Paulus in Athene
1981-10-02
[Hand. 17: 15-34] (2) - Jaargang 25
- nummer 35
In Athene
Paulus wordt door de filosofen naar de Areópagus gebracht. Dit is een rotsachtige heuvel, liggend in het Westelijk stadsdeel van Athene, ten Zuiden van de 'Markt. Wellicht was deze heuvel gewijd aan de Griekse oorlogsgod Ares, maar over de naams verklaring wordt getwist. De naam zou nl. ook kunnen betekenen: "Heuvel der Vergeldingsgodinnen" of "Vloekheuvel" .
Sedert oude tijden was de Areópagus een heilige plaats, waar de graven lagen van koningen en edellieden, die geregeerd hadden tijdens de voorgaande duizend jaren. Hier werden doodvonnissen uitgesproken over diegenen, die zich aan een vergrijp schuldig hadden gemaakt, waarop zulk een straf stond. De naam "Areópagus" gaat na verloop van tijd over op een zeer oud en eerwaardig college, bestaande uit voormalige hoge bestuursambtenaren.
De wetgeving werd door dit Hooggerechtshof beheerst; tevens diende de Areópagus belangrijke besluiten op politiek terrein te nemen, daar hij de bestuursambtenaren van de staat controleerde. Sinds plm. 500 voor Chr. begint de inperking van zijn macht, welke hij in feite plm. 460 voor Chr. heeft verloren; alleen het recht om vonnis te wijzen in moordzaken blijft hem voorbehouden. In de Romeinse tijd is de Areópagus een soort gemeenteraad, die toezicht houdt op religie en zeden.
Onzekerheid bestaat over de vraag, of Paulus nu op de "Areópagusheuvel" gestaan heeft, ja of neen. De situatie ter plaatse in ogenschouw genomen hebbend, concludeert prof. dr. A. Sizoo, dat op de heuvel het gewoel en lawaai van de in de diepte liggende markt praktisch niet te horen zijn, zodat mensen die eens rustig een redenaar wilden horen, hem daarheen kunnen hebben gebracht. Andere onderzoekers beweren echter, dat Paulus gesproken heeft in een der publieke zalen van het raadhuis der Areópagieten, dat aan de Markt lag, niet ver van de heuvel. Met de nodige twijfel houd ik persoonlijk 't er maar op, dat Paulus op de top van de rots gestaan heeft. Hoe dit ook zij: blijkens de- oorspronkelijke tekst uit Hand. 17: 22, heeft Paulus niet zozeer voor de (Raad der) Areópagus gestaan, als wel midden tussen de raadsleden en filosofen in, met andere woorden ze zaten in een (halve) kring om hem heen.
Het panorama vanaf de heuvel is imposant: beroemde standbeelden, de tempel van de oorlogsgod Ares, de machtig boven de Areópagus uittorende tempel van de stadsgodin van Athene (het Parthenon), een gebouw dat bijna vijf eeuwen oud was en welks marmer nog altijd even gaaf was, als was het de vorige dag afgeleverd; het symbool van de eeuwige en de eeuwen trotserende heidense godsdienst!
Uitgerekend hier staat Paulus, de op 't eerste gezicht kleine Joodse man met z'n vereelte werkhanden, dat tentenmakertje uit Tarsus, tegenover het puikje van de Griekse beschaving. En man, die nader beschouwd echter - wat kennis van de wereld van zijn tijd betreft - niet onderschat moest worden. (Dat bleek al in het vorige artikel!). Een man, wiens vader (waarschijnlijk een rijke handelaar in tapijten) het Romeinse burgerrecht door koop verkregen had, zodat zijn zoon Paulus van geboorte Romein was (Hand. 22 : 28). Maar bovenal een man, die niet onderschat mocht worden, omdat hij Gods gezant was!
Paulus' rede, zoals die in de Handelingen vermeld staat, is zeker geen letterlijk opgenomen verslag van het gesprokene en moet derhalve wel een in uittrekselvorm gegoten weergave zijn. Het is nl. niet aannemelijk, dat Paulus slechts enkele minuten gesproken heeft. Wie heeft deze rede opgetekend? Hij zelf? Het is mogelijk, maar waarschijnlijker is, dat de schrijver van Handelingen, Lucas, van de rede van Paulus indirect kennis genomen en deze in zijn boek verwerkt heeft.
Het eigenlijke betoog is goed van stijl, zeer tactvol en zeer scherpzinnig, kortom, pluspunten, die een gemis aan overdadig sierlijke welsprekendheid ruimschoots vergoeden. Paulus begint de stad te prijzen die zo buitengewoon godsdienstig is. Er klinkt een zekere beleefdheid tegenover zijn toehoorders in door: "U moet wel een buitengewoon ontzag voor godheden hebben". Maar een critisch toehoorder kan in de hier gebruikte Griekse uitdrukking ook een afkeuring gehoord hebben, nl.: "U bent buitengewoon bevreesd voor demonen". Paulus grijpt tenvolle de mogelijkheid aan in te spelen op het verkondigen van "de onbekende God" en brengt de Atheense filosofen op die manier juist hun onwetendheid onder ogen. "Deze God woont niet in tempels met mensenhanden gemaakt; Hij laat Zich ook niet door mensenhanden (die nl. geschenken aandragen) dienen, alsof Hij nog iets nodig had .... ". Hiermee bedoelt Paulus de in Griekenland algemeen gebruikelijke wijdingsgeschenken, zoals wierook, spijs- en drankoffers. (Deze laatste waren tevens bron van inkomsten voor diegenen, die in het heiligdom dienst deden). Voorts werden de godenbeelden wel met kostbare gewaden bekleed, een gebruik, dat later overigens in de Westerse Mariaverering voortgezet zal worden!
Paulus weet de Atheners te boeien, als hij er blijk van geeft de werken van hun dichters goed te kennen en evengoed het Grieks te beheersen, hoewel hij het misschien sprak met het accent van iemand, die uit het Oosten van het Middellandse-zeegebied kwam. (In dit verband mag, dacht ik, de vraag gesteld worden, of we - met het doel de ander te winnenvaak niet onszelf tot op zekere hoogte in de leef- en denkwereld van die ander moeten verplaatsen, om zo een aanknopingspunt voor een gesprek te vinden.) De man uit Tarsus vervolgt namelijk: "Want in (beter vertaald: "door") Hem leven wij, bewegen wij ons en zijn wij, gelijk ook enige van uw dichters hebben gezegd: .,. Want wij zijn ook (van) zijn geslacht ... ".
Het eerste gedeelte van dit citaat is wellicht afkomstig van een zekere Epimenides van Kreta (6e eeuw voor Chr.). Paulus gebruikt juist déze heidense versregel - die Zeus (de Griekse oppergod, ook wel de "Vader der goden") op 't oog heeft - om de scheppingsmacht van de Drieënige God en Zijn voorzienigheid aan te duiden.
Met de tweede hier vermelde versregel" ... Want wij zijn ook zijn geslacht ... ", haalt de apostel de Stoïcijnse dichter Kleanthes (3e eeuw voor Chr.) aan. Deze had een beroemd gedicht, de "Hymne aan Zeus" geschreven.
Paulus spreekt echter in Hand. 17 : 28 van dichters, want een andere dichter, nl. Aratos (plm. 315-240 v. Chr.) uit de plaats Soli in de landstreek Cilicië had in een gedicht, getiteld: "De Verschijnselen" (nl. aan de hemel) bovengenoemde "Hymne aan Zeus" opgenomen en de apostel, die, zoals u weet, eveneens uit Cilicië kwam, zal naar alle waarschijnlijkheid het litereraire werk van zijn streekgenoot min of meer gekend hebben.
Deze geluiden klinken met name de Stoïcijnse filosofen aangenaam in de oren: eenheid van de mens met de godheid, of ook wel met de goddelijke gedachte natuur, dus pan-theïsme! Direct daarop echter gaat de denkwijze van Paulus logisch verder: "Als dàt dan zo is, dàn is God ook niet van goud, zilver of steen. Immers, wij, levende menselijke schepselen kunnen niet afstammen van dode materialen, derhalve leeft de God, wiens afstammelingen of schepping wij zijn". Met een werkelijk op Griekse denkwijze stoelende wending in zijn betoog maakt Paulus zodoende duidelijk, dat niet de "gouden, zilveren of stenen Vader der goden", Zeus, maar de aan de Grieken "onbekende' God" de redder der wereld is. "Hij - en niet Zeus - zal op Zijn tijd de wereld rechtvaardig oordelen door Jezus Christus, die Hij ten bewijze van Zijn almacht uit de dood opgewekt heeft".
Door mensen, die Paulus' redevoering in later eeuwen in de Bijbel lazen, is hem wel het verwijt gemaakt, dat hij - hoewel hij zich bij andere gelegenheden zo weinig verdraagzaam tegenover heidense gedachten opsteldehier zo verregaand meepraat met heidense wijsgeren, alsof God een soort "wereldziel" zou zijn, waarvan het heelal doortrokken was. Dit verwijt is niet steekhoudend, omdat hij - na zijn bekering op de weg naar Damascus en de daaruit voortvloeiende breuk met het orthodoxe Jodendom in Christus Jezus geen onderscheid meer tussen Jood of Griek, slaaf of vrije kende (Gal. 3: 26-28). Paulus bestrijdt daarentegen met dezelfde energieke hartstocht waarmee hij vóór zijn bekering het Christendom bestreed, nu het heidendom. Daarbij is hij bij de Joden geworden als een Jood om Joden te winnen, hun die zonder wet zijn (bijv. Grieken), is hij geworden als iemand zonder wet, om ook dezen te winnen (1 Cor. 9 : 20-21, Rom. 10: 12).
Hij bestrijdt de Epicureïsche leer, die alle voortbestaan van de ziel na de dood ontkent, door duidelijk te maken: "Er is eeuwig leven"; eveneens de leer der Stoïcijnen, die Pan-theïsten, die Ieren, dat de mens was van Gods geslacht en dat het dus mogelijk was te streven naar volmaakt (menselijk) oordelen, (menselijke) zelfbeheersing, absolute (menselijke) rechtvaardigheid. Paulus zegt: "God alleen zal op een door Hem bepaalde dag de aardbodem rechtvaardig oordelen" en dit houdt in, dat de mens bedorven en in zichzelf verloren is.
Als de wijsgeren en raadsheren van de Areópagus horen van een voor hun knap mensenverstand zo onbegrijpelijk gebeuren als de opstanding, dan bladdert bij hen het vernisje van geamuseerde beleefdheid als bij toverslag af; onder de vernislaag worden de schrille kleuren van de spotternij duidelijk zichtbaar, want" .. de Grieken zoeken wijsheid, (... ) een gekruisigde (en opgestane) Christus (... is) voor (deze) heidenen een dwaasheid" (1 Cor. 1 : 20-25). De andere filosofen laten zich meesleuren door de spotternij; zij' proberen nog een schijn-beleefde wending aan het ruw onderbreken van Paulus' woorden te geven, door vergoelijkend te verklaren: "Houd voorlopig maar eens op man, een andere keer beter!"
Nu zoudt u een verkeerde indruk krijgen, als u dacht, dat de afgoden in Athene tijdens de eerste eeuw na Christus zó'n macht over de geleerde mensen hadden, dat het evangelie geen vat op hen kon krijgen. Neen, het is veel erger: de wijsgeren geloven in deze periode van rijpe na-bloei der Griekse cultuur zèlf allang niet meer in hun goden; voor hen telt alleen het leven op déze wereld, het individuele zieleheil. Ze beweren, dat alleen de "Deugd" gelukkig maakt. Voorts heeft men naar hun mening een hoge graad van geluk bereikt als men alle slagen van het Noodlot met ongevoeligheid (het Griekse woord staat gelijk met ons woord "apathie"!) en onverstoorbare gemoedsrust tegemoet treedt. Met recht kan gesteld worden, dat de MENS in de harten der filosofen als een god op de troon zit!
"Maar zijn al die mooie tempels en beelden, die dan toch maar eerbiedig in stand gehouden worden, niet met het bovenstaande in tegenspraak?" zult u vragen. Dàt zijn slechts formalistisch-verstarde overblijfsels, bewaard als herinneringen aan een groots verleden. (Zien we vandaag in de Christelijke kerk in West-Europa en Amerika, of die nu protestant of katholiek is, niet eenzelfde ontwikkeling als in Paulus' dagen??!) Zo verlaat Paulus Athene en Athene vergeet hem. Toch schiet zelfs in deze omgeving het Evangelie wortel: een raadsheer van het .Areöpaguscollege", Dionysius en een vrouw, Dámaris en anderen met hen komen tot geloof. Zo zien we, dat Gods Woord nooit ledig terugkeert, maar dat het zal doen wat Hem behaagt (Jes. 55: 11).
Wat is er nu - zoveel eeuwen later - eigenlijk terechtgekomen van de Epicureïsche en Stoïcijnse leer? Ze is als systematische School totaal verdwenen; haar aanhangers zijn in 't stof der eeuwen begraven. Athene heeft echter meer van Paulus gehoord en van de door hem verkondigde "onbekende God". Ongeveer in 't jaar 435 na Christus werd het Parthenon - in welks schaduw Paulus eertijds zijn rede had gehouden - als een Christelijke kerk gewijd aan de Heilige Wijsheid en duizend jaar lang bleef het een Christelijke kerk. In 1687 ontplofte in de tempel opgeslagen buskruit en het beroemde bouwwerk werd gereduceerd tot de ruïne, die er vandaag nog staat. De prachtige standbeelden zijn verdwenen en de Parthenontempel mag men momenteel als toerist niet eens meer bezoeken, omdat de resten ervan te zeer door de tand des tijds zijn aangetast! Wat zou een Stoïcijn of een Epicureeër hebben gezegd, als hem, onder zijn hoongelach, was verteld, dat Christus het Partenon langer zou bewonen dan de stadsgodin Athena het had bewoond en nog zou bewonen?
De leer die de onaanzienlijke "betweter" Paulus bracht, is echter de eeuwen doorgegaan en zal doorgaan tot aan het eind der dagen, omdat de wijsheid dezer wereld dwaasheid voor God is geworden (1 Cor. 3 : 18b-20) en het Woord des Heren in der eeuwigheid blijft bestaan (1 Petr. 1 : 25).