Ingezonden
1981-08-21
- Jaargang 25
- nummer 29
De mondige gemeente
Onder deze titel heeft br. G. Janssen te Nijverdal een artikel geschreven in 3 opeenvolgende uitgaven van "Opbouw" onder de nummers 13,14 en 15 (3, 10 en 17 april '81).
De lezing en herlezing van dit artikel heeft diepe teleurstelling en ook wel verontwaardiging gewekt vanwege zijn eeuwenlange cIichétermen, zijn onjuistheden en zijn onbijbelse interpretaties.
Laten we beginnen met het lezen van de eerste en de laatste zin van dit 'artikel die lijnrecht met elkaar in strijd zijn.
De eerste zin (pagina 98, kolom 1) luidt: "De gemeente van Jezus Christus is een mondige gemeente, dat wordt vandaag door praktisch niemand betwijfeld". Met deze woorden wordt met de hand onder de kin van de gewone kerkleden gestreken: zoet maar brs. en zrs., jullie mogen nu (vandaag) ook meepraten en meebeslissen over alle kerkelijke zaken. Maar die zachte hand wordt een harde vuist waarmee in de laatste zin (pagina 115, kolom 4) op tafel geslagen wordt: "Daarbij geldt het voor de ambtsdragers de zo verantwoordelijk stellende uitspraak van de apostel: Gods medearbeiders zijn wij (de theologen? B.), en voor de gemeente (de gewone kerkleden, B.) het heerlijke woord van dezelfde: Gods akker, Gods bouwwerk zijt gij".
God's akker waar de theologen op en overheen kunnen lopen. Dit is niet cynisch geschreven, want de feiten in de kerkgeschiedenis tonen aan dat bij elke "godsdiensttwist" de gemeente als lucht werd beschouwd en behandeld. In 1 Kor. 3 : 9 staat: God's medearbeiders zijn wij. Wie zijn die wij? Dat zijn de apostelen Paulus en Apollos, zie vers 5. Maar er zijn geen apostelen Meer; hoe kun br. Janssen zichzelf - en eventueel ook de ouderlingen als hij die tenminste in de "wij" begrepen heeft - tot apostel(en) promoveren? Hij (en de eventuele ouderlingen) behoort (behoren) zelf ook tot de gemeente; is (zijn) zelf een deel van de gemeente. Dat heersen over de Schrift, dat Schriftmisbruik van 1 Kor. 3: 9 is een gevolg van het niet goed zien wat de plaatselijke kerk is. De oorzaak is dat br. Janssen en alle Calvinisten (inclusief Calvijn zelf) de plaatselijke kerk in 2 aparte klassen hebben ingedeeld, lees: gescheurd.
Het hele artikel van br. Janssen is er van doordrenkt: er wordt telkens gesproken over kerkeraad EN gemeente of ambtsdragers EN gemeente of "regeerders" EN "geregeerden" (pag. 115, kolom 3).
De kerk is geen twee-eenheid. Paulus heeft geen brieven aan de kerkeraden geschreven maar aan de gemeenten. Als ik het woord "gemeente" gebruik, heb ik ook de ouderlingen en diakenen op 't oog, want een gemeente zonder ouderlingen en diakenen is geen gemeente.
Die twee-eenheid, die twee klassen in de gemeente die br. Janssen en alle Calvinisten voorstaan, is ook een gevolg van on-Schriftuurlijke bewoordingen, die die 2-klassenleer op de been moeten houden.
In het artikel van br. Janssen komt 10 maal het onbijbelse woord kerkeraad voor; 11 maal het onbijbelse woord ambtsdragers en 5 maal on-Schriftuurlijke termen als ambt, ambtelijk, ambtsdienst enz.
Echter er schijnt een lichtpuntje in het artikel te zijn, want br. Janssen twijfelt zelf aan al het door hem geschrevene; hij gelooft het zelf niet meer. Op pag. 115, kolom 4 schrijft hij nl: ... zullen wij (wie zijn die wij? B.) er goed aan doen ons opnieuw op de mondigheid van de gemeenten te bezinnen en daarvoor zorgvuldig met de Bijbel te rade te gaan". Ook de woorden "misschien"
en "vermoedelijk" op pag. 98, kolom 1 en 2 doen zeggen dat br. Janssen het zelf niet meer weet.
Er is meer verkeerds in het artikel aan te wijzen, maar het voornaamste is nu gezegd.
J. W. Bonker 27 Little John Road Armadale (W.A.) 6112 (Australia)
Antwoord
Inzender verwijt mij eeuwenoude clichétermen. (... onleesbaar....) op wat hij verderop onbijbelse woorden en termen noemt, ais kerkeraad, ambt, ambtsdrager enz. Maar dit is dan wel een zeer persoonlijk oordeel, dat men overigens ook wel bij bepaalde secten tegenkomt: het slechts willen gebruiken van puur bijbelse termen en bewoordingen.
IN de kèrk is het echter altijd geoorloofd en noodzakelijk geacht bij het nadenken over de bijbelse gegevens gebruik te maken van bepaalde termen en uitdrukkingen, die niet in de HeiIge Schrift zelf voorkomen, maar bijbelse gegevens samenvattend benoemen. Bekende voorbeelden zijn: Drieëenheid, sacramenten e.a. De kern van het verwijt van inzender ligt in wat hij noemt de indeling van de gemeente in twee klassen: ambtsdragers en 'gewone' gemeenteleden.
Het is een verwijt dat niet mij alleen treft, maar 'alle calvinisten', inclusief Calvijn. Hier blijkt duidelijk dat hij de Calvinistische, gereformeerde ambtsopvatting afwijst.
Deze wordt hierdoor gekenmerkt dat zij het ambt niet zoals allerlei congregationalistische groeperingen opvat als puur orgaan van de gemeente, dat de gemeentewil heeft te vertolken en uit te voeren, maar daarin erkent het element van de door God ingestelde dienst, waardoor de gemeente wordt geleid en geweid en dient gebracht tot de rechte mondigheid. Duidelijk spreekt Paulus daarover in Ef. 4: En Hij (Christus) heeft zowel apostelen als profeten gegeven, zowel evangelisten als herders en leraars, om de heiligen toe te rusten tot dienstbetoon . .. totdat wij allen bereikt hebben... de mannelijke rijpheid enz. En tot de oudsten van Efeze zegt dezelfde apostel in Hand. 20 dat de Heilige Geest hen heeft gesteld tot opzieners om de gemeente Gods te weiden, vers 28.
Petrus spreekt soortgelijk in het vijfde hoofdstuk van zijn eerste brief. Ontkennen deze apostelen daarmee dat ook de ouderlingen tot de gemeente behoren en delen zij de gemeente zo in in twee klassen en scheuren zij haar op deze wijze?
Niemand zal dit durven beweren, ik denk ook de inzender niet. Maar waarom dan zijn verwijt aan de calvinisten, die hier eenvoudig de Heilige Schrift eerbiedig naspreken en zich ver houden van alle moderne democratische ideeën? Als de inzender de moeite wil nemen mijn artikelen nog eens rustig na te lezen, zal hij zien dat ik juist de Roomse indeling van de gemeente van Christus in twee klassen: priesters en leken, met nadruk heb afgewezen.
'Onderscheiding in' is niet hetzelfde als 'scheiding van'. Als ik in het ene huis onderscheid tussen dak en muren maak, maak ik die twee toch niet van elkaar los en stel ik ze toch niet tegenover elkaar?
Vrij breed heb ik getracht aan te tonen dat het feit, dat de gemeente ambtsdragers van God heeft ontvangen, die haar hebben te leiden en te onderwijzen, niet strijdt met haar mondigheid, omdat al het werk van de ambtsdragers deze mondigheid juist heeft te dienen en steeds verder heeft te verwerkelijken.
Daarom strijdt de eerste regel van mijn artikelen allerminst met de laatste.
Daarover nog een enkel woord.
Het betreft hier het citaat uit 1 Cor. 3: 9, waar Paulus schrijft: Gods medearbeiders zijn wij - de ambtsdragers geldt dit, schreef ik Gods akker. Gods bouwwerk zijt gij - dat is de gemeente, zei ik. Inzender maakt van de ambtsdragers de theologen, die op en over de akker heenlopen. Maar ambtsdragers en theologen. .. dat zijn twee geheel verschillende zaken. Een theoloog behoeft in het geheel geen ambtsdrager te zijn en vele ambtsdragers zijn helemaal geen theologen, denk maar aan de ouderlingen. Ik paste het eerste deel van 1 Cor. 3 : 9 op de ambtsdragers toe, maar er zijn Paulus en Apollos mee bedoeld, zegt br. Bonker en er zijn nu geen apostelen meer, hoe kan ik dit woord dan toepassen op mijzelf en eventueel op de huidige ouderlingen?
Het is echter niet juist dat Paulus dit woord toepast op zichzelf en Apollos met uitsluiting van anderen. Hij vat daaronder ook andere medearbeiders in het evangelie samen, want hij zegt in vers 10: Ik heb als een kundig bouwmeester het fundament gelegd, maar een IEDER zie wel toe hoe hij daarop bouwt ...
Daarom kon ik dit woord toepassen op de ambtsdragers van Christus gemeente in de loop der eeuwen.
Verder mag inzender bedenken dat ik deze artikelen niet schreef als ambtsdrager, maar gewoon op verzoek de kerkelijke rubriek in "Opbouw" een maand lang verzorgde.
Hij mag weten dat ik bij de woorden: Gods medearbeiders zijn wij, ook niet aan mijzelf dacht, want ik ben in Nijverdal 'gewoon' gemeentelid, heb daar geen enkele ambtelijke functie. Als emeritus preek ik wel regelmatig ergens eenmaal per zondag, maar overigens zit ik in mijn woonplaats gewoon naast mijn vrouw in de rij en schik mij daar met dankbaarheid onder de prediking van ds. Bax en krijg ook regelmatig huisbezoek enz. Bij de woorden: Gods akker, Gods bouwwerk zijt gij, dacht ik met dankbaarheid dus o.m. aan mijzèlf ...
De rest van zijn ingezonden stuk laat ik nu maar voor rekening van de inzender..
Nijverdal G. Janssen