Persschouw
1981-08-21
Het mag wel tot de meest boeiende lektuur gerekend worden wanneer iemand zijn herinneringen op papier werpt en in pittige vorm en via een smeuïge woordkeus aan de lezer weet te presenteren. Bij het opruimen van onze studeerkamer - een erg noodzakelijke bezigheid zo nu en dan!viel ons de "Variant" in handen, die (als wekelijks bijvoegsel van het "Nederlands Dagblad") ter gelegenheid van de Schooldag 1980 was uitgegeven.- Jaargang 25
- nummer 29
Daarin vertellen verschillende predikanten van hun ervaringen tijdens hun studententijd in Kampen.
De opsomming van de diverse wederwaardigheden levert tegelijkertijd nog een stukje kerkgeschiedenis op. We geven het onderstaande uitvoerige citaat dus niet om een nostalgische houding te stimuleren. Maar wij leven wèl in de overtuiging, dat iemand, die het verleden afzweert, zich bezondigt aan een vorm van zelfamputatie!
Wij luisteren nu graag naar het relaas van Ds. P. K. Keizer, emeritus predikant te Groningen: "Ik kwam in 1926 aan. Er was sprake van een nieuwe élan, een reformatie: terug naar de Schrift. Dat voelden wij als studenten. De Korte Verklaring begon te verschijnen, de reformatorische Wijsbegeerte der Wetsidee kwam op. A. Janse sprak voor het studentencorps, terwijl ook Woelderink in die tijd met publiceren begon. De proffen waren plechtige heren voor ons, die steeds in jacquet verschenen. De ene was meer geliefd dan de ander, maar respect hadden we voor alle. Ik herinner me dat lector J. J. Esser ('Joost'), dat was de rector van het gymnasium, ook altijd in jacquet liep en dat hij het in zijn verstrooidheid eens gepresteerd heeft om na een receptie met een verkeerde, korte jas over zijn jacquet aan naar buiten te gaan!"
Ook over de colleges weet Ds. Keizer nog heel wat te vertellen. "De preekcolleges op zaterdagmorgen, dat waren hele gebeurtenissen. Je had behalve de professor vier criticistudenten, die moesten oordelen over de exegese van de tekst, thema en verdeling, de preek zelf en taal, stijl en voordracht. Eens was er een criticus - ik weet het nog goed - die zei iets van: "Professor, hij gedroeg zich daar achter de katheder als een ambtenaar van de burgerlijke stand die de blijde gebeurtenis die hem bericht wordt, niet aangaat". Ik denk dat de preken toen reëler waren dan vroeger en dat er meer en dieper in de Schrift werd gestudeerd. Prof. Hoekstra kon heel goed praktische toespitsingen maken, ook al door het werk van Woelderink. Hoekstra liep ook weleens op zijn tenen. Dat gebeurde als iemand aan het preken was en teveel uit zijn boekje voorlas. Dan was hij er ineens bij, nam het boekje weg en zei héél zachtjes: gaat u maar verder, meneer!"
"We werkten veel harder dan de studenten aan de VU! Ik had wel bezwaar tegen het systeem van college geven.
Alles werd letterlijk gedicteerd.
Je kwam op college en je moest schrijven, schrijven, schrijven.
En later verschenen die dictaten allemaal in druk. De dogmatiek van Honig bijvoorbeeld heb ik helemaal overgeschreven. We waren toen praktisch alleen op de Duitse (continentale) theologie georiënteerd. Wie kon één van de moderne talen spreken?
De Koreanen doen het thans beter!
Veenhof en Holwerda staken er toen reeds "bovenuit". Veenhof was als student al docent!"
Het novitaat was vroeger strenger dan in onze tijd. Ds. Keizer vond het toen beter. "Het was niet vernederend, maar wel opvoedend. Je had jongens die als het lux familae naar Kampen kwamen, popperdepopperdepop, nee maar! En die werden dan even op hun krent gezet, héél nuchter. We hebben veel gelachen en vier jaar lang veel plezier gehad, echt studentikoos, geestig. Er waren ook de congressen in Lunteren, van de Calvinistische Studenten Beweging, dat is begonnen in 1926, onder stimulerende leiding van prof. v. Vollenhoven en prof. Dooyeweerd. Ja, het was een mooie tijd. Als ik terugdenk aan ons studentenhuis (Meester, Van Bruggen, 't Hart), boven een winkel en dat we zaterdagsnachts elkaar soms schoren, om over enkele uren nog op tijd in de Burgwalkerk te zijn".
"Bij Greijdanus moest je je zaakjes geleerd hebben. Je kwam anders beslist niet door je tentamens heen. Bij Ridderbos moest je geluk hebben.
Honig, ja... hij haalde eruit of je echt gelóófde, wat je op dogmatisch terrein beweerde. En Bouwman, dat was een nuchtere, praktische christen.
Als ik moeilijkheden had gehad, was ik naar Bouwman toegegaan". Hij moet nog lachen als hij denkt aan het almanakplaatje bij Greijdanus' gevleugeld woord: "De heren moeten weten wat pááást en niet pááást": een waslijn met schoenen in alle soorten en maten (Greijdanus had als jongen in een schoenmakerij, die van de vader van ds. D. van Dijk, gewerkt, "met stukken leer in plaats van leerstukken").
Studiebegeleiding zoals tegenwoordig, was er in die jaren twintig nog niet.
"Gelukkig niet", zegt ds. Keizer. "Het hele programma stond vast. Je deed je "propjes" in één jaar, in het tweede jaar deed je die tentamens en in het derde jaar die, en vervolgens. Anderzijds, wie eenmaal uitviel, ja die moest maar zien hoe hij verder ging. Zulke studenten werden "overjarig koren" genoemd. We hielpen ze wel als medestudenten, daarvoor zou studiebegeleiding wel goed zijn geweest.
Maar ik voel niets voor professoren met een zweep".
Aan het slot valt het woord: studiebegeleiding.
Daaronder verstaan wij in onze kerkelijke kring momenteel wat anders dan vroeger. De begeleiding van onze theologische studenten is vanuit de kerken opgezet om accenten te leggen, die men zo niet tegenkomt in het opleidingsinstituut, dat men voor de voorbereiding op het ambt van Dienaar van het Woord gekozen heeft. Voorts dient de genoemde arbeid om het kontakt tussen de studenten onderling te bevorderen en de band aan onze kerken te verstevigen.
Een theologisch student mag kerkelijk gezien geen zwevende figuur worden! De betrokkenheid op de kerken, die hij D.V. als predikant gaat dienen, is van eminent belang. Men is zich dat zèlf ook terdege bewust!
Vandaar, dat men via de vraag of er straks wanneer men is afgestudeerd nog wel plaats zal zijn in de kerken, soms in een krisis terechtkomt. Wij' kunnen onze studenten helpen. Niet alleen via onze belangstelling voor hun studie. Ook niet alleen langs de weg van financiële steun. De kerken blijken immers echt bereid te zijn voor dit werk geld te geven. En daarvoor zijn wij hartelijk dankbaar! Maar de hulp, die wij hun mogen bieden is ons gebed! Laten wij onze studenten en heel de zaak van de opleiding tot het predikambt in onze gebeden een ruime plaats bieden. Want wij kunnen alleen van zegen spreken als wij ons afhankelijk weten van Hem, die alle dingen in kerk en wereld leidt!