WIJZE BEDOELING

1981-09-25
  • Jaargang 25
  • nummer 34
Twintig jaar geleden schreef dr. A. P. Muys uit Zeist in dit blad over het noodlotsdenken van de Grieken en de Romeinen.
Aanvankelijk dachten zij, dat de goden de loop der dingen in de hand hadden. Later leraarden ze, dat zelfs Zeus, de hoogste, gebonden was aan het lot, dat vastlag. Nog weer later verkondigden ze, dat de tegenspoeden groot nu hadden. Men moest maar niet trachten onheilen af te wenden.
Ik moest aan dat betoog van dr. Muys denken, toen ik in het ziekenhuis met iemand gebeden had om herstel. De pijn was ondragelijk. De patiënt in het bed ernaast vond dat ik verkeerd bad.
Een mens z'n tijd is immers toch bepaald, daar verander je met je bidden niets aan, en alles is goed voor een mens, ook zijn ergste ziekte. God wil hem er misschien iets mee leren. En dat ik in m'n smeekgebed gezegd had: Here, U ziet toch wel hoe Uw kind lijdt, dat mishaagde mijnkritikus ten zeerste. Want door geen bekommeringen, geen klagen en geen pijn laat God zich iets ontwringen.
Dat had hij uit het bekende: "Beveel gerust uw wegen", Liedboek 427.
Ik heb gewezen op Exodus 2 en 3.
Je leest daar eigenlijk niet eens, dat Israël tot God roept. Wel dat ze jammeren over hun drijvers.
Toch zegt de HERE God: Ik heb het terdege gehoord en gezien en Ik ben neergedaald om hen te verlossen.
Ik heb nog nooit iemand kunnen troosten met de woorden, dat God met het leed zijn wijze bedoeling zal hebben. "Het nut der tegenspoeden".
Als iemands leven stukgeslagen was, heb ik wél gezegd dat de Here het óók: ziet en dat Hij zeker zal nederdalen om te helpen. Ik voelde goed, dat ik eigenlijk niet troosten kon en dat Gód komen moest om de tranen van de ogen af te wissen.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief