Ingezonden
1981-09-18
Het ingezonden stuk in Opbouw van 21 augustus 1981 over "de mondige gemeente" van br J. W. Bonker (B) lijkt mij terminologisch en ook inhoudelijk hier en daar nogal zwak en aanvechtbaar.- Jaargang 25
- nummer 33
Niettemin brengt ons het antwoord van Ds G. Janssen nauwelijks verder.
Het wijst terecht, maar brengt niet terecht.
Toegegeven: in de levenspraktijk en in de strijd der geesten ontstaat als vanzelf een apparaat van termen, die niet rechtstreeks aan de bijbel zijn ontleend. Maar heeft B. ongelijk, als hij deze aanmaak met groot vertrouwen bekijkt? Moet hij daarom meteen bij de secte worden ingedeeld en de anderen "IN de kèrk" (sic) gesitueerd?
Het is zeer de vraag of "de Schriftgegevens" - ook een aanvechtbare term - in de niet-oorspronkelijke termen ondergebracht, bij het licht van de Schrift inderdaad hun Goddelijke bedoeling bewaren. J. zegt, dat deze niet-rechtstreeks-bijbelse termen nodig zijn in de bestrijding van "moderne democratische ideeën". Heeft B. ongelijk, als hij - hij spreekt van een twee-klassenleer - vreest, dat hiermee aristocratische ideeën worden geïntroduceerd van een clerus boven de mondige gemeente? En dat deze introductie veelal haar oorsprong vindt in het theologische begrippenmateriaal?
De directe wandel naar het Evangelie, het praktische leven als mondige gemeente wordt juist door dit begrippenmateriaal bemoeilijkt en verduisterd.
J. meent, wat erg naïef, blijkens zijn slottirade, dat een "theoloog" dit complex zonder meer aflegt, b.v. bij zijn emeritaat, of naast zijn vrouw zittend onder de preek. Zou dat waar zijn?
Integendeel, het drukt als een last op ons aller geloofsleven. Wie daartegen niet met ernst de strijd aanbindt, laat zijn hart erdoor overwoekeren en gaat het dienen als een wet. Waaraan hij uiteraard 'ook zijn naaste zoekt te onderwerpen.
Hoe gemakkelijk zulk een tweeklassenleer uit de Schrift wordt gedestilleerd, moge blijken uit hetgeen J. leest in 1 Cor. 3 : 9, waar hij een duidelijke tegenstelling forceert tussen de apostelen en de gemeente: "Daarbij geldt voor de ambtsdragers de zo verantwoordelijk stellende uitspraak van de apostel: "Gods medearbeiders zijn wij" en voor de gemeente het heerlijke woord van dezelfde "Gods akkerwerk, Gods bouwwerk zijt gij".
Maar deze traditionele cadans bij de voorlezing van genoemde tekst doet onrecht aan de griekse tekst en aan het wezenlijk verband. Het gáát daar niet om een contrast van apostelen en gemeente, dat de Corinthiërs zo graag willen veronderstellen om hun voorkeursapostel als hun leidsman uit te roepen. Paulus bedoelt juist tegenover die persoonsverheerlijking bóven de gemeente, zichzelf en zijn medewerkers ónder Gód te schikken, met de gemeente sámen. Wij en gij hébben geen accent, evenmin als mede-. Er staat: "Van Gód zijn we helpers; van Gód zijt ge akker, van Gód bouwwerk".
De levende, mondige gemeente is een organische gemeenschap, een wonder van Christus.
Theoretisch geknutsel kan dat leven en die mondigheid alleen maar afbreuk doen.
Niet voor niets heeft Christus telkenmale gewaarschuwd voor de zuurdesem der Farizeeën.
Bilthoven, 24 aug. 1981 B. J. Buwalda
Antwoord aan Drs. Buwalda
Voordat br. Bonker zelf nog iets kon opmerken tot nadere verdediging van zijn 'Ingezonden' heeft br. Buwalda de pen opgenomen om hem bij te staan. Blijkens de eerste regel acht hij dit wel nodig. Ik voor mij vind dit niet bijster elegant, maar laat dit nu maar voor wat het is, niet zonder er op te wijzen dat br. Buwalda hiertoe komt omdat hij in het 'Ingezonden' van de heer Bonker blijkbaar aanrakingspunten vindt met zijn eigen beschouwingswijze in het algemeen.
Want het gaat hier in wezen niet slechts om één bepaalde zaak - in casu de mondigheid van de gemeente en de plaats van de ambtdragers daarbij - maar om heel de manier, waarop wij de Schrift benaderen en menen vanuit haar te kunnen en te moeten spreken. En daarbij gaat het om vragen als: Wat is theologie, wat is haar recht enz. Terecht valt er bezwaar in te brengen tegen verwetenschappelijking van de theologie en wellicht zelfs tegen de term: de wetenschap van de theologie, in elk geval tegen een theologisch bedrijf, waarin de theologie een zelfstandig bestaan gaat leiden naast de Heilige Schrift en opereert met begrippen, stellingen en systeemvorming, die hun bron vinden meer in het menselijke denken dan in de Schrift zelf, die trouwens elke systeemvorming ver te boven gaat en daarom ook niet toelaat.
Maar deze misvorming van de theologie sluit het gelovig theologisch bezigzijn met de Heilige Schrift in algehele onderwerping aan haar gezag en inhoud daarom nog niet uit.
Als ik het wel zie, vindt het 'Ingezonden' zowel van de heer Bonker als van drs. Buwalda zijn achtergronden in de afwijzing van in elk geval de eerste, af te wijzen, vorm van theologiseren, maar de kernvraag is of daarmee mijn artikelen terecht worden gekwalificeerd en gecritiseerd. Ik meen dat dit niet het geval is en dat vooral drs. Buwalda hier spoken ziet.
Wat voor theologisch begrippenmateriaal heb ik dan toch wel gehanteerd?
Ben ik om maar iets te noemen uitgegaan van een bepaald 'begrip' van mondigheid, van het ambt, van ambtsdienst en dergelijke?
Het tegendeel is het geval. Ik heb nagegaan wat de Bijbel zèlf zegt over de mondigheid van de gemeente, een bijbelse term overigens, en heb daarnaast als in het voorbijgaan enkele opmerkingen gemaakt over de taak van de ambtsdragers, zoals de Schrift zèlf daarover spreekt. Als dàt 'theoretisch geknutsel' is, dan kan heel de Institutie van Calvijn ook zo genoemd worden en ook de Confessie van de kerk zelf, want ook daarin vinden we de leer der kerk uit heel de Schrift samen gelezen. Dit wat de achtergrond betreft van Drs. Buwalda's 'Ingezonden'.
Hij heeft daarnaast bezwaar tegen de inhoud van wat ik schreef: ik zou een twee-klassenleer distilleren uit de Schrift: ambtsdragers enerzijds en gemeente anderzijds. De lezer oordele zelf! Drs. Buwalda vervalt hier zelf tot het in systeem brengen van wat de Schrift ons leert: De ambtsdragers worden uit de gemeente gekozen en blijven tot haar behoren en hebben daarnaast o.m. een taak in de gemeente, in 't leiden en weiden vàn de gemeente. Moeten we dat in 'systeem' zoeken te brengen bv. door het niet aan de Bijbel ontleende(!) begrip van 'organische gemeenschap' of moeten we deze twee dingen rustig naast elkaar laten staan, omdat de Schrift zo spreekt? En zo het wonder van Christus eerbiedigen?
In mijn derde artikel schreef ik tot slot dat voor de ambtsdragers geldt de zo verantwoordelijk stellende uitspraak van de apostel: Gods medearbeiders zijn wij en voor de gemeente het heerlijke woord van dezelfde apostel: Gods akker, Gods bouwwerk zijt gij. Ik citeerde hierbij 1 Cor. 3 : 9 letterlijk. En dit zou dan zijn het distilleren van de afgewezen tweeklassenleer uit de Schrift! Nu gaf ik geen exegese als zodanig van deze tekst en ik ga geheel met die van drs. Buwalda accoord. Maar het is zonder meer duidelijk dat de apostel hier wel de ambtsdragers en de gemeente onderscheidt, wat iets anders is dan ze van elkaar te scheiden. En dat hij deze tekst schrijft ter afsluiting van het voorgaande: het afwijzen van de persoonsverheerlijking van de ambtsdragers, ik zou liever zeggen boven elkáár dan boven de gemeente, neemt niet weg dat hij hem ook schrijft ter inleiding op wat volgt: het wijzen op de verantwoordelijkheid van de ambtsdragers (vers 10 v.v.) en om de heerlijkheid van de gemeente als Gods werk nader in het licht te stellen. Grosheide wijst hierop verschillende keren in zijn grote commentaar.
Het is blijkbaar vaak moeilijk om elkaar recht te beoordelen. Drs. B. schrijft dat ik wat erg naief (!) meen dat een theoloog zijn 'begrippencomplex' zonder meer aflegt bv. bij zijn emeritaat of naast zijn vrouw zittend onder de preek. En hij kwalificeert dit als mijn 'slottirade' . Maar ik schreef dit in antwoord op de beschuldiging van br. Bonker dat ik met de aanhaling van 1 Cor. 3 : 9 mijzelf en eventueel de ouderlingen tot apostel(en) zou promoveren. Ik wees uit het verband aan dat dit woord van Paulus terecht kan toegepast worden op de ambtsdragers in de loop der eeuwen en dat ik daarbij als emeritus juist niet dacht aan mijzèlf maar dat ik me als gewoon gemeentelid in Nijverdal blij en dankbaar schaar onder de ambtelijke leiding van de ouderlingen en de prediking van ds. Bax, zodat ik de woorden Gods akker, Gods bouwwerk met dankbaarheid ook aan mijzelf dacht. Wat br. Buwalda hiervan maakt, lijkt eenvoudig nergens op.
Voor wat mij betreft kan hiermee de discussie gesloten worden. Een en andermaal heb ik mijn bedoelingen getracht te verduidelijken tegen mistekening.
Mijn artikelen mogen verder voor zichzelf spreken.
Nijverdal G. Janssen