Over de waarheid (6)

1981-09-04
  • Jaargang 25
  • nummer 31
17.5 Ontworteling van de waarheid in objectivistische waarheidstheorieën
Het laatste bezwaar dat ik tegen de zgn. objectivistische waarheidstheorieën wil noemen is, dat zij de waarheid ont-wortelen. Dat geldt zowel voor de praktische waarheid in ons dagelijks verkeer in de samenleving, alsook voor de theoretische waarheid op wetenschappelijk terrein.
Met die ont-worteling bedoel ik dat de kennis-waarheid - men zou ook kunnen zeggen: de juistheid van een gedachte of uitspraak - niet meer in verband wordt gezien met de VOLHEID van de werkelijkheid en van de waarheid in-Christus. De Schrift openbaart ons dat alle dingen (Grieks: ta panta, d.w.z. in hun bijzonderheid en in hun samenhang en totaliteit) geschapen zijn, niet alleen "door", maar met nadruk ook "in" Christus (Col. 1: 16).
Ontworteling wil in dit verband zeggen dat de logische (analytische) juistheid tegenover en naast de religieuze volheid der waarheid opzichzelf gesteld wordt, daarmee ook religieus geneutraliseerd. Men zegt dan bijv. "twee maal twee is vier. Dat is een 'objectieve waarheid', ongeacht wat men aan religieuse, filosofische, of psychologische beschouwingen er kunstmatig, menselijk-subjectief eventueel nog aan vast knoopt. Van nature zit dat er 'objectief' niet in of aan vast; twee maal twee is vier en dat is een objectieve, op zichzelf staande waarheid" .
Stop even, zouden we hier willen zeggen. Dit verhaal lijkt waar, maar is het niet. Genoemde uitspraak en het inzicht dat er aan ten grondslag ligt, zijn als menselijke activiteiten niet alleen volledig menselijk, subjectief en aan de wet onderworpen, maar zij hebben tevens betrekking op dingen, planten, dieren en mensen waaraan men iets kan tellen.
Die werkelijkheid heeft in zich en aan zich de (objectieve) telbaarheid.
Zonder die subjectieve telwerkzaamheid en de betrokkenheid daarvan op de objectieve telbaarheid der dingen, zouden er geen getallen bestaan. Zij bestaan slechts in deze subject-objectrelatie. Alleen de getallenleer maakt ze daarvan theoretisch, niet werkelijk, los.
Genoemde uitspraak dat twee maal - twee vier is is daarom een abstracte, d.w.z. van de werkelijkheid afgetrokken, "deel-waarheid". Deze "deel-waarheid" functioneert dus enerzijds in het geheel van het subjectieve menselijke leven, primair in het kenleven, maar anderszijds in het geheel van de werkelijkheid, nl. in haar betrokkenheid op de telbaarheid aan de objectszijde der werkelijkheid. Dat maakt het ongeoorloofd om de uitspraak dat twee maal twee vier is, los te zien van de mens en van de totaliteit der werkelijkheid. Daarom is die uitspraak ook inderdaad niet in de volle zin des woords "waar", wanneer zij bijv. fungeert in een subjectief levensgeheel, dat de mens of de menselijke rede beschouwt als slechts berustende op menselijke "afspraken".
De objectivistische waarheidsidee miskent de religieuze verworteling van alle praktische en theoretische juistheid in Christus. De logischanalytische juistheid in de menselijke kennis wordt losgemaakt van de Waarheid, van de volheid en vervulling van alle "deel-waarheden" in Christus, die De Waarheid is. Zulke zgn. deel-waarheden kunnen als zodanig slechts bestaan als min of meer abstracte waarheidsmomenten in een levensgeheel dat als zodanig niet "staat in de Waarheid" of niet "wandelt in de Waarheid".


17.6 Het objectivisme en de Bijbel
Toegepast op de openbaringswaarheid van de Bijbel en op de daarop betrokken geloofswaarheden, kan men zeggen dat het gelovig verstaan van de Bijbel meestal wel beseft heeft dat de Bijbel geen verzameling is van losse, opzichzelf staande "waarheden", maar dat zij innerlijk één geheel is, waarvan Christus het centrum en de volheid is. In Hem vallen werkelijkheid en waarheid samen, als in de wortel-eenheid der schepping (Col. 1: 16). Hij is de Waarheid in eigen Persoon.
Elke wel of niet wijsgerig doordachte waarheidstheorie die zgn.
objectieve waarheden poneert los van deze Bron van alle werkelijkheid en waarheid in Christus, manifesteert daarmee een waarheids- en werkelijkheidsvisie die niet slechts objectivistisch is, maar - nog erger - functionalistisch, abstract-fragmentarisch, ont-worteld.
Daarmee is de waarheid tevens in religieuze zin geneutraliseerd gedacht, hetgeen in de gangbare wetenschapsopvattingen een onaantastbaar dogma schijnt te zijn.
Daartegenover heeft Dooyeweerd gelukkig met woord èn daad het volgende getuigenis gegeven: "Onze philosophie waagt het de 'ergernis van het Kruis van Christus' als hoeksteen ook van de kennistheorie te aanvaarden. En ze aanvaardt daarmede ook het kruis van de aanstoot, van de miskenning en van de dogmatische verwerping"
(WdW 11, 494 = NC 11, 562).

18. De zgn. subjectieve waarheid

18.1 Een andere mogelijkheid?
Na de paragraaf over "objectieve waarheid" (10) vervolgt het rapport met een paragraaf over "subjectieve waarheid". Daarvan zijn de eerste woorden waard om op te merken: "Er is ook een tegengestelde opvatting mogelijk ... ".
We volstaan met de kritische vraag of "mogelijk" hier bedoeld is als mogelijke waarheid, dan wel als constatering van een (ander) feit.
Bij welwillende interpretatie zullen we deze woorden mogen verstaan als: er bestaat in feite ook een tegengestelde, eveneens onjuiste, opvatting.
Dit is geen muggenzifterij of vallen over woorden. In de wijsbegeerte en in de (vakwetenschappelijke) logica bestaan nl. diverse opvattingen inzake het begrip "mogelijkheid".
We kunnen daarop nu niet ingaan. Slechts één resultaat van christelijk-wijsgerig denken hierover zij meegedeeld. De begrippen mogelijkheid en onmogelijkheid hebben slechts zin als ze georiënteerd zij naan de "wetszijde" van de werkelijkheid, omdat alleen dáárin de bestaans-mogelijkheid van het bestaande gelegen is .. Bij de moderne subjectivistische denkgewoonten is het begrip mogelijkheid georiënteerd aan de subjectieve feitelijkheid alleen. Bij dat neutralistische en subjectivistische mogelijkheidsbegrip is inderdaad "alles mogelijk", ook het werkelijk-onmogelijke dat buiten zijn bestaansmogelijkheid in de wetszijde valt. Maar we nemen gaarne aan dat het rapport het niet zo subjectivistisch bedoelt als het geformuleerd is.

18.2 Het eerste "voordeel" van een andere onware opvatting
Na een herinnering aan wat in ons vierde artikel (punt 12) over voor- en nadelen van onwaarheid is gezegd, gaan we nu de "subjectieve waarheids"-opvatting bespreken.
Het rapport geeft daarvan deze karakteristiek: "Waarheid komt tot stand in moeizame arbeid". Althans bij mensen, in onderscheiding van dieren. "Zonder menselijke geest, menselijke' activiteit, geen waarheid" (11).
Erg helder kunnen we deze kenschetsing niet noemen. Al eerder zeiden we dat die menselijke activiteit (al dan niet in moeizame "worstelingen") een pure vanzelfsprekendheid is. Het hele begrip waarheid is slechts zinvol in betrokkenheid op de menselijke activiteit in kennen en spreken, nl. als resultaat van die activiteit. De metafysische, scholastieke idee van een werkelijkheid als van de mens afgescheiden, "op-zich" staande "objectieve" zijns-waarheid, is een' wijsgerig onware idee.
Niet veel beter is de volgende karakterisering van het "subjectieve" (bedoeld is: subjectivistische) waarheidsbegrip: " ... omdat waarheid hier niet in de standen van zaken (objecten), maar in de werkzaamheid van de mens (het subject) gezocht wordt" (t.a.p.). Deze goed bedoelde typering is daarom zo on helder uitgevallen, omdat zij slechts mogelijk was door gebruik te maken van een scheiding tussen subject en object, die een paar bladzijden verder als onjuist, als onwaar, wordt afgewezen. Maakt men zelf wel ernst met die afwijzing?
Wie dat doet kan toch niet op deze wijze het subjectivistische waarheidsbegrip op rake wijze typeren?
Als "waarheid" (m.i. terecht) als relationeel wordt voorgesteld, waar blijft dan het "voordeel" van een opvatting die geen waarheidsrelatie kent? Althans geen andere dan die tussen de spin en het door hem uit zichzelf voortgebrachte spinnenweb?
Kan de mens die zelf de waarheid meent te scheppen, nog zinvol het woord waarheid hanteren?
Vallen in het subjectivisme dat het rapport voor ogen staat, waarheid en werkelijkheid niet volledig samen, zodat het geen zin meer heeft beide te onderscheiden? Men denke bv. aan de uitspraak van de bekende neokantiaan Cohen: "Slechts het denken kan datgene voortbrengen wat als zijn mag gelden" (geciteerd bij Dooyeweerd, NC 1, 10, noot).
We concluderen: het subjectivistische waarheidsbegrip, omschreven met de bewoordingen van het rapport, heft zichzelf op. Van de “voordelen" ervan blijft niets over. Zelfs als er de vanzelfsprekende activiteit die in alle denken of spreken van waarheid voorondersteld is, mee bedoeld wordt, dan kan die noch tegenover het "objectieve waarheidsbegrip" gesteld worden dat gedacht wordt de waarheid(slechts) "op te rapen", noch kan die activiteit beperkt worden tot de sfeer der wetenschappelijke waarheid die inderdaad als regel "moeizaam aan het licht gebracht moet worden" in een "totale inzet van de mens".

18.3 Het tweede "voordeel": de totale inzet
Deze bewering inzake de "totale inzet" die vereist zou zijn bij het verwerven van waarheidskennis, is slechts een filosofische juistheid. In het praktisch spraakgebruik daarentegen klinkt zij minstens overdreven.
Wijsgerig is het waar, en ook belangrijk om te constateren dat het verstandelijk kennen in werkelijkheid nooit "op zich", laat staan geïsoleerd zich voltrekt, los van zintuiglijke activiteit, los van allerlei waarderingen, los van herinnering en verwachting, los van belangen.
Echter, het is onjuist te menen dat dit een "voordeel" van, of "waarheidsmoment" in het subjectivistische waarheidsbegrip is. Daarin is dat juist niet het geval, omdat daarin de subjectieve activiteit juist wel geabstraheerd en geïsoleerd is tot het verzelfstandigde, pure (en dus theoretisch slechts gefantaseerde) "Denken". Vgl. het hierboven gegeven citaat van Cohen. Dat is ook één van de hoofdkenmerken van de subjectivistische kennistheorieën!
De "totale inzet" is daarin onbekend, omdat men "Het Denken" heeft los gemaakt van de "totale mens"!
Zo blijft er van dat door het rapport geponeerde "tweede voordeel" (de totale inzet van de mens) niets over dan hoogstens de vanzelfsprekendheid dat er in alle kennen en spreken van de waarheid een levend, d.i. actief mens erkend behoort te worden. Deze "totale inzet"
is één van de antropologische uitgangspunten van een christelijke kennistheorie, zoals ons hierboven in punt 17.5 reeds gebleken is.

18.4 Wat is het "nadeel" van het subjectivistische waarheidsbegrip?
Terecht zegt het rapport dat bij het subjectivistische waarheidsbegrip de mens beslist en projecteert. In de theorie van een dergelijk waarheidsbegrip ontbreekt "het richtsnoer van buiten de mens, het 'tegenover' " (11).
Het schijnt misschien woordenzifterij te zijn, als we hier attenderen op het dubieuze spraakgebruik van "buiten" en "tegenover". Het geciteerde zinsdeel kan heus wel goed geïnterpreteerd worden. Maar dat het o.i. desondanks niet goed functioneert, komt vanwege het geheel van de gedachtengang in dit hoofdstuk, waarin immers beweerd wordt dat de ware stand van zaken deze is, dat er geen objecten buiten en tegenover de subjecten staan, maar dat zij "inéén schuiven". Als dat zo is (we zijn aan dat punt nog niet toe), dan is het niet zo helder om de "nadelen" van een terecht afgewezen waarheidsbegrip met behulp van deze opposities te schetsen.
Wat dan zou "ontbreken" en daarom dat waarheidsbegrip onjuist maakt, zou dan een "buiten" en een "tegenover" zijn, waarvan even later beweerd wordt dat het juist niet buiten en tegenover het subject staat, maar daarmee inéén geschoven is.

(wordt vervolgd)

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief