De meest bekende farao
1982-04-09
Aan het slot van onze reeks artikelen over Egypte 1) hebben we vorig jaar terloops de snoeverij van farao Merenptah genoemd: die een forse overwinning op Israël vermeldde, vermoedelijk in het jaar van de doortocht door de Rode Zee. En dat laatste was een gebeurtenis, waar geen enkele farao op kon snoeven.- Jaargang 26
- nummer 14
Welnu, er zou meer over verteld kunnen worden. En omdat dit onderwerp u waarschijnlijk interesseert - mede omdat de laatste tijd meer nieuws over Egypte's oudheid naar voren komt - vragen wij nogmaals uw aandacht voor dit oude land, dat zo met Israëls geschiedenis verweven is.
Merenptah's vader was de grote vechtjas geweest, Ramses 1I, die 67 jaar regeerde en, als later koning David, vele volkeren aan zich schatplichtig maakte. Dat bracht grote welvaart aan Egypte en grote weelde aan het hof. Maar grote vaders hebben zelden grote zonen; dikwijls maken kinderen alle levenswinst van hun ouders op. Zo ook Merenptah, een zwakke figuur.
Had zijn vader nog door de kinderen Israëls zijn residentie “Ramses" 1) laten bouwen - vesting aan de zwakke Noordoostelijke invalshoek van het rijk - met Merenptah was te praten, te onderhandelen: hij gaf aan de eisen van Mozes toe, kwam op zijn woord terug, gaf opnieuw toe en had daar opnieuw spijt van. En geen grillig despotisme als uiting van autoritair geweld - maar weifelend beleid, zigzaggend door de lawine van ervaringen, dreigingen en plagen. Zo kon het volk Israël tenslotte met gejuich uit Egypte trekken, beladen onder de schatten, waarvan ze het land beroofd hadden en zich voorlopig aan de hoede van Mozes overgevend. En zo kon Farao Merenptah ze even later tandenknarsend van spijt weer najagen.
Wanneer was dat eigenlijk? De jaartellingen voor Christus' geboorte zijn uiteenlopend. Later is dat eenvoudiger geworden en heel de wereld, christelijk, onchristelijk of postchristelijk, dateert de geschiedenis (min of meer) nauwkeurig naar de jaartelling der christelijke oudheid. Maar vóór Christus lag dat moeilijker: men dateerde naar koningsjaren en die jaartelling werd nog al eens om politieke redenen vervalst; correcties aan de hand van gelijktijdige koningen moeten dan de orde herstellen: Zo is Egypte's oudheid altijd een bron van (ver)gissingen geweest: zelfs een gezaghebbende encyclopedie 3) geeft voor de oudste dynastieën jaartallen, die 150 jaar speling toelaten.
Voor farao Merenptah's dynastie geeft W.P. de jaren 1314-1200 of ook 1306-1186 aan. Daar zitten maar 8-14 jaren speling in, een kniesoor die daar op let. De Willibrordusbijbel geeft voor Merenptah de jaren 1234-1225 en dat ligt wel binnen de grenzen van de dynastie. Een recent boek ') zet de farao van de uittocht op 1231-1222; dat laatste scheelt maar 3 jaren met de Willibrordusbijbel en daar kunnen we vrij nauwkeurig van uitgaan.
Een andere gids 6) dateert Merenptah's snoeverij op 1220, de W.-bijbel op 1229.
In Caïro's museum hebben wij inderdaad de granieten gedenksteen gezien, waarop Merenptah zijn verwaande lofzang liet beitelen. Het is geen "zuil", zoals de W.-bijbel zegt - maar een staande platte steen, een zogenaamde stèle. Het belangrijkste van deze staande steen is niet zijn zangerige snoeverij - maar de naam van Israël, die hier voor het eerst in de geschiedenis genoemd wordt. Luister naar het gedicht:
De vorsten zijn onderworpen en smeken om vrede,
geen der overwonnenen steekt nog zijn hoofd op.
Verwoest is Lybië,
tot rust gebracht het Hittietenland,
geplunderd Kanaän met alle boosdoeners.
Weggevoerd is Asikelon, Gezer gevangen, Jenoam vernield.
Israël is verwoest, zijn zaad is niet meer.
Filistea is een weduwe geworden voor Egypte.
Allen tesamen zijn in vrede.
Iedere zwerver is geboeid.
Benire, de door Amon beminde, zoon van Re, Merenptah,
aan wie leven geschonken wordt als Re, iedere dag.
Waar zelfs vader Ramses II vermeldde dat hij de Hittieten verslagen en een eervolle vrede met hen gesloten had (vermoedelijk een kleine vergissing, want volgens andere bronnen was het een vrij eerloze vrede) daar deed zoonlief niet voor hem onder. Ook hij had de Hittieten tot rust gemaand, Filistea tot weduwe gemaakt, Israël verwoest... als u hem wilt geloven.
De werkelijkheid is deze: dat Israël onder farao Merenptah's regering door Gods verheven rechterhand uit de slavernij is uitgeleid; dat Israël na eeuwen van slavernij op weg was naar het beloofde land; en dat het enige militaire treffen, tussen farao's troepen en Israëls stammen, aan de Rode Zee moet zijn geweest; dat Israël daar droogvoets is doorgetrokken - maar dat farao's troepen totaal zijn vernietigd door het inmiddels teruggekeerde water. Vóór deze datum verkeerde Israël als slavenvolk in Egypte. Na deze datum trok het volk nog 40 jaar door de woestijn, voor het in het beloofde land kwam - en toen was farao Merenptah allang tot mummie verheven.
Het gebed uit ons doopsformulier spreekt van "Farao en al zijn volk", dat in de Rode Zee verdronken zou zijn. Dat is dichterlijk gezegd, niet geschiedkundig.
"Al zijn volk" is niet verdronken; de Egyptenaars hebben rustig of onrustig doorgeleefd, zonder de 1000 tot 2000 verdronken soldaten, maar mèt farao Merenptah. Wel zegt de Bijbel 6) (en lees dat nu eens door als u wijs wilt zijn), dat "al de wagens van Egypte", zeshonderd stuks, en "volledig bemand", dat is met twee of drie man per wagen, en bespannen (dat is met 2-3 paarden elk) zijn verloren gegaan: met man en paard. Maar dat is niet met farao Merenptah het geval, al noemt het doopsformulier ook hem naïef bij de omgekomenen. Trouwens "al de wagens van Egypte" waren veel meer dan 600; deze waren "uitgelezen wagens", eerste soort.
Hoe kunnen we dat zo zeggen?
Bij ons weten zegt de Bijbel nergens, dat farao zelf is omgekomen. 7) Zijn betrokken troepen zijn volledig omgekomen en zijn paarden kwamen om en hij verloor 600 van zijn beste wagens - maar hijzelf wordt noch in het verhaal van Exodus 14, noch in Mozes' lied in Ex. 15 genoemd. Dat is ook logisch. De opstellers van het doopsformulier gingen blijkbaar uit van de latere strijd-opstelling, waarbij de leiders voorop gingen, voorbeelden van moed en beleid leverden. Maar toen generaal Horemheb hiermee begon waren zijn officieren vertwijfeld: die wisten veel te goed dat generaals en staf-officieren op veilige afstand achter de linies bleven. Ook David was een vechtjas als Horemheb; hij zou wel zo het gevecht willen ingaan - maar zijn officieren weerhielden hem met rede. 8)
Bovendien leefde Merenptah verder: om zijn volk een verslag van zijn veldtocht te leveren en om zijn leugenachtig verhaal in graniet te doen beitelen. Ook om zijn volk er van te weerhouden, een nieuwe achtervolging tegen Israël in te stellen. Daartoe werd zijn gedicht verrijkt met overwinningen op de Lybiërs, de Hittieten, de Kanaänieten, de Filistijnen, een handvol, die Merenptah op zijn fatale tocht heel niet gezien heeft. En hebben de achtergebleven familieleden nooit naar de terugkomst van hun flinke soldaten gevraagd? Och, in die tijd kon rustig gesnoefd worden: ze kregen zo veel liefjes per man, dat ze voorlopig geen tijd hebben naar huis te komen. 9)
Er is nog een bewijs, dat farao zelf de ramp aan de Schelfzee heeft overleefd. Zijn graf is namelijk gevonden en zijn mummie bestaat tot op de huidige dag. U kunt zijn foto zien 10) maar de farao's zelf worden in Caïro niet meer ten toon gesteld.
Die mummie had bij de vondst iets eigenaardigs: er zal een wit zoutaanslag op, hetgeen wel is opgevat als bewijs, dat hij in de Rode Zee verdronken zou zijn. Het zout sloeg er nog uit - kon je zien hoe hij aan zijn eind was gekomen.
Nu daargelaten of de Rode Zee, of Schelfzee, of Golf van Akaba op het Noordelijke smalle eind zout water bevat(te) - dat "bewijs" kunnen we beter vergeten. De bewerking van een dode, dat was tussen sterven en bijzetten, duurde in Egypte 70 dagen van rituele handelingen. De voornaamste behandeling was een langdurig natronbad, dat alle organische delen loogde. Vermoedelijk is bij Merenptah de spoeling na afloop onvoldoende geweest en sloeg het natronloog uit; maar van zeezout is geen sprake.
Vandaag worden mummies erg nauwkeurig onderzocht. Men kan vaststellen welke ziekten een persoon heeft gehad, welke ongevallen hij te boven kwam, hoe zijn voeding was, van welke kwaliteit zijn balsemers zijn geweest, in welke staat zijn gebit verkeerde, zelfs of iemand mank of links was geweest; ja, zelfs zijn er vingerafdrukken genomen en werd van een jong meisje vastgesteld, dat ze nooit op blote voeten had gelopen. Röntgenfoto's en de carbontest lossen de laatste geheimen op. Er is niets bedekt, dat niet eenmaal ontdekt wordt. Farao Merenptah had een botte kop en slechte tanden.
Noten
1) Opbouw 26-8-'8.
2) Ex. 1 : 11.
3) WiinklerP rins, ed. 1977/
4) Tadema Sporry "Egyptische mummies", 1981.
5) v. Loggem en V.d. Ven "Gids voor Egypte", ed. 1980.
6) Exodus 14.
7) Graag aanbevolen voor correctie eventueel.
8) 2 Sam. 18 : 2.
9) Rich. 5 : 30
10) pag. 109 van "Eg. Mummies".