergankelijke en het toekomende eeuwige leven een onderscheid weet te maken, die zal ook gemakkelijk begrijpen, dat het geestelijk Rijk van Christus en de burgerlijke ordinantie zaken zijn, die zeer veel van elkander verschillen". Calvijn wil hier niet weten van onderlinge tegenstrijdigheid.
Maar handhaaft wel degelijk een onderscheid. Zonder zijn terminologie in alles voor onze rekening te nemen kunnen we toch wel zeggen dat hij op een belangrijke zaak wijst.
Door een eenvoudig voorbeeld kan ons dit duidelijk worden. In de kerk wordt ons de wet Gods verkondigd en ons voorgehouden dat wij niet zullen doodslaan. Maar bij de uiterlijke doodslag blijft de prediking niet staan. Zij gaat ook spreken over de bewegingen van het hart. Als God ons de doodslag verbiedt, leert Hij ons dat Hij de wortel van de doodslag als nijd, haat, toorn en wraakgierigheid haat en zulks alles voor een doodslag houdt, zo verkondigt de kerk in haar prediking het zesde gebod. En zij kán dat doen omdat zij het Evangelie verkondigt dat dat de harten aangrijpt en vernieuwt tot de gehoorzaamheid van het gel66f. Maar dat middel van de prediking bezit de Staat niet. Zij heeft zich daarom te beperken tot de uiterlijke zaken, tot wat Calvijn noemt de burgerlijke en uiterlijke rechtvaardigheid. Gezien de aard van de Overheid is haar bevoegdheid begrensd: zij regeert niet over de harten, zoals Christus in zijn Koninkrijk.

Daarom behoort het verlenen van vrijheid van godsdienst aan de kerk principieel tot de taak van de Overheid in de periode van het Nieuwe Testament. De dienst van God is voor alles een zaak van het hart en over de harten regeert de Overheid niet. Dat behoort niet tot haar taak.
Het is de grote fout van Constantijn de Grote, hoeveel goeds hij ook voor de kerk heeft gedaan, dat hij dat niet inzag. Tijdens een maaltijd met een groot aantal bisschoppen heeft hij de opmerking gemaakt dat ook hij een bisschop was. "Het enige verschil is dat u het ambt binnen de Kerk bekleedt, maar ik ben door God aangesteld als bisschop over de buitenkerkelijken". Naar dit gezegde heeft hij zich dan ook gedragen, later heeft hij zich zelfs als bisschop ook in de kerk beschouwd.
Zijn ideaal was: Eén (christelijke) Staat, één christelijke Kerk. Dat hebben wie hij en zijn opvolgers als ketters beschouwden, geweten! 1)
Gedurende een groot deel van de Middeleeuwen heeft de vermenging van Kerk en Staat een fatale rol gespeeld en tot veel strijd aanleiding gegeven. In de tijd van Karel V en Filips 11 heeft ook ons land daar onder geleden. Deze Habsburgers hebben met behulp zelfs van de inquisitie hun onderdanen het Roomse geloof met geweld gepoogd op te dringen of er bij te bewaren. Aan het Calvinisme komt de eer toe dat het de vrijheid van geweten heeft voorgestaan en staatsrechtelijk heeft vastgelegd. Toen de Staten in 1575 aan Prins Willem van Oranje de hoge Overheid opdroegen bepaalden ze dat hij niet zou toelaten dat men onderzoek zou doen naar iemands geloof of geweten of dat iemand ter oorzake daarvan enige bemoeienis, onrecht of letsel zal worden aangedaan. Wel waren ook zij kinderen van hun tijd en nog voor een deel bevangen in Oud -Testamentische theocratische ideeën.
Daarom lieten zij vrije uitoefening van een andere godsdienst dan de hunne niet toe, maar het zo juist genoemde beginsel van gewetens- en geloofsvrijheid betekende toch een grote stap in de goede richting en het begin van een doorbraak van Bijbelse gedachten: Christus' Koninkrijk is niet van deze wereld en mag niet met wereldse middelen worden doorgezet. Dat betekent voor de Overheid een beperking van haar bevoegdheid!
Zij heeft wel de kerk volle bewegingsvrijheid te geven voor het verrichten van haar door de Here opgedragen taak, maar mag die taak niet tot de hare rekenen. Zij heeft haar onderdanen niet in geestelijk opzicht te dwingen of te bevoogden: de harten onttrekken zich aan haar bevoegdheid. Dit impliceert godsdienstvrijheid, niet slechts voor wat de innerlijke overtuiging betreft, maar ook het zich dienovereenkomstig gedragen. Tegenover Rome bracht het Calvinisme inzake het eerste een enorme winst, ten aanzien van het tweede - het zich naar innerlijke godsdienstige overtuiging ook publiek mogen gedragen - heeft het in de 16e en 17e eeuw gefaald,") Dat moet toegegeven worden.
Maar ook, dat het daarmee inging tegen eigen duidelijk uitgesproken overtuiging. Want tegenover koningin Elizabeth van Engeland spraken de Calvinistische predikanten uit, - dat de consciëntie, zal zij vrij zijn, de openbare oefening (van de eredienst) niet mag derven'. Dit zeiden ze om te bewijzen dat vrede met Spanje onmogelijk was, ook al zou de Spanjaard de gereformeerden wellicht gewetensvrijheid kunnen toestaan, maar nooit vrijheid van eredienst! Hoe we hierover nu verder hebben te oordelen, het principiële uitgangspunt heeft in de loop der tijden gezegevierd over heel de linie en daar mogen we dankbaar voor zijn. Dankbaar ook hiervoor dat we leven in een staatsbestel, waarin de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging en het leven dienovereenkomstig, altijd binnen het raam van wat Calvijn noemde de burgerlijke, uiterlijke rechtvaardigheid bij de wet is gewaarborgd.
Dat betekent een begrensde bevoegdheid van de Overheid!

Een nieuwe praktijk?
Met het voorgaande is intussen niet gezegd dat het gemakkelijk is precies de grenzen van deze bevoegdheid aan te geven,") De Overheid heeft te zorgen voor een goede wetgeving
en allerlei ontwikkelingen in de maatschappij zijn er de oorzaak van dat deze wetgeving nooit tot rust komt. Altijd weer moeten nieuwe wetten voorzien in nieuwe omstandigheden om onrecht te voorkomen of ook tegen te gaan. Wetten, die zorgen voor een eerlijke Concurrentie, voor de bescherming van het milieu, warenwetten met het oog op de volksgezondheid, we weten er in onze tijd alles van. Nu betreft dit voor een deel min of meer technische aangelegenheden, waarover een behoorlijke eensgezindheid niet al te moeilijk te verkrijgen is.
Maar er zijn ook andere aangelegenheden, waarbij de zaken niet zo eenvoudig liggen. Tot hoever strekt zich 'de uiterlijke gerechtigheid' uit?
Hoe staat het in onze tijd met zijn snel veranderende opvattingen over de algemene zedelijkheid, de aantasting van de 'traditionele' seksuele opvattingen en andere soortgelijke verschijnselen?
Waar liggen in dit opzicht de grenzen van de overheidstaak en door welke overtuigingen heeft zij zich hierbij te laten leiden? Een moeilijke zaak, temeer daar we leven in een plurale maatschappij, waarin zich tegenovergestelde overtuigingen (willen) laten gelden. De Overheid heeft wetten uit te vaardigen, maar de wetten hebben zeker op deze terreinen een duidelijke geestelijke of morele achtergrond en zijn daarvan niet los te denken. Tussen het juridische en morele bestaat er nu eenmaal geen waterdichte scheiding, evenmin als tussen het morele en de al of niet godsdienstige levensovertuiging. Dat de Overheid op deze gebieden puur neutraal kan handelen is een fictie.
We mogen dan praktisch leven in een neutrale Staat in zoverre de Overheid niet kiest voor een bepaalde godsdienst of kerk, of zelfs zich niet door enige godsdienst wil laten leiden, werkelijke neutraliteit is uitgesloten: elk mens laat zich leiden door bepaalde overtuigingen van levensbeschouwelijke aard. Dat doet om maar iets te noemen een socialistische Overheid, evengoed als een liberale of een die tot stand is gekomen - in Nederland vroeger!
- door christelijke partijen.

Als ik me niet vergis is een kenmerk van onze tijd dat zich een sterke mate van idealisme laat gelden, ook wat de Overheidsbemoeiing betreft. Een bijna religieus getint idealisme met een sterk moreel aspect. Ik behoef alleen maar te verwijzen naar het vele spreken over de rechten van de mens om duidelijk te maken wat ik bedoel. Natuurlijk werd daar ook vroeger over gesproken. De tijd van de Franse revolutie en van de Amerikaanse vrijheidsoorlog zijn er om dat te bewijzen.
Maar in onze tijd is het aan de orde van de dag.
Daar is wel een verklaring voor. De Universele Verklaring van de rechten van de mens werd op 10 december 1948 door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties te Parijs geproclameerd als een reactie op de barbaarse handelingen van het Nationaal Socialisme voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog. De morele verontwaardiging was algemeen toen de door dit systeem bedreven gruwelen wereldbekendheid kregen na het winnen van de oorlog. Sindsdien is gewerkt aan een nadere uitwerking van de zo geheten rechten van de mens, gestuwd door wat we zouden kunnen noemen een herlevend humanisme, want van enige godsdienstige fundering is nergens sprake. Het tijdperk van Carter werd gekenmerkt door grote nadruk op de mensenrechten.
Zijn adviseur in de buitenlandse politiek, Brezinski voelde zich aangetrokken tot een denkschool, die in de Amerikaanse politieke wetenschappen wordt aangeduid met het begrip 'planetary humanism'.
De beste Nederlandse vertaling is waarschijnlijk 'wereldomvattend humanisme' of 'wereldommenselijkheid' schrijft A. Kamsteeg in zijn boekje 'Het nieuwe idealisme van Jimmy Carter', pag. 52. Carter zei in zijn inaugurele o.m.: Ons moreel gevoel dicteert ons duidelijke voorkeur voor die samenlevingen die een duurzame eerbied voor de mensenrechten met ons delen", pag. 25 (cursivering van mij, G.J.). In een van zijn verkiezingsredevoeringen zei Carter: "Als Amerika slaagt, is dat tevens een belofte voor de wereld" en hij spreekt dan van "een redelijke en menselijke visie", een "rational human outlook", pag. 50.

Hoe het nu verder precies met de opvattingen van Carter gestaan moge hebben, in het proclameren van de mensenrechten was een optimisme aan het woord van humanistische aard,") Er lag een humanistische levensopvatting achter. En het opmerkelijke is nu dat men deze mensenrechten heeft geprobeerd te handhaven via internationale richtlijnen en tracht in praktijk te brengen via nationale wetgeving, waarbij de humanistische achtergrond en de daardoor gevoede gedachten een steeds duidelijker rol gaan spelen. Daarvan legt naast de ontworpen wet zelf ook de tweede paragraaf van de Memorie van Toelichting op het Voorontwerp een duidelijk getuigenis af. Een hele serie van internationale richtlijnen en verdragen en ook reeds tot stand gekomen wetten, die alle betrekking hebben op de mensenrechten passeren hierin de revue. Zo wordt een wetgeving op touw gezet, die gevoed wordt vanuit een humanistische levensbeschouwing, sterk moreel getint. En die wetgeving wil de burgers doen leven in een bepaald kader, dat door deze humanistische achtergrond wordt bepaald. De 'theocratische' gedachtegang van Constantijn en zijn opvolgers wordt voor wat het niet strikt kerkelijke leven aangaat ingeruild voor een creatie van humanistische snit, maar tast evengoed het vrije leven der burgers aan. Was het anders in de periode van het oppermachtige Liberalisme in de vorige eeuw? De Staat blijkt altijd weer de grenzen tussen de rechten van de Kerk, de Staat en de Maatschappij in haar voordeel te willen verschuiven ten koste van de andere levensgebieden.
Dit grijpt te dieper in wanneer het een wetgeving betreft, waarin de vragen van godsdienstige en levensbeschouwelijke aard een naar verhouding sterkere rol spelen. Hier komt de vrijheid in de praktijk in geding. Dit is m.i. de kern van de zaak, waar het in dit Voorontwerp om gaat.
In een slotartikel hierover nog een nadere concretisering.

Noten
1) Zie Dr G. J. Aalders: De grote vergissing, pag. 114. Zie ook Prof. Dr I. A. Diepenhorst: De verhouding tusschen Kerk en Staat in Nederland, pag. 15.

2) Fruin zegt o.m.: Hoe langer hoe meer werd Roomsgezindheid en Spaansgezindheid één; het heil des lands scheen te vorderen dat men de kracht der Roomse Kerk, die voor Spanje misbruikt werd, verbrak", in Tien jaren uit de tachtigjarige oorlog 1588-1598. Prismauitgave, pag. 204.

3) Zie hierover het instructieve artikel van Dr J. J. Oostenbrink in Beweging '81, 45e jaargang, no. 4: Bezinning over de fundamentele rechten, vooral het slot: 5. Een vraag.

4) Zie mijn artikelen De Kerk en de rechten van de mens in Opbouw van januari '79, waarnaar ik verwijs ter rechtvaardiging van dit wel korte exposé.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief