Over de waarheid (5)
1981-08-28
17. Afwijzing onzerzijds van het zgn. "objectieve waarheidsbegrip"- Jaargang 25
- nummer 30
Alvorens nu over te gaan tot de bespreking van het "subjectieve waarheidsbegrip" zoals dat door het bekende rapport geschetst is, moeten we eerst onze eigen, reeds impliciet aangeduide kritiek leveren op het zgn. objectieve waarheidsbegrip.
Daarmee zullen we dus beslist niet willen treffen het praktische, niet-theoretische begrip van waarheid, zoals wij dat in onze dagelijkse omgangstaal hanteren. Dit laatste weigeren wij objectief of objectivistisch te noemen. Evenmin noemen we dat, zoals de gangbare filosofie dat nog meestal doet: "naief realisme". Het zgn. objectivisme en het zgn. naïef realisme 'zijn bepaalde theorieën, die ten onrechte toegedicht worden aan de praktisch levende, niet theoretisch filosoferende mens. Theorieën die bovendien een inderdaad onjuiste interpretatie geven van het kennisproces in wetenschap of praktijk.
Wij gaan hierop wat uitvoeriger in omdat in de theologische discussies, voorzover ze mij onder ogen kwamen, meermalen zonder kritiek wordt uitgegaan van de juistheid van het subject-objectschema, terwijl dan tegenover het zgn. subjectivistische waarheidsbegrip het "objectivisme" wordt verdedigd.
Onze bezwaren tegen dit "objectivisme" zijn de volgende.
17.1 Waarheid is altijd betrokken op menselijke activiteit
De zgn. objectivistische waarheidstheorieën (we moeten beslist het meervoud gebruiken) houden niet of niet voldoende rekening met het feit dat waarheid altijd betrokken is op menselijke activiteiten, zoals begripsvorming, oordeelsvorming, spreken e.d. Waarheid is immers het resultaat van die activiteiten in denken en spreken.
Hiertegen zou men kunnen aanvoeren dat ons spraakgebruik dat niet zo strikt neemt. Dat is juist. Zoals vaak in de levende taal van het praktische leven het geval is, heeft een woord niet altijd slechts één strikt te omlijnen betekenis. Er is soms een heel veld van verschillende en toch verwante, aan elkaar grenzende betekenissen die tesamen een heel "veld" vormen, waarvan bovendien de uiterste grenzen ook kerkelijk leven
niet altijd scherp te trekken zijn.
Zo is in ons spraakgebruik waarheid vaak hetzelfde als de werkelijkheid.
Als men zegt: de waarheid is dat Jan dit gedaan heeft, dan kan dat betekenen dat de uitspraak "Jan heeft dit gedaan" een ware uitspraak is, maar het kan ook betekenen dat de bedoelde handeling van Jan feitelijke werkelijkheid was.
Een ander voorbeeld van dat laatste is ook dat iemand een ware pianist is, een echte, een zeer bekwame pianist.
Reeds vele eeuwen geleden heeft men daarom in de kennistheorie onderscheiden tussen een logische.
of oordeelswaarheid en een zgn. ontologische of zijnswaarheid. Eenvoudiger zou dan echter zijn om in de kennistheorie te onderscheiden: werkelijkheid en waarheid. Waarheid is dan altijd waarheid-omtrentwerkelijkheid.
Met het begrip kennis is er ook zoiets.aan de hand. Kennis is altijd kennis-omtrent. Kennis bestaat ook niet los van de menselijke activiteit: kennisverwerving. Wel kan kennis geobjectiveerd worden in uitspraken, ' geschriften, opschriften in standbeelden bijv. In deze vorm is kennis overdraagbaar. Maar daarmee wordt kennis nog niet los van de mens: zij blijft resultaat van menselijke activiteit.
17.2 Menselijke activiteit is altijd onderworpen aan de wet
We merkten reeds eerder op dat de gangbare waarheidstheorieën een werkelijkheidsvisie realiseren, waarin niet of nauwelijks erkend is dat elke geschapen realiteit correlaat is, d.w.z. in wederzijdse betrekking staat, met de daarvoor geldende wet. Het woord "wet" is dan samenvattend gebruikt voor allerlei soorten van wetten: natuurwetten, handelingsprincipes, handelingsvoorschriften of verboden e.d.
Zo gelden er ook voor de menselijke activiteiten in het vormen (verwerven) van kennis "wetten", nomen, normprincipes. Zij staan bekend o.a. ' onder namen als "logische wetten" of "denkwetten".
Een voorbeeld van zulk een principe is: twee elkaar tegensprékende oordelen kunnen niet tegelijk waar zijn, of, zoals het in de vakliteratuur meestal gezegd wordt: "A is niet niet-A". Dat is het zgn. principe dat contradictie niet is toegestaan, het "principium (excludendae) contradictionis" ..
Indien we in de waarheidstheorie hiermee ernst 'maken, gaat zij er anders uitzien dan in de gangbare filosofieën van verleden en heden.
Het resultaat van een activiteit die niet verloopt volgens de daarvoor geldende wet, is geen goed resultaat.
Kennis is strikt genomen altijd goed, anders is er. geen kennis, maar dwaling, on-kunde. In de praktijk zal het veelal een mengsel van beide zijn: "onvolkomen is onze kennis".
Goede kennis is ook "waarheid" te noemen. Eén van de eerste (niet de .enige) eisen die aan het verkrijgen van waarheid of ware (goede) kennis wordt gesteld, is dan ook dat in het verwervingsproces de logische of analytische wetten voor de begrips- en oordeelsvorming "gehoorzaamd"
worden, bewust of onbewust. In belangrijke mate gehoorzamen we aan deze wetten intuïtief en onbewust. Immers, hoeveel, of hoe weinig mensen weten iets van de logische principia?
17.3 De subject-object-spleet en haar werkelijke overwinning
De zgn. objectivistische theorieën hebben voorts het manco dat ze een theoretische splitsing aanbrengen die in de werkelijkheid niet bestaat, en wel die tussen de subjectieve kennisfuncties van de mens en de kenbaarheid van de gekende werkelijkheid. Hier is nl. wel sprake van een "geleding" die onderscheiden noodzakelijk maakt, maar geen scheiding die een theoretische splitsing zou rechtvaardigen.
Die gigantische filosofische, alleen in theorie en niet in werkelijkheid bestaande figuur van de welbekende subject-object-spleet kunnen we nu niet grondig bespreken. Maar zij is wel één van de hoofdfiguren uit onze westerse, wijsbegeerte en denkgewoonten. Vooral Dooyeweerd heeft vele malen aangetoond hoe deze figuur alleen ontstaan kon vanuit een religieus-afgodische waardering van het menselijk denkvermogen.
Wijsgerig gesproken komt deze verabsolutering, deze op-zich-zelf stelling van een der kostelijkste gaven Gods aan de menselijke natuur, hierin tot uiting dat men wijsgerig niet meer inziet dat van, en in, alle menselijke gaven en mogelijkheden het menselijk hart het centrum is, dat de geestelijke of diepste richting van de levensuitingen bepaalt. Vaak wordt zelfs het menselijk hart tot één der vele functies gedegradeerd, bijv. de gevoelsfunctie. Maar onvermijdelijk (althans filosofisch gezien) wordt dan één der functies tot het brandpunt, tot die centrale wortelpositie verheven, die alleen het hart in werkelijkheid heeft. In het westerse denken is die "eer" toegedacht (het is slechts foutief denken, meer niet!) aan het denken zelf, hetzij in de zin van wetenschappelijk de ken, hetzij in de zin van praktisch denken dat in alle handelen meekomt.
De mens zou immers een "redelijk-zedelijk wezen" zijn.
17.4 Onmogelijkheid van de subject-object-kloof vanwege de goddelijke scheppingsorde
Ons vorig bezwaar tegen de zgn. objectivistische waarheidstheorie begonnen we met te wijzen op de subject-object-splitsing, welke als een theoretisch alles-omvattend kosmo-Iogisch oriëntatieschema fungeert in de tot nu toe gangbare wijsbegeerte. We wezen daarbij eerst even naar de achtergrond daarvan in een religieus ontspoorde mensbeschouwing: de verabsolutering van het denken in onverbrekelijke samenhang met de miskenning van de centrum- en wortelpositie van het menselijk hart.
Nu nog iets over die subject-objectspleet zelf. In de christelijke denktraditie heeft men vaak gevoeld dat hier iets mis is, zonder dat men er in slaagde het verkeerde èn de correctie daarvan bevredigend aan te geven. Men zei dan, en terecht, dat God het menselijk subjectieve kennen enerzijds en de kenbare werkelijkheid anderzijds, op elkaar heeft aangelegd; zódanig op elkaar aangelegd, dat het subjectieve kennen (voorzover het ècht kennen en dus geen dwaling, geen mis-kennen is) terdege slaat op de realiteit buiten het kennen. Als we zeggen: kijk, daar staat een boom, dan 0 zeggen we de waarheid, dan hebben we het niet mis, tenzij in geval van geestesziekte, fantasie of bewuste leugen.
Welnu, wijsgerig gezien zeggen we dan dat de kenbaarheid tot de geschapen werkelijkheid behoort, daaraan essentieel eigen is, tot de structuur of natuur van het geschapene behoort. Die kenbaarheid noemen we in de reformatorische wijsbegeerte de logisch-analytische objectsfunctie van de dingen.
Het is voorts ook duidelijk, dat die kenbaarheid alleen maar als zodanig bestaan kan in relatie met 0 mogelijk subjectief kennen. De analytische objectsfunctie bestaat dan ook niet anders dan in relatie met de analytische subjectsfunctie waarin de mens actief optreedt, fungeert.
Dat is dan de eerste en direct voor de hand liggende relatie waarin het object voorkomt en waarbuiten het niet bestaat: de subject-objectrelatie.
Dat is nu wat men al van ouds in het christelijk denken noemde: het door God op elkaar aangelegd zijn van subject en object.
Men meende echter dit hypothetisch te moeten aannemen; indien mogelijk moest men zelfs proberen dat te bewijzen, maar de reformatorische wijsbegeerte zegt: neen, alles wat wijst 'op de waarheid van deze gedachte, is geen stringent "bewijs", maar het verwijst naar de scheppingsorde, waardoor God alle dingen met elkaar verbonden en verweven heeft.
Daardoor hangt "alles met alles" samen, ook subject en object. Zo is de wetmatige structuur der werkelijkheid, dank zij Gods blijvendgeldende Schepperswil.
Welnu, deze onverbrekelijke subject-object-relatie in het kennisaspect van ons leven, zoals ook in alle andere aspecten, wordt onjuist, nl. dualistisch, geïnterpreteerd door.
elke theorie die subject oen object tegenover elkaar verzelfstandigt.
Daarachter schuilt dan de reeds besproken theoretische verzelfstandiging èn verabsolutering van het subject in de ken-relatie (de subjectieve kenfuncties dus) naast en tegenover het werkelijke levens- en actiecentrum van de mens: zijn hart (ik, ikheid, zelf, zelfheid, of hoe het verder ook in het filosofenjargon wordt aangeduid).
(wordt vervolgd