De begrensde bevoegdheid van de Overheid

1982-04-09
  • Jaargang 26
  • nummer 14
Het humanistische persoonlijkheidsideaal
Het opkomen voor de rechten van de mens, zoals we dat in onze naoorlogse tijd in versterkte mate beleven en waarover in het vorige artikel in deze rubriek het een en ander werd gezegd, heeft op zichzelf ontegenzeggelijk veel goeds en is gezien de grote nood van velen in deze wereld en veel onderdrukking beslist toe te juichen. Wie zal dit durven ontkennen? Zeker een belijdend christen niet! Reeds meer dan een eeuw geleden schreef Groen van Prinsterer in zijn vermaard geworden Handboek der Geschiedenis van het Vaderland: "In de christelijke liefde ligt ware humaniteit; erkenning der rechten van den mensen, ook van 'den geringste zonder onderscheid van ras of kleur of afkomst of stand" en naast andere dingen noemt hij in dit verband ook "het streven ter verzekering aan allen van een genoegzaam bestaan".
Maar losgemaakt van het geloof en worstelend in een humanistische visie komen de moeilijkheden.
Want deze humanistische visie moeten we niet vereenzelvigen met de idee van ware humaniteit, zoals Groen daarover spreekt. Het humanisme zet de mens op de troon, gaat uit van zijn autonomie, zijn 'eigenwettelijkheid' . Hij vindt de wetten voor zij bestaan in zichzelf en heeft rechten daarna te leven. Dit krijgt zeker in onze tijd een nadere toespitsing in het ideaal van de menselijke persoonlijkheid, die recht heeft op zelfontplooiing. Het eerste wat hierbij opvalt is dat dit ideaal een abstractie is. Want de mens in zijn algemeenheid bestaat niet. We hebben in de concrete werkelijkheid te doen met mannen en vrouwen, door God geschapen elk met een eigen geaardheid en aanleg. En God schiep de mens naar zijn beeld; naar Gods beeld schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij hen, lezen we in het machtige scheppingsverhaal van Gen. 1. De twee woorden, die hier in het Hebreeuws gebruikt worden, dienen bepaaldelijk om het geslacht aan te duiden, het zijn niet de gewone woorden voor "man" en "vrouw". Daarom vertaalden we: "mannelijk en vrouwelijk", schrijft Aalders in de Korte Verklaring op Genesis. De reden, dat anders dan bij het verhaal van de schepping der dieren dit geslachtelijk onderscheid nadrukkelijk genoemd wordt, zal hierin gelegen zijn, zegt Aalders, dat de tweeheid der geslachten bij de mens in een geheel eigen vorm haar uitwerking vindt, namelijk in het heilige huwelijk.

Maar het humanistische ideaal van de menselijke persoonlijkheid is abstract, algemeen, verwaarloost dit geslachtelijke onderscheid in zijn abstracte conceptie. Het ideaal van de zelfontplooiing wordt daardoor krachtens zijn eigenlijke aard verhinderd genoegzaam rekening te houden met de door God gestelde ordeningen, waarbinnen slechts van een werkelijke ontplooiing der van God gegeven aanleg en mogelijkheden sprake kan zijn: de ordening van het man zijn en vrouw zijn met alles, wat daaruit voortvloeit. Het abstracte ideaal van de menselijke persoonlijkheid werkt nivellerend en heeft geen oog voor het specifieke, dat in het als mens toch altijd mannelijk- of vrouwelijk-zijn, ligt opgesloten. De huidige emancipatiebeweging legt daarvan m.i. overvloedig getuigenis af. De vrouwen begeren zoveel mogelijk in beroep en werk, in plaats en positie aan de mannen gelijk te zijn. De principiële gelijkwaardigheid - beide geschapen naar het beeld van God - wordt gemaakt tot gelijkheid. Dat het huwelijk hierbij in gedrang komt, evenals het gezin, vloeit voort uit het drijvend beginsel: deze humanistische conceptie is in haar abstractie atomistisch en individualistisch van aard! En alle individualisme staat nu eenmaal op gespannen voet met de echte gemeenschapsgedachte.
In het raam van deze gedachten gang valt het niet te verwonderen dat tegen de vrije beleving van de homofilie en tegen het 'samenwonen' onvoldoende verweer is, ja, dat beiden volkomen acceptabel worden geacht, zo al niet toegejuicht.

Uit de Memorie van toelichting, die gegeven werd bij het Voorontwerp, van een wet gelijke behandeling, blijkt duidelijk dat de Overheid niet slechts rekening houdt met 'het emancipatieproces' maar er als zodanig mee ingenomen is en het meent te moeten bevorderen.
Dat houdt natuurlijk niet in dat zij alles wat hierbij wordt gezegd en
gedreven, voor haar rekening neemt, maar het proces als zodanig heeft haar instemming en steun. Zij stelt voor - ik noem maar een enkel ding - een commissie te creëren met een onafhankelijke positie met de mogelijkheid tot een actief optreden.
"Hierdoor zal het mogelijk zijn dat de commissie optreedt als een motor in het emancipatieproces" .
Zij laat zich in het Voorontwerp leiden door de opvatting bij "velen", pag. 46 en door de maatschappelijke ontwikkeling in de praktijk van het dagelijkse leven. Het gaat hier met name over het verbod onderscheid te maken op grond van huwelijkse staat, pag. 46.

De vraag komt hierbij op of de Overheid het oor niet al te zeer te luisteren heeft gelegd bij wat in progressieve kringen op luide toon wordt verkondigd, veelal met behulp van subsidies van C.R.M. en of zij in haar rekening houden met "de maatschappelijke ontwikkeling" 1) wel voldoende de vraag onder ogen heeft gezien of deze ontwikkeling genoegzame continuïteit zal blijken te bezitten. Er is namelijk nogal wat schommeling in de ideeën en opvattingen, die een bepaalde maatschappelijke ontwikkeling ten gevolge hebben!
We hebben de periode gehad van de 'algemene humaniteit'. Zij ligt nog niet zolang achter ons. We moesten lief zijn voor elkaar, zorg dragen voor de misdeelden en gehandicapten, de ouderen in de samenleving enz. Het was de tijd van geweldige acties en geldinzamelingen.
Er werd gul gegeven. Hoe staat het nu? Over de resultaten van het Jaar voor de Gehandicapten wordt nogal geklaagd. Het heeft heel wat teleurstelling gebracht. In de laatste weken van de zeventiger jaren bracht de Haagse Post een dubbelnummer uit, dat bedoelde een overzicht te geven over deze jaren vanuit één zich sterk opdringend gezichtspunt. Dit overzicht laat de doorwerking van het humanistische ideaal van de menselijke persoonlijkheid in een geheel àndere richting zien. Het verscheen onder de titel: "Het Ik-Tijdperk, later ook in boekvorm. Het is met bekwame hand geschreven door John Jansen van Galen. De titel typeert de ontwikkeling in de zeventiger jaren. Het op één na laatste hoofdstuk draagt als opschrift: "De nieuwe hardheid". Daarin wordt gehandeld over de zogenaamde assertiviteit, waaraan door de AVRO een serie televisie-uitzendingen werd gewijd, om deze nieuwe leer aan de man te brengen, in elk geval er bekendheid aan te geven. Deze leer bevat de nieuwe ethiek van het "kom op voor je zelf" en wordt gefundeerd in de – humanistische opvatting van de autonomie van de mensen. De hechte gemeenschappen van vroeger zijn weggevallen, nu moet ieder maar voor zichzelf uitmaken welke sociale contacten hij wil aangaan, maar daarbij moet het "kom op voor je zelf" wel als leiddraad dienen. Dit is dan - nog maar - iets van de resultaten van het opereren met de idee van de menselijke persoonlijkheid die zich moet kunnen ontplooien. Over de ideologie der zelfontplooiing gaat het in het laatste hoofdstuk van het genoemde boek.
Ik geef er iets uit weer. De psycholoog professor H. C. J. Duijker heeft op deze ideologie een "frontale aanval" gedaan en ondermeer gezegd dat deze ideologie haar beoordelingsmaatstaven niet ontleent aan een beschrijvende wetenschap, zoals de psychologie of de sociologie, "maar aan een heilsleer", pag.
157. Een heilsleer waarvan de grondlegger A. H. Maaslow geschreven heeft: "Wat is volgens dit concept goed? Alles wat leidt tot de wenselijke ontwikkeling in de richting van verwerkelijking van de innerlijke natuur van de mens. Wat is slecht of abnormaal? Alles wat de wezenlijke natuur van de mens frustreert, blokkeert of ontkent".
Dat valt niet mis te verstaan, aldus de criticus: de mens is van nature goed, en goed is wat met de menselijke natuur strookt, pag. 157. Een heilsleer inderdaad, die uitgaat van de goede en autonome mens.
In de zeventiger jaren werd het humanistische uitgangspunt van de waarde van de menselijke persoonlijkheid uitgewerkt in de richting van de gelijkberechtiging in het vage: lief zijn voor de ànder. Ds. De Jong heeft daarover rake opmerkingen gemaakt in ons blad van 26 februari j.l. De gemeenschap zelf verdween uit het gezichtsveld.
Het humanistische ideaal van de menselijke persoonlijkheid is nu eenmaal atomistisch en individualistisch van aard. In de zeventiger jaren kwam de reactie en werd het gericht op het IK. Kom op voor jezelf; naar de kritische typering van Hedy d'Ancona: zorgen dat je zelf zo goed mogelijk zit, ikke, ikke, ikke en de rest kan stikken, pag. 150. Ik citeer de slotzin van het genoemde boek nu: "Het gevaar dat in dit decennium begon te dreigen, is het best onder woorden gebracht door de feministe Joke Smit, toen ze de vraag stelde: Als iedereen voor zichzelf opkomt, wie komt er dan voor ons allen op?" Duidelijker kan niet gezegd worden hoe het humanistische uitgangspunt zich in onverzoenlijke tegenspraak bevindt met de gedachte van de gemeenschap, die voor het bestaan van de Overheid zelf onontbeerlijk is! Ja, die 'maatschappelijke ontwikkeling', die bij de totstandkoming van dit Voorontwerp zulk een belangrijke rol heeft gespeeld en die opvatting van 'velen', terwijl het humanistischeuitgangspunt dan naar deze dan naar die richting drijft, tot in de vorm van een heilsleer toe. En waar blijft de constante, die voor een wetgeving toch van het hoogste belang is?
In zulk een situatie heeft de Overheid zich wel dubbel terughoudend op te stellen in een wetgeving, die met de morele aspecten een zo'n directe samenhang vertoont. Zij moet zich er voor hoeden de vrijheid der burgers in te perken door hen in een harnas te rijgen vanuit een bepaalde levensbeschouwelijke visie, die door de naden duidelijk heen gluurt. Ze zou daarmee ook als Overheid een christelijke visie concurrentie - zo niet erger - aandoen, die wel eens dieper in zeker nog brede lagen van ons volk zou kunnen wortelen dan het rumoer van bepaalde progressieve groepen en de media zou kunnen doen vermoeden.
In de situatie, waarin wij als 'Bijbelgetrouwe' christenen leven, een situatie van een toenemende ontkerstening, een situatie ook, waarin de Overheid steeds dieper ingrijpt in heel het maatschappelijk leven en dat soms noodgedwongen, dienen wij met kracht op het genoemde terrein op te komen voor de vrijheid der burgers in geestelijk opzicht. Dat is de vrijheid om hun geloof niet alleen te belijden, maar ook daadwerkelijk hun belijdenis te beléven, altijd binnen het raam van de grondwet en overeenkomstig de grondwet. Veel meer kunnen we in de praktijk niet doen, noch voor de praktijk van de Overheid eisen. Haar bevoegdheid heeft grenzen, ook in zaken van godsdienst en zeden". We moeten geen Overheid hebben die op de wijze van Constantijn de Grote en zijn opvolgers fungeert als een bisschop, maar nu dan een in moderne, humanistische zin. Waarom komen nu de christenen opeens in actie? zo is wat smalend gevraagd. Ik denk dat we in politiek opzicht te lang wat hebben geslapen en nu plotseling ruw worden wakker geschud. Moge dat ook voor het vervolg heilzaam werken.

Noot
1) Rekening houden met - is meermalen onontkoombaar en gewenst. We lezen daarvan ook in Matthh. 19: 8. Maar dit 'rekening houden met' dient wel te worden onderscheiden van - kritiekloosvolgen en aanpassen, De Overheid blijft een eigen verantwoordelijkheid houden tegenover God èn de gemeenschap, zie verder op.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief