Over de waarheid (4)

1981-08-21
  • Jaargang 25
  • nummer 29
12. Beoordeling van het zgn. objectieve waarheidsbegrip

(1. voordeel en nadeel?) In het rapport wordt een merkwaardige beoordeling gegeven van wat men het objectieve waarheidsbegrip noemt. Men zou verwachten dat het genoemde begrip op z'n juistheid zou worden beoordeeld en dan is het denkbaar dat men een gemengd oordeel velt: juiste elementen naast onjuiste, indien men niet zonder meer de beoordeelde opvatting geheel juist of geheel onjuist wil noemen.
Ongebruikelijk, zeker in christelijke kringen, is echter dat het rapport hier de waarheidsvraag - zo men wil: de vraag inzake de al of niet juistheid - omzeilt, door hier te spreken over voordelen en nadelen van de beoordeelde opvatting.
Wanneer we echter vast willen houden aan de overtuiging dat ook theorieën waar behoren te zijn, dus waarheid omtrent het besproken onderwerp behoren uit te drukken, dan zal, bij welwillende interpretatie, "voordeel" en "nadeel" bedoeld zijn als een slordige uitdrukking voor het meer gebruikelijke erkennen van "momenten" van waarheid of onwaarheid, van juistheid of onjuistheid. In een onwaarheidsgeheel kunnen ware gedachten zijn opgenomen, als waarheids-"elementen". Wie zich echter bewust is van de enorme invloed van de pragmatistische levensbeschouwing in onze huidige samenleving, en wie daartegen vanuit het christelijk geloof zijn "neen" wil volhouden, speelt wel met vuur wanneer hij in een kerkelijk functionerend betoog zomaar de pragmatistisch-utilistische terminologie hanteert en anderen leert hanteren. Als het om de waarheidsvraag gaat - in de wetenschap èn in de praktijk dan gaat het niet in de gebruikelijke zin der woorden om voor- en nadelen, maar om voor- en nadelen met betrekking tot het bereiken van de waarheid, m.a.w. om meer of minder iuistheid of waarheid in de weergegeven theorieën.

13. Beoordeling van het zgn.objectieve waarheidsbegrip

(2. zijn feiten ook normen?) Maar nu over de inhoud van wat het rapport voordeel en nadeel noemt. Het voordeel van het zgn. objectieve waarheidsbegrip zou volgens het rapport zijn "het besef dat om waarheid te spreken men een norm van buitenaf moet erkennen.
Waarheid is niet zo maar willekeurig" (10).
Dat klinkt goed - op het eerste horen. Maar het slaat niet op het enige regels tevoren geschetste beeld van het zgn. objectieve waarheidsbegrip.
Daarin is nl. geen sprake van enige menselijke activiteit die onderworpen is aan een norm of richtsnoer. Er is alleen sprake van een niet-menselijke activiteit, nl. het "spiegelen", en dan bedoeld als beeldspraak: "als het ware". Volgens het objectieve waarheidsbegrip (in de weergave van het rapport) is de mens "ontvangend en passief" (10), de zaken (weer- )spiegelend.
In de opvatting die het rapport hier presenteert, nl. dat het "voordeel" van het "objectieve waarheidsbegrip" is dat het een "norm van buitenaf" erkent, herkennen we de thomistische opvatting dat de werkelijkheid buiten de mens als norm fungeert voor de kennisverwerving ("res sunt mensura et regula intellectus").
Het is echter nogal verwarrend om de wekelijkheid aan te duiden als een "norm van buitenaf".
Hier rijzen enkele vragen. Is dit nu letterlijk of figuurlijk bedoeld: werkelijkheid als norm? Hoe kan de werkelijkheid, hoe kan een feitelijke stand van zaken de rol vervullen van een norm die zegt wat en hoe we moeten handelen, in casu: om kennis te verwerven?
Natuurlijk is de bedoeling van wat 't rapport zegt, wel te vermoeden: bij ons verwerven van kennis moeten de feiten (de werkelijkheid, de stand van zaken) gekend worden zoals ze zijn, onverkort, niet verdraaid, scherp en goed waargenomen en geanalyseerd. Maar waarom moet dat zo onbeholpen worden geformuleerd? Zijn de feitelijke werkelijkheden waarop onze kenactiviteit zich richt niet veeleer zelf subjecten, d.w.z. onderworpen aan wetten en normen, nl. hun eigen levens wetten en normatieve structuren?
Waarom niet ook hier gewaarschuwd tegen de vermenging of verwisseling van feiten en normen?
Bovendien: als men zegt dat de feitelijke standen van zaken in het kennisproces een "norm van buitenaf" zijn, wat blijft er dan over van het verderop zo sterk beklemtoonde ineengeschoven zijn van subject en object? Maakt men dan zelf wel consequent ernst daarmee?
Kan men dan die impliciete erkenning van een "norm van buitenaf" nog een "voordeel" noemen?
Of is het allemaal wat losjes en vlot geformuleerd zonder waarheidsaanspraak, zodat men daarom maar niet spreekt van waarheidsmomenten in het "objectieve waarheidsbegrip" en liever de schijnbaar neutrale term "voordeel" gebruikt?
De kennistheorie is inderdaad zeer abstract, gecompliceerd en subtiel.
Men kan daarom sceptisch staan tegenover popularisering. Maar als dit rapport toch meent deze weg te moeten opgaan, mag het daarom nog niet vluchten in deze vage slordigheid, die slechts in schijn helder is. Elk degelijk filosofisch lexikon leert ons immers hoe dubbelzinnig de klassieke adaequatio-formule is, die volgens het rapport kenmerkend zou zijn voor het zgn. objectieve waarheidsbegrip van "de meest gangbare opvatting".
Intussen willen we wel graag de goede bedoeling van paragraaf 2 vasthouden. In de terminologie van de reformatorische wijsbegeerte luidt die m.i. als volgt. Waarheid is het resultaat van feitelijke gehoorzaamheid van de menselijke kennisactiviteit aan de daarvoor geldende ken-normen, zoals die bijv. in de zgn. wetten van de logica- en kennistheorie nader geformuleerd plegen te worden.

14. Het zgn. nadeel van de meest gangbare opvatting van de waarheid

Behalve het bedoelde "voordeel" heeft het zgn. objectieve waarheidsbegrip van de gangbare opvatting ook een "nadeel". Volgens het rapport is dat nadeel "dat de mens in deze opvating wel erg passief is" (10). Dat passieve wordt dan een bladzijde verder met de volgende werk-woorden nader aangeduid: spiegelen, ontvangen, oprapen. Deze activiteiten in het proces der kennisverwerving worden dus onder passiviteit verstaan. Erg nauwkeurig en helder is dat niet. Ook hier willen we echter speuren naar de goede bedoeling, ofwel: het waarheidsmoment.
Kennelijk gaat het hier om het contrast met de zgn. subjectieve waarheid, waarbij de mens een actieve, in de zin van creatieve rol wordt toebedeeld.
Daarover in een volgend punt wat meer.
Intussen lezen we als argument om dat "erg passief' zijn van de "objectieve waarheidsopvatting" als een nadeel (lees: fout) af te wijzen, slechts deze, ietwat retorische vraag: "De waarheid zeggen en kennen vergt toch inspanning, onderzoek, worsteling? Vraagt echte waarheid niet om de activiteit van de mens?" (10).

15. Het wijsgerige waarheidsbegrip behoort genuanceerd te zijn

Dit zijn m.i. even suggestieve als verwarrende vragen. Want om welke waarheid gaat het? Om te constateren dat een schilderij scheef hangt (het voorbeeld van het rapport!) is bepaald geen "inspanning, onderzoek, worsteling" nodig.
Om echter er precies achter te komen wat Thomas van Aquino bedoelde met zijn eigen twee verschillende exegeses van de formule dat de waarheid overeenstemming is tussen verstand en zaak, en wat dan het grote verschil is met wat B. RusselI met dezelfde formule wil zeggen - ja, dàt vergt "inspanning, onderzoek, worsteling", zelfs wijsgerige ervaring.
Van een bezinningsrapport dat met nadruk een toonaangevend filosofisch openingshoofdstuk presenteert, mocht verwacht worden, dat genuanceerder over "waarheid" was gesproken. Nu lopen minstens drie verschillende waarheidsbegrippen diffuus door elkaar, ook in de voorbeelden: a) geloofswaarheid het hoofdonderwerp van het rapport als geheel; b) theoretische waarheid die veelal na moeizaam onderzoek kan worden gevonden door deskundigen en c) de primaire praktische waarheid zoals die gekend wordt in de niet-theoretische dagelijkse levenservaring, waarbij men zonder worsteling, methode, onderzoek, bewijs, e.d. simpelweg en terecht zeker weet dat een scheef hangend schilderij scheef hangt en dat suiker zoet smaakt. Tot deze laatste categorie behoort ook de geloofswaarheid, althans naar reformatorische opvatting - niet altijd naar rooms-katholieke opvattingen, Wij belijden immers de eenvoud en de duidelijkheid van de heilsopenbaring Gods in Chrisus en in Gods Woord. Geloofswaarheden worden beleden vanuit het "beamend luisteren" in (filosofisch gesproken) apriorische overgave aan de goddelijke of menselijke spreker.

16. Menselijke activiteit? Ja, maar welke?

"Vraagt echte waarheid niet om de activiteit van de mens?" is een vraag die m.i. in geen enkel opzicht kan dienen als argument tegen de zgn. "objectieve waarheid" van de "meest gangbare opvatting van waarheid in de gewone ervaring" (blz. 10 en 12). Letterlijk genomen is die vraag onzin en heft zij zichzelf ook op als de beweerde passiviteit in dat waarheidsbegrip nader omschreven wordt met diverse wèrk-woorden. Maar naar de bedoeling is zij ongeoorloofd, als ze dienen moet om althans iets (een zgn. "voordeel") van de als geheel onaanvaardbare subjectieve waarheidsopvatting die in de volgende paragraaf besproken wordt, alvast aannemelijk te maken. Want de nu in het rapport en door ons aan de orde te stellen "subjectieve waarheid"
bedoelt niet de vanzelfsprekende activiteit in het waarheid zeggen en (leren) kennen, maar een zeer bepaalde, nl. een creatieve activiteit, waarbij de mens niet slechts kennis of waarheid in zijn oordelen vormt uit het gegeven "materiaal", maar zowel de "zaken" als de waarheid daaromtrent, zelf schept.

(wordt vervolgd)

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief