Boekbespreking
1981-10-02
"Voor mij hoeft het niet meer"- Jaargang 25
- nummer 35
Mink Rijsdijk Uitgever: Kok, Kampen 88 blz. - f 12,50
Onder de misschien wat al te populaire titel "Voor mij hoeft het niet meer" schreef Mink Rijsdijk een boekje over zelfmoord en zelfmoordpoging.
De bedoeling van haar geschrift is het doorprikken van het taboe en het onderwerp zelfmoord bespreekbaar maken. Daarvoor verschaft zij in dit geschrift heel wat informatie over zelfmoord, suïcide of ook wel zelfdoding genoemd.
Mink Rijsdijk kan goed schrijven.
Het boekje is vlot te lezen. Ze slaagt er ook in begrip te wekken voor hen, die zelf een eind aan hun leven maken.
In veel opzichten is het boekje leerzaam.
Toch bevredigt mij dit geschrift niet.
Soms wordt de stof wat slordig behandeld.
Op blz. 12 bestrijdt ze bv. de opvatting, dat praten en publiceren altijd aanstekelijk zou werken. Maar het bezwaar is, dat spreken en publiceren hierover bij bepaalde personen aanstekelijk werkt.
Van Jan van Schaffelaar vertelt zij, dat hij liever zijn dood tegemoet sprong dan zich over te geven. Het verhaal over de vermoedelijk niet historische van Schaffelaar is, dat hij van de toren sprong om voor anderen vrije aftocht te krijgen.
De behandeling van de zelfmoorden, waar de Bijbel over spreekt, bevredigt ook niet. De moeilijkheid, zo schrijft zij, om de Bijbel als richtsnoer te nemen is, dat de Bijbel maar weinig zelfmoorden vermeldt en daarbij in geen enkel geval sprake is van veroordeling of afkeuring.
Dit lijkt me niet de juiste methode om tot een ethische beoordeling van zelfdoding te komen.
Over het menselijk lijden geeft ze een zeer aanvechtbare beschouwing. Ze kan niet onvoorwaardelijk geloven in de liefdevolle leiding van God. "Mijn geloof is misschien juist wel door de onstellende dingen die mensen elkaar menen te mogen aandoen, heengetild over zondag één van de catechismus".
Een dergelijke vergaande uitspraak zou toch wel een brede toelichting nodig hebben. Het is bovendien weinig logisch om de liefdevolle leiding van God te verwerpen op grond van de ergerlijke dingen, die mensen doen.
Ze gooit hen, die zich zelf doden, ook te veel op één hoop. Als men de ene zelfmoordenaar een held en de ander een lafaard noemt, vindt ze dat een dubbele moraal.
Maar daar zijn grote verschillen tussen hen, die zelf hun leven beëindigen.
Zo zijn er grensgevallen, waarin zelfdoding legitiem kan zijn.
Ik denk aan iemand, die foltering en verraad van vienden wil ontlopen.
Er zijn gevallen dat zelfdoding zo zeer het karakter van offer krijgt, dat men de daad moeilijk veroordelen kan. Al in 314 heeft een synode uitgesproken, dat zelfdoding om schande (geweldpleging) te voorkomen, geoorloofd is.
Dat is toch weer heel wat anders, als iemand die bv. wegens financiële moeilijkheden een eind aan zijn leven maakt.
Het is duidelijk, dat Mink Rijsdijk onder de indruk gekomen is van het boek van Jean Amery "De hand aan zichzelf slaan". Deze bepleit daarin de vrijheid van iedereen om erover te beslissen of hij al dan niet zijn leven wil beëindigen.
Overigens zijn deze ideeën van Amery al bij Nietsche terug te vinden.
Nietsche stelde, dat wie zichzelf schiep en daarmee onbeperkt over zichzelf beschikt, ook het recht heeft zichzelf af te schaffen. Maar de mens heeft zichzelf niet geschapen.
Wel moet aan de schrijfster worden toegegeven, dat christelijke kerken in het verleden te vlug met hun oordeel klaar stonden.
Het 'grootste aantal zelfdodingen is het gevolg van pathologisch te verklaren dwang- Daarom ,moeten wij als mensen oppassen ons hier als rechters op te werpen.
Dat betekent echter niet de erkenning, dat de mens het recht heeft zelf over zijn leven te beschikken. Over dat beslissend punt schrijft zij weinig.
Ze schrijft alleen: "Iedereen die vindt dat alle leven van God is en daarom alleen door God kan worden beëindigd, kan in alle vrijheid eigen visie handhaven".
Haar conclusie is, dat mensen hun opdracht mogen teruggeven, als het geestelijk of lichamelijk volstrekt onmogelijk is geworden je roeping te verstaan en te accepteren.
Deze conclusie lijkt me onaanvaardbaar.
We hebben, zoals Kar! Barth zegt, ons leven slechts in bruikleen. Het is niet van ons. We moeten dit overgeven aan de liefdevolle zorg van God, waarvan zondag 1 spreekt.
Ik vrees, dat het boek van Mink Rijsdijk mensen voor wie het niet meer hoeft, niet kan helpen.
J. Meulink
J. A. E. Vermaat "Wij Nederlanders en de Vrede"
De Banier - Utrecht, 1980 116 pagina's - Prijs f 19,50
Voor vele lezers zal de heer Vermaat geen onbekende zijn. Geregeld is zijn stem in uitzendingen van de Evangelische Omroep te beluisteren, en even geregeld treffen we bijdragen van zijn hand in bladen als "Koers"
of kranten zoals het Reformatorisch Dagblad. Daarnaast heeft hij de afgelopen acht jaar meerdere boeken gepubliceerd, meestal bij "De Banier" uitgebracht.
In ruim honderd bladzijden geeft Vermaat zijn visie op de huidige internationale situatie, pacifistische tendenzen, bewapeningswedloop, en verwante thema. Wie hem kent weet van zijn grote belezenheid en zijn fabelachtig geheugen. Ook dit boek geeft daarvan blijk; allerlei (soms wel provocerende) uitspraken zijn in het notenapparaat van een (door mij overigens vaak niet te controleren) basis voorzien. Alleen die documentaire al maakt het boek waardevol voor wie zich breed en diepgaand - en van verschillende kanten - over het vraagstuk van oorlog en vrede wil laten informeren.
Wie Vermeer kent zal het niet verwonderen dat de schrijver met nadruk op het Russische gevaar wijst en evenmin dat hij uiterst kritisch is op allerlei bewegingen die zich in vredesaktiviteiten sterk maken. Gezaghebbende mannen als Solsenitsyn, Kissinger, Helmut Schmidt en vele anderen worden geciteerd, als hij zich veelal tegen zulke vredesbewegingen opstelt. Met name het Interkerkelijk Vredesberaad en "onze" Professor Goudzwaard moeten het hierbij nogal ontgelden.
Iets meer over de inhoud. Het eerste van de zeven hoofdstukken geeft aan waar ons land in 1940 faalde bij het realistisch taxeren van de oorlogskans.
De vraag naar de analogie met onze tijd dringt zich aan de lezer op. Het tweede hoofdstuk laat Lenin en zijn strategie aan het woord, en werkt die strategie uit in termen van vandaag; de heer Vermaat meent aan te kunnen tonen dat Lenins strategie nog geenszins verouderd of achterhaald is.
In De Taktiek van de Vrede, hoofdstuk 3, wordt o.a. een dissertatie van een Tsjechisch balling aangehaald, er wordt aandacht gegeven aan de 19e eeuwse strateeg Clausewitz en diens invloed op het huidige Sowjet-denken, zoals zich dat tot in allerlei internationale organisaties toe zou manifesteren.
Het vierde hoofdstuk gaat in op de rol die organiasties als het Interkerkelijk Vredesberaad en de aktie "Stop de Neutronenbom" gespeeld hebben en de reaktie daarop in parlement en kabinet. Hoofdstuk 5 is getiteld "De Christen en de Kernwapens": een aantal veel-gehoorde argumenten tegen kernwapens wordt door Vermaat op een rijtje gezet en de juistheid ervan op z'n minst betwijfeld; met name wordt een aantal stellingen van Prof. Douma hierbij met instemming aangehaald. In het zesde hoofdstuk wordt uitvoerig ingegaan op de geschiedenis van Indo-China, en meer recente ontwikkelingen in Vietnam, Laos en (met name) Cambodja. Dit hoofdstuk, dat overigens veel informatie biedt, lijkt op het eerste gezicht wat buiten het thema van het boek te vallen. De schrijver geeft echter aan dat de gebeurtenissen in het Verre Oosten onze ogen moeten doen opengaan voo de verleiding van de ideologie, waaraan ook het slothoofdstuk is gewijd. Het grootste deel van dat hoofdstuk gaat overigens over de invloed van de ideologie in Hitler-Duitsland.
Samenvattend mag ik concluderen dat Vermaat hier "het andere geluid" laat horen - een afwijzing van tegenwoordig veel gehoorde steun aan atoompacifisten en eenzijdige ontwapening.
Voor de lezers die de discussie tussen Professor Goudzwaard en Ds. de Jong in "Opbouw" gevolgd hebben, biedt dit boek mogelijk veel nuttige informatie. Ik kan me daarbij echter niet aan de indruk onttrekken dat laatstgenoemde toch met veel meer begrip op de uitspraken van Professor Goudzwaard reageert dan Vermaat dat doet. Met erkenning van het vele nuttige en relevante in Vermaats argumentatie meen ik toch dat hij onrecht doet aan de gedrévenheid die bij een aantal voorstanders van (ook eenzijdige) wapenbeperking bestaat.
Deze visie hoeft toch niet per se uit politieke naïviteit of ideologische motieven voort te komen, dunkt me.
Maar zoals gezegd, Vermaat is een veel-weter, die goed weet te citeren; politieke ontwikkelingen van de laatste jaren weet hij goed in perspectief te zetten, waarbij hij die gebeurtenissen uiteraard op eigen wijze inter-
.preteert, Aanbevolen voor lezers die zich niet gemakkelijk van het vraagstuk willen afmaken. Het boek is keurig uitgegeven, maar redelijk prijzig.
P. J. van Kampen
Graag vragen wij uw aandacht voor het blad BEWEGING en wel in het bijzonder voor het themanummer 'Bijbel en filosofie', dat is uitgebracht naar aanleidng van het bekende synoderapport over 'Waarheid en schriftgezag', het rapport 'God met ons'.
Als u het blad BEWEGING (nog) niet kent, dan moet u beslist dit speciale nummer eens aanvragen.
En als u het blad al wel kent, maar er nog niet toe kwam om u te abonneren, welnu dan geeft dit nummer alle aanleiding om dat per omgaande te doen.
Graag vertellen we u iets over de inhoud.
Zoals u wellicht weet, draait het in genoemd synoderapport in hoge mate om het 'waarheidsbegrip' , en om de gevolgen die een bepaalde betekenis van het begrip waarheid kan hebben voor de 'bril', waarmee we de Bijbel lezen.
Welnu, zoals het rapport terecht aangeeft, om de betekenis van het begrip waarheid is nogal wat te doen (geweest), met name in de filosofie.
Het is dan ook niet zo verwonderlijk dat het blad BEWEGING ('reformatorisch, wijsgerig, informatief' - motto van het blad) een bijdrage levert aan de diskussie over het synoderapport, vanuit de wijsbegeerte, in dit geval vanuit de reformatorische wijsbegeerte.
In een openingsartikel snijdt prof. dr. ir. E. Schuurman de relatie tussen ons denken en de van God gegeven openbaring aan. Het is goed om te lezen, dat waarheid door ons niet gedacht (zo u wilt: bedacht) kan worden, maar dat waarheid - zeker waar het gaat om goddelijke waarheid - ons wordt gegeven, en dan ook door ons aanvaard moet worden. Daarmee is uiteraard het denken vanuit en over die waarheid niet uitgesloten.
Maar ... leest u zelf dit artikel; dat is verre te prefereren boven deze beknopte weergave.
Het tweede artikel onder de titel 'De waarheid is anders' is van de hand van dr. H. G. Geertsema, theoloog en filosoof. Zijn betoog cirkelt om de stelling, dat de samenstellers van het synoderapport zich als het ware hebben laten vangen door het subjekt-objekt-schema, zoals dat sedert met name de filosofie van Descartes (pater jezuïet, eind 18e eeuw) gestalte heeft gekregen en ook nu in de Moderne filosofie sterke invloed uitoefent.
Geertsema meent zelfs, dat de auteurs van 'God met ons' met hun keuze vóór 'relationele waarheid' niet boven dit subjekt-objekt-schema zijn uitgekomen.
Anders dan deze korte schets zou doen vermoeden is het betoog van Geertsema zeker niet te kenschetsen als erg 'theoretisch en abstrakt'.
Integendeel.
Hij geeft diverse konkrete en aansprekende voorbeelden, bijv.: verliefdheid tussen man en vrouw, om duidelijk te maken waar 'm de schoen wringt'.
Hij blijft ook niet steken in kritiek op het rapport, maar levert een opbouwende bijdrage voor de op gang gebrachte diskussie, door ook een alternatief 'waarheidsbegrip' - zo je al van 'begrip' mag spreken binnen zijn visie - te ontvouwen.
Een derde belangwekkend artikel is van de hand van drs. G. Groenewoud.
Onder de titel: 'De Bijbel - licht voor een duistere plaats', werkt hij de gedachte uit dat het bij het zoeken van waarheid veel belangrijker is om te letten op het licht dat de Bijbel - Gods openbaring - werpt op ónze situatie, dan dat wij pogen enig (?) licht te laten schijnen over de situatie waarin de Bijbel tot stand kwam. Niet dat daarmee het zgn. hermeneutisch probleem 1) zou zijn opgelost; maar wel wordt de hermeneutische vraagstelling op een passende plaats gezet. Uitvoerig gaat Groenewoud in op de betekenis van de tekst uit de tweede brief van Petrus, waarin op grond van de inspiratie door de Heilige Geest een halt wordt toegeroepen aan 'eigenmachtige' uitleg van de schrift.
De hamvraag is of de auteurs van het synoderapport een goede richting hebben gewezen ter voorkoming van dergelijke eigenmachtigheid, en zo nee, welke andere weg dan moet worden ingeslagen.
In een kort slotartikel snijdt prof. dr. S. Griffioen nog het probleem aan, op welke wijze de Bijbelse openbaring licht werpt op de problemen van onze hedendaagse kultuur (bv. zin van arbeid en techniek, bewapeningswedloop, welvaart versus honger en armoede).
De titel 'Samen terug - samen verder' wil aangeven, dat ontplooiing van de kultuur - 'samen verder' .,-
alleen bestaat onder de konditie dat we 'samen terug' gaan naar het kruis waaraan Christus de machten ontwapend heeft. Griffioen vervolgt: "Geen ontwikkeling zonder bekering; het 'verder' en het 'terug' horen samen zoals uit- en inademen ... De tragiek van veel christelijk leven is dat het inademen en uitademen tot gescheiden bewegingen worden".
Genoemd themanummer 'Bijbel en filosofie' wordt u voor het bedrag van f 3,50 toegezonden, als u het aanvraagt per brief/telefoon bij: Centrum voor Reformatorische Wijsbegeerte Postbus 149, 3600 AC Maarssen Tel. 03465 - 6 09 45 / 6 91 92 of door bank-giro-overschrijving van f 3,50 (of meer) op girorekening 1209598 of bankrekening nr.
539043796 t.n.v. Stichting voor Reformatorische Wijsbegeerte te Maarssen.
Een jaarabonnement op BEWEGING (6 nummers van minimaal 2o pagina's) fl. 20,-.
1) Hermeneutisch probleem: 'Hoe is de verhouding tussen de tekst, die in een bepaalde situatie is ontstaan, en ónze situatie, waarin wij de tekst willen verstaan' (synoderapport, pag. 51).
Red. C. Bremmer - Personen en Momenten uit de geschiedenis van de Anti-revolutonaire Partij - Wever, Franeker 1980 - 279 bladzijden met illustraties - Prijs f 19,50
Op het moment van verscheiden van de AR, wegens fusie tot de nieuwe CDA, bestond de partij 100 jaar. Aanleiding voor een aantal scribenten, waaronder leidinggevende politici, om een aantal hoofdpersonen uit deze honderd jaar voor het voetlicht te halen.
Het resultaat is een goed uitgegeven paperback geworden, die, dunkt me, bepaald niet te weinig biedt voor de prijs die men ervoor betaalt.
De meeste lezers zullen wel het nodige van Abraham Kuyper afweten, die - hoe kan het anders - ook in dit werk ruime aandacht ontvangt.
Dr Puchinger, die Kuyper's politieke streven nader toelicht, is ook verantwoordelijk voor een helder geschreven overzicht van de honderd jaar partij geschiedenis, in feite het openingshoofdstuk. Verder schreef hij artikelen over Idenburg, eens "tronend" te Buitenzorg in Nederlands Indië, en over Colijn en de relatie tussen Colijn en Jan Schouten.
Prof. I. A. Diepenhorst, met zijn vaak lange, maar altijd weer grammaticaal correcte volzinnen, vertelt het verhaal van de wederwaardigheden van minister Keuchenius, die al voor 1900 in de Kamer in "aanvaring kwam" met andere politici van die dagen. Ook schenkt hij aandacht aan minister-president Heemskerk en ds Talrna. Andere prominenten schrijven over staatslieden als Baron Mackay, Jan Schouten, Gerbrandyen Bruins Slot. Interessant vond ik ook een bijdrage van Dr. Bremmer uit Enschede over de betekenis van Herman Bavinck voor de A.R. Een bijdrage over de positie van de vrouw in de honderdjarige ARP en de gebruikelijke feestredes, o.a. van de heer Algra uit Leeuwarden en wijlen Dr. Vondeling ronden dit boek af.
Het boek is sympathiek geschreven en geeft veel inzichten, die anders moeilijker verkregen hadden moe-
ten worden. Men kan het ook beslist geen "oratio pro domo" noemen.
Meerdere scribenten laten zich geregeld kritisch uit over motieven of gedragingen van de door hen beschreven personen. In korte tijd kan een lezer een stuk wijzer worden van de geschiedenis van de nu ter ziele gegane oudste partij van ons land. Ook van de parlementaire en politieke geschiedenis van ons land en van de wijze waarop vooraanstaande politici uit hun christenzijn aan hun politiek handelen uiting wilden geven. Voor jongeren ook - ik denk aan scriptiemakers, maar lang niet alleen aan hen - is dit best een nuttig boek. Het zou in veel schoolbibliotheken niet misstaan.
De artikelen zijn van uniform (goed) niveau en ook normaliter bevattelijk geschreven. Waarom de relatie tussen Colijn en Schouten een extra (lang) hoofdstuk krijgt, wat de Vaticaanse kwestie geweest is, waarop een kabinet struikelde, wordt nauwelijks nader toegelicht, maar dat wist ik gelukkig. Wat de zaak-Oss precies inhield, waar het vierde kabinet Colijn moeite mee had, ik 'wist het niet en ik weet het nog niet. Meer, veelal kleine, punten kunnen worden genoemd als illustratie dat er wel eens kennis veronderstelt werd, die althans bij mij niet aanwezig was. Geen enkele keer komt de kritiek boven zulke kleinigheden of randverschijnselen uit. Ik hoop dat meerderen - ook uit niet-CDA kringen - dit boek lezen .. Wever en de samenstellers verdienen een compliment.
P. J. van Kampen