Zijn wij luxe kerken? (1)

1981-09-25
  • Jaargang 25
  • nummer 34
In het nummer van 28 augustus j.l. publiceerde Kerknieuws een interview met ds B. J. F. Schoep naar aanleiding van het feit dat vijftien jaar geleden de onder ons bekende Open Brief verscheen. 'De onder ons bekende' zeg ik nu wel zo snel, maar ik geloof dat ik rekening moet houden met een behoorlijk deel in ons midden dat van een Open Brief helemaal niets (meer) afweet. En ik moet zeggen dat ik nauwelijks de vrijmoedigheid heb, daarin enige verandering aan te brengen, want om zoiets belangrijks gaat het niet eens. Maar ds Schoep heeft bij de totstandkoming van die brief een belangrijke rol gespeeld en vandaar bij deze gelegenheid dit interview met hem in Kerknieuws. Dat ik erover schrijf vind z'n oorzaak uiteindelijk niet in het actuele van het onderwerp, maar in het feit dat genoemde ds Schoep, thans predikant in de Gereformeerde Kerk van Gouda, aan het eind van het gesprek enige opmerkingen heeft gemaakt over het bestaansrecht en de bestaanswijze van onze Nederlands Gereformeerde Kerken. Het was terecht dat de interviewer hem daartoe in de gelegenheid stelde, want het ontstaan van onze kerkengroep heeft inderdaad iets te maken met de verschijning van die open brief van destijds, al wordt dat verband, met name van de zijde van de Vrijgemaakte Gereformeerde Kerken, schromelijk overdreven.
Het gaat me nu voornamelijk om dit woord van ds Schoep: "Ik vind die Nederlands Gereformeerde Kerken ook wel een beetje een luxe kerk: om er nu dominees op na te houden voor zo'n twee- of driehonderd mensen in een vaak regionale gemeente. Zouden deze mensen nu echt niet in een andere kerk plaatselijk kunnen meefunctioneren?"
Maar voordat ik op deze woorden inga - waarin ds Schoep iets pijnlijks maar waars aanraaktwil ik me ook zelf nu aan een kleine beschouwing over die Open Brief te buiten gaan.

Laat ik dan beginnen met te zeggen dat ik nog altijd blij ben dat ik onder die brief mijn handtekening niet gezet heb. Het is me wel gevraagd, maar mijn vrouw herinnert zich dat ik daar na één keer lezen direct mee klaar was: dit niet! Dit ben ik niet! Tegelijk zeg ik dat ik nog blijer ben met het feit dat ik mij van meet aan verzet heb - niet maar theoretisch en op afstand, maar ook toen ik voor ingrijpende beslissingen gesteld werd - tegen kerkelijke tucht over ambtsdragers die de brief wèl ondertekend hadden. Zoiets kon alleen maar opkomen bij mensen die sterk door kerkelijk machtsdenken waren aangetast, vond ik. "Vijfentwintig 'leiders' in één hetze tegen de Open Brief uitschakelen - zo'n stok om de hond te slaan krijgen we nooit meer in handen".
Nee, ik ben blij dat ik daar niets van op m'n geweten heb.
Maar ik moet eerlijk zeggen dat dat kerkelijke machtsdenken niet helemaal aan één kant te vinden was.
De Open Brief zelf ervoer ik ook zo. Sámen een vuist maken tegen een kerkelijke overmacht. Het was toch wel een imponeren met getallen en namen. Nee, als er zonden bestraft moeten worden in de kerk, dan ga ik liever in de leer bij de bijbelse profeten die in de kwetsbaarheid van hun enkele persoon zeiden wat er gezegd moest worden.
Natuurlijk bedoel ik niet te zeggen dat je niet met anderen zou mogen overleggen wat je meent te moeten gaan bestraffen, maar doe het als 't even kan wel zelf. Het grote voordeel daarvan is dat je dan ook volledig baas bent over je eigen woorden. Je kunt terug nemen wat je verkeerd gezien hebt en met andere woorden zeggen wat niet goed begrepen is. Maar juist in deze vrijheid waren de ondertekenaars als belaagde groep beknot.
Ze voelden zich vanwege de druk die op hen uitgeoefend werd, aan elkaar verplicht tot een te grote solidariteit. Dat bleek toen sommigen werden aangevallen op passages waar ze zelf ook niet zo gelukkig mee waren, maar waar ze om de medeondertekenaars niet af te vallen, toch niet van terugkwamen.
Daar wreekte zich de keuze van dit ongeestelijke middel.

Met de inhoud van de brief zelf was ik trouwens ook niet zo gelukkig.
Er waaide me een theologische lucht uit tegemoet die mij deed denken aan die zijde van Bavinck, die ds Buskes enige tientallen van jaren eerder via het Hersteld Verband in de Hervormde Kerk gebracht had.
Ds Schoep, de oorspronkelijke maar niet gangbare denker in ons midden, was gewoon niet de geëigende persoon om een zodanig stuk op te stellen. Daarvoor was hij met zijn denken te weinig insider. De brief, als hij dan toch geschreven moest worden, had uit de pen van ds Visee moeten komen. Dan waren de grondtonen van de Vrijmaking er veel meer in te horen 'geweest. En - nu even afgezien van het denkklimaat - hij had in ieder geval opgesteld moeten zijn door iemand die zich heilig voorgenomen had om wat er ook gebeurde vrijgemaakt te blijven. Een kerkscheuring naar aanleiding van deze brief was te voorzien door ieder die niet helemaal naïef aan het kerkelijke leven van die dagen deelnam. In ieder geval was duidelijk dat dit schrijven voor grote deining zou gaan zorgen. Daarom is het voor veel Nederlands Gereformeerden altijd nog een moeilijk te verteren zaak dat nota bene de opsteller van de Open Brief zich kort na het conflict liet wegberoepen naar een ander kerkverband. Daaruit bleek achteraf dat zijn kritiek op het vrijgemaakte kerkelijke leven van die dagen, zoals neergelegd in dat stuk, niet vanuit een 'wij' - maar vanuit een 'zij' -houding geschreven was.
Wat bedoel ik hiermee? Wel, wie kritiek spuit op de kerk waarvan hij deel uitmaakt, moet zorgen dat hij over die kerk in 'wij'-termen en niet in 'zij'-termen denkt, m.a.w. dat hij een opstelling heeft van 'right or wrong, my church!', of wel: 'mal of mooi, mijn kerk!' Je maakt jezelf m.i. volkomen ongeloofwaardig, als je zulke ernstige kritiek als van de Open Brief 'in het midden van van de kerken' (zoals tot tweemaal toe in het interview staat) neerlegt en dan een klein tijdje later opstapt.
Kerknieuws mag dan lovend vaststellen dat ds Schoep over deze zaak pas na vijftien jaar weer publiek spreekt, maar om mij hadden daar nog wel vijftien jaar bij mogen komen en nog liever hoorde ik hem over deze zaak helemaal nooit meer.

Maar kan ik dat wel waarmaken als ik zeg dat ds Schoep te weinig insider was? De interviewer heeft hem de vraag gesteld of hij zich wel ooit echt thuis gevoeld heeft binnen de Vrijgemaakte Kerken en daar heeft hij toch volmondig 'ja' op geantwoord.
In zeker opzicht is dat ook zo. Ds Schoep was onder ons een goede collega aan wie we allen met groot respect terugdenken, vooral wanneer we ons herinneren op hoe fijne, diepe en indringende wijze hij onder ons het evangelie bracht. Maar ds Schoep zou zich zelf eens deze vraag moeten stellen: binnen welk kerkverband heb ik nu meer con amore gediend, binnen het vrijgemaakte of binnen het synodale? En dan zou het eerlijke antwoord moeten zijn: binnen het laatste. En dat is toch niet iets dat er helemaal pas achteraf uitgekomen is. Dat zat er van meet aan in.
Ds Schoep's binnenkomen in de Gereformeerde Kerken was voorbehoudsloos, getuige de vraag in Bodegraven: zuIt u tot de verontrusten behoren? en het antwoord daarop: nee, ik zal niet tot de verontrusten behoren. Een antwoord dat pij ook helemaal waar gemaakt heeft. Maar in de vrijgemaakte kerken heeft ds Schoep vanaf zijn binnenkomen in 1945 tot de verontrusten behoord met een verontrusting die in de loop der jaren alleen maar toegenomen is. Dat blijkt uit het interview zeer duidelijk en dat wisten we ook wel. De voorbehouden waaronder hij vrijgemaakt was, waren vanaf het begin met de handen te tasten. Wat ik nu beweer is dit: ds Schoep verkeerde niet in de positie om een zodanig stuk als de Open Brief (die de eenheid binnen de Vrijgemaakte Kerken duidelijk op het spel zette) te schrijven. Hijzelf had het niet moeten doen en zijn omgeving had het van hem niet moeten vragen. De mensen van het Getuigenis zitten vastgebakken aan de Hervormde Kerk en de Verontrusten zijn niet weg te slaan uit de Gereformeerde Kerken, omdat ze hun kerk zo lief hebben, maar de opsteller van de Open Brief had duidelijk een te zwakke band aan de kerken die hij met zijn stuk onder zo scherpe kritiek stelde. Maar hier zien we maar weer eens, hoe tegenover een kleine kerk meer geoorloofd lijkt dan tegenover een grote.

Laat niemand menen dat ik deze dingen vanuit een torenhoge onaantastbaarheid zeg. Mijn eigen kerkelijke verleden van die dagen is ook niet smetteloos. Ik heb in de tijd van het conflict in Wageningen mijn ambt neergelegd, wat zeg ik: neergesmeten, uit vertwijfeling en verontwaardiging. Daar heb ik wel schuld over beleden tegenover God en mensen, maar toch knaagt het nog wel eens aan me, dat ik toen zo mijn Opdrachtgever uit het oog verloor. Als Mozes slóeg ik toen op de rots in plaats van ertegen te spreken, en we weten allen hoe zwaar hem dat is aangerekend. Het beschuldigende vingertje moet dus achterwege blijven. Het gaat er in deze nabeschouwing over dat we leren van onze fouten. En dan is dit nu aan de orde: hoe stellen we de kerk waartoe we mogen behoren onder de nodige kritiek? Daarop is het antwoord dat dat alleen maar kan vanuit een sterke binding en een grote liefde. Geen binding aan . personen en geen liefde tot bepaalde mensen, bijvoorbeeld een charismatische leider, maar binding aan en liefde tot het meest eigenlijke wat de kerk waartoe je behoort voorstaat. Wat was dat dan in dit geval en wat is dat nog steeds? Ds Schoep en de Open Brief hebben de Vrijmaking gezien als slechts een broedertwist. Nu, dat was ze ook wel, maar niet uitsluitend. De vrijmaking had haar achtergrond in de Schriftbeweging van de dertiger jaren. Het weer met nieuwe ogen lezen van de Bijbel als het boek van het levende, konkrete en aktuele spreken van de Here God.
Het is opmerkelijk dat je daarover niets leest in de Open Brief en ook in dit interview wordt deze achtergrond met geen woord genoemd.
Toch is ons nu juist dat in de Vrijmaking meegegeven als het talent waarmee we moeten woekeren. En als je daar geen oog voor hebt, als je je vrijmaking of buitenverbandgeraking alleen maar vult met een 'nee' tegen dit of dat, dan red je het niet in de Vrijgemaakte of in de Nederlands Gereformeerde Kerken.
Dan is de eerstvolgende misstand in die kerken de gelegenheid die je aangrijpt om af te haken. Wij zijn zelf op het ogenblik als Nederlands Gereformeerden in de situatie dat het 'nee' waaruit we geboren zijn begint op te raken. En we zien voor ogen hoe mensen het op lichtvaardige wijze ergens anders gaan proberen (zoals ze je al of niet goedmoedig toevoegen). Het is ook begrijpelijk.
Een kerk kan van 'nee' alleen niet leven, ook niet als dat 'nee' de vorm heeft van een 'gezamenlijke afkeer van strakke kerkelijk-institutionele instellingen', zoals de interviewer zich uitdrukt. Er moet iets belangrijkers zijn en dat is er ook. Het is dat talent van· het nieuwe SchriftIezen waarover ik het eerder had, waarvan ik niet beweer dat het alleen maar bij ons te vinden is, maar wel dat we daar in bijzondere mate mee gezegend zijn: dat de Here God met het konkrete spreken van zijn Woord telkens weer door alle theologische bedenksels heenbreekt, waardoor de theologie altijd opnieuw uit haar positie van vooringenomenheid verjaagd wordt en vernederd wordt tot een (nuttig) achterafpraten. Welnu, van dit talent heb ik gevonden dat het in de Vrijgemaakte Kerken van de vijftiger en zestiger jaren steeds meer in (en met!) de zweetdoek begraven werd. Men is te snel op het conserveren van de winst uit geweest. Men heeft het gevondene ook te snel op het sterke water van de Belijdenis gezet. Terwijl toch de Belijdenis, hoe mooi ook en hoe dicht ook bij de Schrift, óók tot de theologie behoort. Men had het moeten aandurven om tegen de vaders in het geloof te zeggen: houden jullie nu eens een poosje je mond; wij menen een geluid uit de Schriften op te vangen dat we nog niet eerder vernomen hebben en waar we eerst een poosje naar willen luisteren zonder door bijgeluiden gestoord te worden. Men heeft het niet aan gedurfd. Begrijpelijk.
Ik ben zelf als mens en als christen ook niet zonder mijn angsten en ik zal niemand verachten die zegt: ik ben bang dat ... Maar jammer is het wel. En als u mij nou vraagt: waarom ben je Ned. Gereformeerd?, dan zeg ik: om de draad die we toen uit handen hebben laten vallen, weer op te pakken. De lezer begrijpt dat ik vanuit deze bezieling voor de Open Brief van destijds toen en nu slechts geringe belangstelling kan opbrengen. Als waarschuwing tegen kerkisme en confessionalisme, - ja, maar de visie waaruit die waarschuwing voortkwam, is een totaal andere dan de mijne en heeft weinig met de vrijmaking te maken. De volgende keer gaan we verder.

(wordt vervolgd)

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief