Afscheid van een illusie?

1982-04-02
  • Jaargang 26
  • nummer 13
Zoals de lezers ongetwijfeld weten heeft de Arnhemse synode van de Vrijgmaakte Kerken een brief geschreven aan de e.k. Chr. Geref. Synode. Die brief was een antwoord op het aandringen van de Chr. Geref. Kerken om deputaten te benoemen met welke over de eenheid tussen beide kerkengroepen te spreken.
De Arnhemse synode is op dat verzoek niet ingegaan maar heeft een brief geconcipieerd die bestemd is voor de eerstkomende synode van de Christelijke Geref. Kerken. Er vallen bij het lezen over deze zaak een aantal dingen op. Vooreerst dat men de eenheid der kerken wil zoeken door middel van een brief, een correspondentie! Voorts dat deze brief bestemd is voor een synode die pas over een paar jaar wordt gehouden. Dan dat deze brief culmineert in een scherp requisitoir over de situatie binnen de Chr. Geref. Kerken. En wat het meest opvallende is: De bewuste brief werd na de sluiting van de Arnhemse synode gedrukt, zo publiek gemaakt en voor iedereen verkrijgbaar gesteld. Iedereen kan nu aan de weet komen hoe droevig het in die Chr. Geref. Kerken is gesteld.
Deze brief heeft heel wat pennen in beweging gebracht. Prof. Van 't Spijker heeft op broederlijke en men mag wel zeggen: pastorale wijze het zenden van zo'n brief gekritiseerd.
In een eerste reaktie kritiseert hij het zoeken van eenheid per brief. In het tweede gaat hij in op de inhoud daarvan. En nu in een derde deelt hij mee dat hij er niet meer over zal schrijven! uiteraard met de opgave waarom hij dat niet meer zal doen! Dat laatste artikel zal ik hier doorgeven. Hij zette erboven Afscheid van een illusie?
Hier is het:

Nog eenmaal wil ik iets schrijven over de brief van de generale synode van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt), die op zulk een merkwaardige wijze op grote schaal werd verspreid, dat zij bijkans de naam van Open Brief verdient. Nu hebben wij met Open Brieven weinig of geen ervaring.
En wat men ervan kan opmerken binnen de geschiedenis van de Geref. Kerken (vrijgemaakt) is bepaald niet zodanig dat het een aanbevelenswaardige methode lijkt om het kerkelijke leven gaande te houden. Misschien dat daarom ditmaal deze brief op ons een zeer vervreemdende uitwerking heeft gehad. Maar voor deze methode dragen wij geen verantwoordelijkheid en daarover wil ik verder ook niets meer zeggen.
Wat me wel van het hart moet, is dat het blijkbaar tot de verzenders van deze brief niet doorgedrongen is, dat zij op deze brief ook generlei reactie te verwachten hebben, zolang de synode van de Christelijke Gereformeerde Kerken nog niet is bijeengekomen. Hier en daar kon men lezen, dat ons het verwijt wordt gemaakt, dat wij ach en wee roepen over de methode, maar dat wij op de zaak niet ingaan: de zaak van de Schriftkritiek. Maar ook dit argument vermag ons niet te overtuigen.
Laten wij de zaak trachten te recapituleren.
Onze synode schreef een brief. Zij trachtte daarin, binnen het geheel van de op het moment aanwezige mogelijkheden een werkelijk gebaar te maken. Niet maar een loos gebaar.
Daarvoor was de bespreking ter vergadering te ernstig. In onze Acta (blz. 56) lezen we daarover: "In de bespreking wordt naar voren gebracht dat met dankbaarheid kan worden vastgesteld dat er bij deze kerken een besef is van wederzijdse verbondenheid in geloofsgemeenschap en zij onze kerken kennen als een gemeenschap die op de grondslag van Gods Woord en de gereformeerde belijdenis wil staan." Daarmee is, kerkelijk-confessioneel gesproken ontzaglijk veel gezegd: Wederzijdse verbondenheid in geloofsgemeenschap en erkenning dat wij op de grondslag van Gods Woord en de gereformeerde belijdenis willen staan. Om in de termen van prof. Kamphuis te spreken: Z6 hebben de Nederlandse Gereformeerde Kerken elkaar gevonden in 1571. Het is de enige deugdelijke grondslag om elkaar wezenlijk te ontmoeten.
Steeds sterker wordt bij ons de overtuiging, dat het ook de enige mogelijkheid biedt, om als kerken, niet maar in de privésfeer, maar als kerken van de Here Jezus Christus elkaar te ontmoeten, elkaar te zoeken, elkaar te helpen. En om goed duidelijk te maken dat het ons ernst was met de zaak, sprak de synode op voorstel van een der afgevaardigden uit, royaal en zonder terughouding, dat het gesprek, dat met de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) zou worden gezocht, niet maar een lief en aardig, maar in de grond nutteloos gesprek zou zijn, "dat dit gesprek geen zaak is van vrijblijvendheid maar behoort tot het betreden van de weg, die onder de zegen des Heren kan leiden tot de door de Gereformeerde Kerken en onze kerken begeerde kerkelijke eenheid."
Laat niemand denken dat deze woorden werden toegevoegd, omdat ze zo goed klinken. Het was uitdrukking van het feit, dat men in gehoorzaamheid deze weg wilde gaan. En wanneer men dus suggereert, dat wij maar een vrijblijvend koffiegesprek zouden willen, dan miskent men de ernst van wat de synode van onze kerken bedoelde.
Ik moet bekennen, dat het antwoord van de synode der Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt), per open brief aan het kerkvolk gericht voor mijzelf een stevige desillusie opleverde, die het mij moeilijk maakt, om in de reacties binnen onze kerken zuiver te blijven onderscheiden Die reacties waren vele en velerlei.' Instemmende reacties zijn mij niet bekend. Wel heel wat uitingen van wrevel en verbetenheid. Heel wat aan een verkeerde manier van zelfuitspraken, die mij deden denken bevestiging bij ons: zie je wel? Het is ook maar goed, dat ze zo geschreven hebben. Nu kan het iedereen duidelijk zijn, dat de vrijgemaakten werkelijk niet willen!
En het is maar goed ook, want het is zulk ander volk en het zou toch nooit iets worden. Wie alleen maar oppervlakkig denkt, zal misschien met veel van wat op deze toon gezegd wordt instemmen. Ik meen zó ook de nuchtere opmerking van prof. Douma in de Reformatie te mogen verstaan: de synode van
Arnhem heeft de moed gehad om de laatste dunne draad, die ons nog met de Chr. Gereformeerden verbond, door te knippen. Of woorden van gelijke strekking. Toch gaat deze nuchterheid mij te ver. Veel te ver zelfs. Indien onze synode ernstig meende, wat zij in haar zevende zitting van 30 sept. 1980 heeft uitgesproken en daarna heeft geschreven omtrent een onmogelijkheid tot vrijblijvendheid, vanuit de Schrift en de Confessie, dan kan die uitspraak zó maar niet van tafel worden geveegd, zelfs niet door een Open Brief van de Geref. Kerken (vrijgemaakt).
Maar nu ga ik al reeds te ver. Nu spreek ik reeds over wat de synode van 1983, indien deze tenminste gehouden zal worden en wij dan nog leven, zal moeten uitspreken, .geheel zelfstandig oordelende over het antwoord van onze vrijgemaakte broeders. Het kan hun immers niet ontgaan, dat de kerkrechtelijke verschillen, zo die er al zijn tussen hen en ons, niet van die aard zijn, dat zij zulk een meer dan eigengereide en superhiërarchische handelwijze zouden mogelijk maken.
Men mag toch bij onze broeders wel zo veel kennis van het gereformeerde kerkrecht veronderstellen, dat zij zich enigszins kunnen voorstellen wat bij ons een synode is. Het is een vergadering die wordt samengesteld uit afgevaardigden die wettig zijn gedeputeerd. Ik weet dat er onder ons over de synode en haar gezag verschillend wordt gedacht.
Maar als het er op aankomt is een synode altijd nog een synode. En stel het geval, dat zo maar een willekeurig persoon, al zou hij geacht worden te behoren tot de leidinggevende figuren (wat dat ook maar voor figuren zijn) op eigen houtje een antwoord zou concipiëren en dat te laten doorgaan voor het antwoord van de kerken in synodale vergadering bijeen, stel je voor, dat zoiets zou gebeuren, dan meen ik dat de echte synode het recht zou kunnen nemen, om die broeder bij wijze van correctie als volslagen onbekwaam naar zijn tuintje te sturen. Nee, zo gaat het bij ons niet op een synode. Maar dat mocht toch bekend zijn? En dat zou dus niet uitvoerig betoogd moeten worden, alsof onze vrijgemaakte broeders niet eens wisten wat een kerkelijke vergadering is? Nu dan, laat men ophouden met te doen, alsof er iemand in onze kerken zou zijn, die op dit moment bij machte is een antwoord te geven op een brief die geschreven is aan een lichaam dat in het jaar onzes Heren 1983 zal vergaderen indien de Here wil en wij leven. Maar dit betekent niet, dat wij mogen aannemen, dat inderdaad de synode van Arnhem de moed heeft gehad om het laatste dunne draadje dat er nog bestond tussen hen en ons door te snijden.
Hierboven schreef ik: Afscheid van een illusie? Het vraagteken moet blijven staan om meer dan één reden. De voornaamste reden lijkt mij op dit moment datgene, wat naar Schrift en belijdenis in de Acte van Afscheiding staat: "en verklaren tevens gemeenschap te willen uitoefenen met alle ware Gereformeerde ledematen, en zich te willen verenigen met elke op Gods onfeilbaar Woord gegronde vergadering, aan wat plaatse God dezelve ook vereenigd heeft." En wat in overeenstemming daarmee geschreven staat in de Toespraak en Uitnodiging aan de Geloovigen en ware Gereformeerden in Nederland "Die allen reiken wij met dezen de broederhand en vragen door dezen de hunne, met de bede dat de Almachtige God, de eenige en Drie-enige verbonds God van zijn volk, zijn Geest over al zijn volk moge uitstorten, opdat zij uitoefenende het ambt van alle geloovigen, het zout der aarde mogen zijn, als lichten op eenen kandelaar en als steden op bergen".
Ja zeker, in dát isolement ligt onze kracht: wij reiken de hand aan elke op Gods Woord gegronde vergadering, en: die allen reiken wij de broederhand. Misschien moeten we van een illusie afscheid nemen. De synode zal dit leren. Maar van déze roeping mogen we ons nimmer vervreemden, zal het beginsel van de Afscheiding niet ontaarden in puur separatisme en isolementszucht. Dit geldt ons. Het geldt evenzeer onze vrijgemaakte broeders.

En nu wordt er, zo hebben we afgesproken, in ieder geval de eerste twee jaar geen woord meer over die brief aan onze synode geschreven. Het moge duidelijk zijn waarom.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief