Herdrukken van Geert Boogaard
1982-04-09
Uitgeverij Callenbach stuurde mij drie herdrukte bundels van Geert Bogaard toe: Tijd en Teken; Met dank aan de Joden; en Brood en Wijn.- Jaargang 26
- nummer 14
Terecht is in Opbouw wel vaker over het werk van Boogaard geschreven en ik ben blij met deze nieuwe drukken: zij bewijzen dat zijn gedichten gelezen worden. Ik geloof dat het niet juist is herdrukken erg uitvoerig te bespreken; drie bundels tegelijk is trouwens ook wel wat veel en dus komt het mij wel goed uit dat ik mij kan beperken. Vorige drukken bezit ik niet, zodat ik geen vergelijking kan maken, ook al staat er bij "Met dank aan de Joden" dat dit een derde, geheel herziene druk is.
"Brood en wijn" is voor het eerst verschenen in 1975 en dit is nu de vijfde druk. Een felicitatie waard!
Als motto heeft Boogaard aan deze bundel meegegeven twee regels uit gezang 119 van het Liedboek voor de kerken:
"Wij zullen altoos van Uw
heil gewagen
in brood en wijn, totdat Gij
wederkomt."
Er staan gedichten in die mij ontroerd hebben. Waarom zal ik dat niet eerlijk zeggen? Een boekbespreking mag toch een persoonlijk karakter dragen? Boogaard schrijft over het vele leed van de mensen die hij kent, het kleine èn het onpeilbaar diepe verdriet, de angstkreten van de gemartelden, de vernederingen die een mens soms moet ondergaan, de afbraak van het lichaam, de onontkoombare dood, en dan klinken de woorden uit de Apocalyps van Johannes: Heer, hoe lang nog? Wát wij ook door moeten maken, wát wij ook om ons heen zien, hóe zeer wij ook tekort schieten: er is een toekomst! Ik weet eigenlijk niet wat ik allemaal citeren zal, ik kies maar iets dat mij het meest aanspreekt:
Geen noodlot is
onze God,
geen idee,
geen systeem,
geen man die het allemaal
uitstippelt,
nee, gelukkig
niet.
Er zijn dingen die niet
(ik predik),
die nooit
(geloof me)
uit de handen komen
van God onze
Vader.
Maar dat al
wat er gebeurt
en zijn tranen heeft,
wacht,
op Hem,
tótdat,
dat is waar.
Zo is dat! Dat is wat anders dan Maarten 't Hart in "Een vlucht regenwulpen": "Plotseling weet ik zeker, ja met die onwrikbare zekerheid waarover Calvinisten altijd praten, dat het christendom bedrog is, ja dat het hele leven een laaghartige leugen is en dat ergens ver weg in het heelal nu god satanisch lacht om mijn verdriet, de god van zondag tien die met vaderlijke hand mijn moeder een krankheid heeft doen toekomen, een voorsmaak van het lijden in de hel." Met Geer Boogaard kunnen we zeggen: Nee.
Dat God de verwekker is
van polio,
tuberculose,
carcinoom
oorzaak van
ongeluk:
een dijk die
doorbreekt,
een oorlog die
uitbreekt,
een jonge moeder
die sterft
en een kind dat
verdrinkt,
nooit zal ik zeggen:
dát geloof ik.
Zelfs niet, als het in zondag tien van de Heidelbergse catechismus zou staan! Wie zulke dingen in die catechismus leest, en die alléén leest, heeft geen idee van menselijke schuld en van goddelijke liefde.
"Tijd en teken" is in een zesde druk verschenen. Ook hierin staan weer gedichten die getuigen van geloof. Ook van moeite, van worsteling, maar toch telkens weer: van uitzicht.
Er is een toekomst! Boogaard is predikant, en ook als zodanig kent hij zijn problemen. Ik denk, nee, ik weet eigenlijk wel zeker dat sommige van onze broeders, herders en leraren, het volgende zullen herkennen:
Eenzaamheden
Eenzaamheden zijn er
die niet te vertalen zijn
zij zijn het wegblijven van de
kinderen Gods
als het graf open is
op zondagmorgen.
Ik lig in zondagavonden
als een verlatene
namen van afwezigen dwalen
door mijn hoofd
als ik inslaap komen er kerkstoelen
in mijn droom staan
lege stoelen waarop nog mensen
zaten
in negentien acht
het jaar waarin mijn moeder mij
liet dopen.
de droom verschuift
gelijk een beeld dat doet
op een filmdoek
er staan duizend televisiemasten
aan de horizon
er is geen ruimte meer tussen
voor een kruis.
Ondanks dát, ondanks zulk verdriet, kent Boogaard de vreugde van de zondag. Hij prijst de kracht van de liturgie:
Wij zullen gelukkig zijn
in de liturgie
levend
gelovend
liefhebbend
wachtend.
Wij zullen weldra staan
in de stilten
van Zijn dag
Geprezen zij God die
de tijd geschapen heeft
en daarin het uur op zondagmorgen
tussen tien en elf
in mijn oude kerk.
Al mijn begeerten
gaan daarnaar uit.
Wat is de kerk te betreuren waar de functie van de liturgie onderschat wordt en waar de mensen niet meer komen om het féést te vieren, het feest van de verlossing en van de opstanding! Maar laat ik mij maar niet te veel overgeven aan zulke ontboezemingen, het is de vraag of de lezers van Opbouw daarop zitten te wachten.
De bundel "Brood en wijn" vind ik méér inhoud hebben dan "Tijd en teken". Ik heb me trouwens ook afgevraagd in hoeverre die titels functioneel zijn; tot mijn spijt kan ik geen goed antwoord vinden. Van een zekere lijn in de bundels is weinig sprake, ze zijn kennelijk in bepaalde periodes geschreven zonder dat de dichter gestreefd heeft naar een eigen thematiek voor elk deeltje.
Dat geldt ook voor: "Met dank aan de Joden". Er staan wel enkele gedichten in die betrekking hebben op het oude volk, maar ze bepalen niet het wezen van deze bundel. Is dit nu literatuur? Och, ik heb het al eens eerder geschreven: Boogaard is geen Nijhoff, geen Achterberg en geen De Mérode. Boogaard is Boogaard, en hij schrijft op zijn manier.
Hij slaagt er soms in gedachten, zinvolle gedachten, op eenvoudige en duidelijke wijze weer te geven. Dat zijn gedichten herdrukt zijn, bewijst dat hij velen iets te zeggen heeft. En dat is iets waar menige dichter hem om mag benijden. Om u ook nog kennis te laten nemen van een gedicht uit déze bundel, neem ik tenslotte over:
Bij het ouder worden
We moeten niet vluchten,
niet angstig worden
voor cijfers,
er is een zegen
in vermindering
van kracht,
we moeten terrein
gaan verliezen,
niet anders overhouden
dan een smalle strook grond
aan de rand van het water.
Dan komt God,
we staan dan alleen
voor Hem;
armen van oordeel,
ook van nabijheid,
grijpen ons aan:
een ja en
een nee,
we worden geraakt,
we hinken,
we zijn Israël,
we worden vervuld
van een zeer vreemde
vrolijkheid,
we gaan de dag
tegemoet.