Een psalm van een vrouw
1981-08-28
Psalm 4: 2-4 Mijn vermoeden, dat in deze psalm een vrouw aan het woord is ondankshet opschrift "Van David" - de opschriften zijn van later - dat vermoeden steunt met name op het derde vers van dit lied: "Gij mannen, hoe lang is mijn eer tot versmading, hoe lang hebt gij ijdelheid lief, jaagt gij de leugen na?"- Jaargang 25
- nummer 30
Ik denk, dat veel vrouwen zich in deze klacht, deze aanklacht kunnen herkennen als ze denken aan hun eigen mannen, hun toekomstige mannen of de mannen in het algemeen. Eer is teer. En de eer van de vrouw is nóg teerder. Deze eer van de vrouw is hier in geding. . '.
In de bijbel kan de term "mijn eer" aanduiding zijn van de ziel van een mens. Denkt u daar eens een ogenblik over na, dat een mens van zijn eer spreekt als van zijn ziel. Daarmee is toch gezegd, dat de eer van een mens samenhangt, of beter samenvalt met zijn meest wezenlijke zelf. En als dus .in deze psalm de vrouw klaagt: "Gij mannen, hoe lang is mijn eer tot versmading", dan heeft dat dezelfde gevoelswaarde als wanneer ze zou zeggen: "hoe lang zal het doorgaan, dat jullie boven op mijn ziel staan te trappen?"
Waar moeten wij aan denken bij de versmading van de eer, waarover deze vrouw klaagt? Natuurlijk ligt het voor hand te denken aan de ontering van de vrouw op sexueel gebied. Maar daar moet u het toch niet toe beperken. De vrouw heeft recht tot deze klacht, zo vaak zij met bijbedoelingen benaderd wordt en zij in haar vrouw-zijn miskend wordt.
Het gaat dan niet meer om haarzelf, maar om iets van haar. Haar gunsten worden gevraagd, haar diensten worden gevergd, de man heeft haar bewondering nodig, of gebruikt haar om op te scheppen. Telkens wanneer de man een heerschappij over de vrouw opricht, die haar, in bepaald opzicht toch de zwakkere, dienstbaar maakt aan zijn belangen, moet je zeggen, dat hij haar beledigt.
Bij veel mannen gaat dat grof toe, want onze tijd wórdt grof. Ieder kan dat bij zichzelf konstateren. Zulke mannen gedragen zich dan tegenover de vrouw als Lamech in de bijbel tegenover zijn- TWEE vrouwen: "Ada en Zilla, hoort naar mijn stem; vrouwen van Lamech, neigt uw oor tot mijn rede. Ik sloeg wel een man dood om mijn wond en een knaap om mijn striem" (Genesis 4 : 23).
Het grove hiervan blijkt niet enkel naar de kant van man en knaap, maar ook naar de kant van die twee vrouwen van hem. Want het is duidelijk: deze Lamech had uit opschepperij twee vrouwen. De tribune van zijn bewonderaars werd daardoor voller, vond hij. En maar snoeven! En maar groot doen! Er is samenhang, zo wil ik zeggen, tussen het hebben van twee vrouwen en het brallen van een wraaklied. Wie denkt, dat hij twee vrouwen aankan, moet zichzelf wel overschreeuwen en overschatten.
Polygamie, één man met meerdere vrouwen, is belediging nummer 1 voor de vrouw. Láat onze kultuur dat bedenken, nu ze op het punt lijkt te staan de monogamie - het huwelijk met één vrouw - te laten vallen.
De vrouw, die in deze psalm aan bet woord is, heeft dit Lamech-type dóór. Ze stelt namelijk behalve die eerste vraag nóg twee scherpe vragen.
Deze: "Hoe lang hebt gij ijdelheid lief?" en "Hoe lang jaagt gij de leugen na?" Dat zijn twee voltreffers, deze vragen. Want inderdaad' is bij de snoeverige en grootdoenerige man het leven opgebouwd uit ijdelheid en leugen. Dat wordt hier blootgelegd. En zo wordt door middel van deze drie gerichte vragen een leeg en nikserig mannenbestaan voor ons neergezet, een mannenbestaan, dat over de vrouw ONTering brengt.
Het is ook niet moeilijk dit in de werkelijkheid terug te vinden. En zo vaak wij het aantreffen wordt het voor ons begrijpelijk, dat de vrouwen dáártegen in verzet komen. De hele vrouwenbeweging wordt van hieruit verstaanbaar. Het enige dat verbaast is, dat deze beweging pas nu in volle hevigheid loskomt.
Maar stil, laten we nog even doorluisteren. Want deze psalm laat het niet bij klacht en protest. Tegenover de versmading van haar eer beroept deze vrouw zich op ... Christus. Dat doet ze met deze woorden: "Weet toch, dat de Here zich een gunstgenoot heeft afgezonderd". Waaraan" dacht Israël bij die afgezonderde gunstgenoot? Aan de koning, aan David, aan wiens huis de Here God zich verbonden had met de heerlijkste van al zijn beloften, dat namelijk de Christus daaruit geboren zou worden, En zo was de afgezonderde gunsteling, de apartgestelde lieveling uiteindelijk de Christus. Hét grote Pand, dat de Here God het goede voor had met zijn volk. Op dat Genadepad, op de Christus dus, beroept deze vrouw zich en zij zegt: "De Here hoort, als ik tot Hem roep, als ik vanuit mijn vertrapte eer tot Hem schreeuw, dan hoort God mij, om Christus' wil.
Weet dat, houdt daar rekening mee". En voor de man, die God vreest, is dit ook een serieuze bedreiging.
Maar dat beroep op Christus, wat houdt dat nu in? In welke zin is het voor de verdrukte vrouw mogelijk, om God in Christus' naam er bij te roepen? Want Christus' naam laat zich niet tot alles gebruiken.
Christus: - ik denk hier aan Hem, zoals we Hem in het evangelie ontmoeten, omringd door vrouwen, ook door misbruikte vrouwen. 'Wat hebben ze in Hem gezien? Tegenwoordig zegt men wel, met .woorden aan Paulus ontleend: "In Christus is noch mannelijk, noch vrouwelijk". En dat leidt dan bijna wel tot de ontkenning van het Man-zijn van Christus.
Ik denk niet, dat dat de bedoeling van dat woord is. Christus was en is een Man. Maar een Man - zo voelden de vrouwen om Hem heen - bij wie in het kontakt de bijbedoeling ontbrak. Bij wie ze als vrouw eindelijk, eindelijk tot hun recht kwamen en bij wie ze veilig waren. In Hem zagen ze de nieuwe Adam. En bij Hem zagen ze de bijbelse orde hersteld: de man, die gesteld is boven de vrouw. Want dat is de bijbelse orde. Dat blijkt uit een overvloed van teksten. Daar kunnen wij niet om heen, dat naar Gods scheppersbedoeling de man is gesteld boven de vrouw. Welnu, de vrouwen in het evangelie merkten, dat bij Christus dié bijbelse orde was hersteld. En het deed hun geen pijn, dat ze dat merkten. Gezag dat niet schrijnt, dat ervoeren ze bij Hem.
Dus: zich in de verdrukking op Christus beroepen: - de vrouw moet wél weten, wat ze doet. Want daarmee kan niet samengaan de moderne vrouwenrevolutie. Daarmee kan niet samengaan, dat de vrouw zich verzet tegen de orde, die de Schepper in het leven heeft gelegd. Christus immers herstelt die orde.
En laat nu niemand denken, dat ik met deze woorden het baasschap van de man sta te bevestigen. Want ik zeg tot álle mannen, mijzelf niet uitgezonderd: ga naar Christus, om dat grote geheimenis te leren. Gezag dat niet schrijnt. Gezag dat niet knelt. Gezag dat levensherstel brengt.
Want dat is niet iets eenvoudigs. Dat is voor ons, mannen, té moeilijk gebleken.
Het beroep op Christus snijdt ons dus beide, vrouwen en mannen, diep in het vlees. De vrouw moet de scheppingsorde WILLEN en de man moet de scheppingsorde KUNNEN. Beide, mannen en vrouwen, hebben daarvoor de Christus nodig als Verlosser, als Heiligmaker.
Wij ontmoeten elkaar, mannen en vrouwen, bij het kruis van Golgotha.
En in de mate, waarin dat kruis voor ons beiden leeft, zal de snerpende klacht van psalm 4 kunnen verstommen.
(Alle-dag-kerk, 26 nov. 1980)