Zo kan het ook

1983-08-19
  • Jaargang 27
  • nummer 30
De kerkgeschiedenis is vol van spanningen en meningsverschillen.
Vaak ontlaadt spanning zich in een conflict dat uitloopt op een breuk. Maar het kan ook anders. Dat lezen we in het begin van Handelingen 6.

Toen in die dagen de discipelen talrijker werden, ontstond er gemor bij de Grieks sprekenden tegen de Hebreeën, omdat hun weduwen bij de dagelijkse verzorging verwaarloosd werden. Het Sanhedrin had de apostelen vrijgelaten en dezen preekten in de tempel en aan de huizen, Als gevolg daarvan nam het aantal van de discipelen toe. Maar met deze uitbreiding kwamen er moeilijkheden. In de jonge gemeente ontstonden spanningen.
En die spanningen begon zich te ontladen in luid gemor, in gemopper. Door de gemeente liep een natuurlijke scheidslijn: er waren Hellenisten, in onze vertaling genoemd: de Grieks sprekenden.
Dat betekent: Joden uit de landen in het westen, die Grieks spreken. Er waren ook Hebreeën.
Dat waren de Aramees of Hebreeuws sprekende Joden uit Palestina en andere oosterse landen, De Grieks sprekenden begonnen te mopperen tegen de Hebreeën, omdat hun weduwen bij de dagelijkse verzorging verwaarloosd werden, Het spreekt vanzelf, dat en een tijd zonder A.O.W. en andere voorzieningen van overheidswege met name de weduwen behoefte aan ondersteuning hadden.
In de Jeruzalemse gemeente is het probleem van de grote stadskerk ontstaan. Als een gemeente snel groeit is het gevaar van vereenzaming levensgroot. In een kleinere gemeente kennen we elkaar en leven we met elkaar mee. Daar kwam bij, dat Grieks sprekende Joden heel andere mensen waren dan -Hebreeën. Ze beleden allen de Here Jezus als de Messias. In de hoofdzaak waren ze één. Maar toch bestonden er grote verschillen.
De Grieks sprekenden waren' mensen, die jarenlang buiten Palestina geleefd hadden. Ze hadden de invloed ondergaan van de Griekse cultuur. Een omgeving doet altijd wat aan een mens. Toch wilden ze graag hun levensavond in het vaderland en het liefst in Jeruzalem doorbrengen. Vele van deze Joden uit de diaspora, de verstrooiing, hebben zich bekeerd tot de Here Jezus. Ze voegden zich bij de 'gemeente in Jeruzalem, En ze zullen er best met blijdschap ontvangen zijn. Maar toch wilde het op den duur met goed vlotten tussen de Joden, die een groot deel van hun leven in het buitenland hadden gewoond en zij, die altijd aan het land en de stad van hun vaderen waren trouw gebleven. 't Ging net als in sommige streken vandaag: de autochtone bevolking en wat men wel eens kortheidshalve de "import" noemt zitten niet altijd op dezelfde golflengte.
Dan kun je over kleinigheden grote ruzies gaan maken. Dat is vaak gebeurd. Maar het kan ook anders.
U moet eens zien wat de apostelen doen. Die hebben niet vol zelfgeklag allerlei verwijten uitgesproken.
Neen, zij zeiden: Het bevredigt niet, dat wij met veronachtzaming van het Woord Gods de tafels bedienen. Zij hebben niet breedvoerig de gebreken in de gemeente uitgemeten, maar ze hebben een. weg tot genezing aangewezen.
En ze hebben ook het gevaar gezien dat speciaal hen bedreigde: de veronachtzaming van het Woord Gods. Het eerste en het voornaamste is, dat het Woord van God gepreekt wordt en dat er goed uit dat Woord onderwezen wordt.
Maar de tafels moeten ook bediend worden. En dan is het opmerkelijk welke gaven de apostelen voor de bediening van de tafels nodig achtten: niets minder dan het vol zijn van de Heilige Geest en het bezitten van wijsheid, "Ziet dan uit, broeders, naar zeven mannen onder u, die goed bekendstaan, vol van Geest en wijsheid, opdat wij hen voor deze taak aanstellen."
Als wij de gaven zouden moeten noemen, dan zouden we waarschijnlijk.
zeggen: het moeten mannen zijn met organisatietalent en met economisch inzicht, Maar de apostelen beseften, dat er méér nodig is. Als we vol zijn van de Heilige Geest dan staan we in de rechte houding 'tegenover onze naaste. Dan leven we dicht bij de Here. Dan zijn we goed thuis in Zijn Wóórd.
De apostelen hebben vanuit de praktijk geleerd, dat er een nieuw ambt nodig was, het ambt van de liefdedienst aan de behoeftige broeders en zusters. Zoals in het staatsleven allerlei verkeerde toestanden het nodig maken dat er goede wetten komen, zo kan ook in de Christelijke gemeente een bepaalde nood leiden tot het nemen van wijze en verstandige maatregelen. De Here Jezus heeft nooit ouderlingen en diakenen aangesteld.
Het is zoals Calvijn opmerkt: De gemeente heeft eerst moeren zien dat zulke ambten beslist noodzakelijk zijn voor een goede gang van zaken, Voordat er mannen waren aangesteld, die speciaal de diakonie, de bediening van de tafels tot taak kregen, ging er iets fout in de gemeente. Voordat die mannen hun dienst verrichtten leefde die gemeente niet dn hartelijke eensgezindheid.
Zoals Mozes van zijn schoonvader leerde, dat hij onder het hele volk moest omzien naar flinke, Godvrezende, betrouwbare mannen (Exodus 18), zo heeft de Heilige Geest de apostelen laten zien dat zij het werk niet alléén aan konden, maar dat andere krachten in geschakeld dienden te worden. Die mannen moesten goed bekend staan. Er moest een goed getuigenis van hen gegeven worden. ' De zeven mannen uit Handelingen 6 zijn de voorlopers van onze diakenen, Ze vormden daarvan als bet ware de prototypen. Ze deden niet precies hetzelfde werk als de diakenen vandaag. Het boek Handelingen beschrijft de overgangstijd van de prediking eerst alleen nog onder Israël. Deze mannen deden ook wonderen en tekenen.
En ze preekten, denkt u alleen maar aan Stefanus en Filippus.
Later zijn de taken van de dienaar des Woords, de regerende ouderling en de diakien meer van elkaar afgegrensd, Maar het begin van die afgrenzing ziet u hier al. Wij zullen ons houden aan het gebed en de bediening van het Woont Zo hebben de apostelen het probleem aan de gemeentevergadering voorgelegd. En de gemeente, de gehele menigte koos Stefanus en zes andere, bij name genoemde broeders.
De apostelen gaven leiding en de gemeente koos. Zij werd ingeschakeld.
Ze handelde zelf ook.
Toen hebben de apostelen gebeden.
Waarom? Omdat geen mens zelf de wijsheid in pacht heeft.
Wijsheid wordt nooit in pacht gegeven.
Wijsheid is een gave, die door de Here van ogenblik tot ogenblik geschonken moet worden.
De Here heeft de gebeden verboord, Zo werkte Hij Zelf' door de dienst van de apostelen en de zeven mannen en de helle gemeente. Zo is de verstoorde gemeenschap hersteld.
En toen ging het weer goed, nieuwe moeiten vragen wijsheid en nieuwe maatregelen. En vooral de bijstand van de Heilige Geest.
Zo werd in Jeruzalem de dreigende tweespalt overwonnen.
Zo kan het óók.
En het Woord Gods wies en het getal der discipelen nam zeer toe en een talrijke schare van de priesters gaf gehoor aan het geloof.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief