Over de waarheid (9)
1981-10-09
27. Drie in-één- Jaargang 25
- nummer 36
In ons artikel (8) van drie weken geleden begonnen we te kijken naar de positieve uiteenzetting van het nieuwere waarheidsbegrip dat het bekende rapport propageert. Het bleek gekenmerkt te zijn door tweeërlei: a) "objectief en subjectief inéén en b) "relationeel".
"Het is de schat in de akker èn het graven èn het vinden inéén", zo lazen we op blz. 12.
Voor mij is deze beeldspraak geen verheldering, want hier wordt' van drie verschillende zaken zomaar beweerd dat ze “inéén" zijn; waarbij ik mij echter niets zinnigs kan voorstellen. Voor mijn besef zijn en blijven het drie verschillende zaken, die alleen en natuurlijk met elkaar in een nauw verband staan, zonder dat ze één zijn. Eerst is er een subjectief als "schat" gewaardeerd voorwerp in een akker. Dat is een bepaalde stand van zaken, die overigens al in allerlei relaties met de mens staat. Later is er het vinden van die schat. Dat is een menselijke activiteit, die het resultaat is van weer een andere, voorafgaande activiteit: het gravend zoeken/zoekend graven. Dat deze drie met elkaar in relatie staan is vanzelfsprekend en zeer duidelijk. Maar dat ze nog in een ander opzicht ook één zijn, of een drie-eenheid vormen, ontgaat mij. De schat blijft voor mijn besef altijd wat anders dan het graven daarnaar of het vinden ervan.
Als men echter dit beeld van drieinéén toch wil gebruiken als een beeld voor wat waarheid is, dan zou dat nog wel kunnen, maar dan komt het er filosofisch op aan de diverse elementen of constituenten in cie waarheidsrelatie goed te analyse?
en en te plaatsen. Dan kan men "inéén" goed verstaan als de concrete ("concreet" betekent letterlijk: wat samengegroeid is) waarheidservaring in de alledaagse levenspraktijk.
Filosofische analyse van de elementen in die éne concrete waarheidservaring (modieus gezegd: het waarheidsgebeuren) .stelt dan theoretisch expliciet uitéén, wat in de ervaring impliciet, dus als in-één ervaren wordt.
De "schat in de akker" zou dan het beeld kunnen zijn voor de "objectieve waarheid", wij zeggen liever: voor de objectieve kenbaarheid (en andere objectsfuncties) van een stand van zaken. Het "graven" moet dan beeldspraak zijn voor de subjectieve kennisactiviteit in het proces der kennisverwerving; en het "vinden" is dan het resultaat van die kennisactiviteit, nl. ware kennis, d.w.z. waarheid.
28. "Drie-in-de-pan" geen goed alternatief tegenover objectivisme
Als ik die beeldspraak van het rapport inderdaad zou mogen verstaan als hierboven is weergegeven, dan kan men vragen: wat is nu het "nieuwe" van dit waarheidsbegrip?
Daarop zou het antwoord kunnen luiden, dat door dit "drie-in-één" er niet meer, zoals bv. in de middeleeuwse zijnsmetafysica, gesproken kan worden van een zgn. objectieve "zijnswaarheid" die onafhankelijk van enige subjectieve kennisactviteit, op zichzelf en volstrekt buiten de mens bestaat - al dan niet "voor het oprapen". Accoord, maar we protesteerden er tegen dat het rapport in deze geest de zgn. objectieve waarheid interpreteerde en deze interpretatie ook aan de gewone ervaring en aan "de meest gangbare opvatting" in de mond legde.
Voorts zal men op de vraag wat er nieuw is aan deze voorstelling willen antwoorden dat door dit "drie-in-
één" van schat/graven/vinden als eenheid, de bekende subjectobject-splitsing is overwonnen.
Maar dat is helemaal niet aannemelijk gemaakt. Men kan wel gewoon beweren dat "objectief en subjectief inéén" zijn, en onzerzijds kunnen we zo'n bewering in een bepaalde zin nog wel bijvallen, maar daarmee is nog niets gezegd over de preciese aard en zin van dat geponeerde inéén zijn. Want welk alternatief geeft het rapport in plaats van die voorreformatorische werkelijkheidsbeschouwing inzake een vermeende opzichzelfstaande, zgn. objectieve zijnswaarheid? De beeldspraak van schat/graven/vinden als eenheid brengt ons niet verder dan een soort "drie-in-de-pan", die inderdaad gemeenschappelijk hebben het samen in één pan liggen, maar verder elk hun eigen, van de beide andere onafhankelijk bestaan houden. De schat in de akker, het zoekend graven ernaar en het vinden mogen dan in een temporaal verband met elkaar staan en ook in anders gekwalificeerde verbanden, maar het blijven nu eenmaal drie verschillende "entiteiten", elk met hun eigen aard en karakter; een bepaalde stand van zaken (voorwerp in akker) en twee verschillende activiteiten (graven en vinden).
Ondanks alle reële verbanden tussen die drie, en hun onderlinge betrokkenheid op elkaar, blijven die drie verschillende entiteiten verschillend, zij versmelten niet "inéén".
Tegenover de in het rapport wel onderkende onjuistheid van een ontologische scheiding tussen subject en object, is met die bewering van het inéén schuiven geen werkelijk alternatief gevonden. Integendeel: het object wordt in deze zgn.
nieuwere wijsbegeerte opnieuw in sterke mate versubjectiveerd, d.w.z. in zijn objectief bestaan niet slechts in relatie met de subjectiviteit gezien (terecht), maar daarvan inhoudelijk afhankelijk gemaakt.
29. Geheime overgang naar ander onderwerp
In de logica kent men een redeneerfout, die in haar vaktaal een metabasis eis allo genos genoemd wordt, d.w.z. dat men, natuurlijk onopzettelijk, al pratende overspringt op een iets ander onderwerp, dat buiten hetgeen men eigenlijk wil betogen, gelegen is. Dat maakt dan het betoog tot een mislukking.
Dat is hier m.i. ook het geval in par. 5 van het rapport. Het betoog was opgezet .als een onderwijzing in "het" nieuwere wijsgerige waarheidsbegrip.
Objectivisme en subjectivisme (althans een bepaald type van elk van beide) zijn afgewezen.
Paragraaf 5 begint dan met de vraag: "wat is dan eigenlijk de nieuwe betekenis van 'waarheid' ... ?
In antwoord op die vraag horen we dat volgens dat nieuwe waarheidsbegrip objectief en subjectief inéén zitten. Maar. . . na deze bewering gaan argumentatie en toelichting niet meer over dat nieuwe waarheidsbegrip, maar over een ander onderwerp, nl. over de overtuigingskracht van de waarheid, over het aan het licht komen van de waarhehid en het tot uiting komen van die overtuigings-kracht.
Ook nog over de wijze waarop de waarheid aan het licht komt, méér overtuigt of tot uiting komt. Dat gaat nl. gelijk op met het "tot zijn recht komen" (in dat nieuwe waarheidsbegrip) van "het subjectieve".
Na dit omgooien van de wissel, on middellijk na de bewering van het drie-in-één" gaat het betoog op dit andere spoor nogal indrukwekkend verder. Citaat: "Naarmate iets ons dieper raakt, ons meer aangrijpt, naarmate we meer overweldigd worden door een waarheid die als het ware op ons afkomt, in die mate zal juist onze eigen manier van zeggen, onze persoonlijke inzet, deel blijken uit te maken van deze op ons toekomende waarheid" (12/13).
30. "Als het ware"
We hebben er alle begrip voor dat, als een filosofische gedachten gang in populaire vorm duidelijk gemaakt moet worden voor een groter publiek, men allerlei beeldspraak te hulp roept. Maar het verhaal wordt wel wat verwarrend als een bepaalde beeldspraak het :voorafgaande betoog gaat tegenspreken.
Nadat we eerst hoorden betogen dat èn in de wetenschap èn in de gewone ervaring, de waarheid niet op zichzelf bestaat, maar altijd al onze eigen subjectieve kleur in zich heeft (par. 4), wordt nu toch weer gesproken over de waarheid als iets dat wèl een buiten ons staande grootheid is, die nu "als het ware" op ons afkomt en op ons toekomt.
"Als het ware", dus niet echt. Maar onzerzijds zijn we benieuwd hoe het nu volgens het rapport wèl "in elkaar zit", als de waarheid niet echt van buiten af op ons toekomt, "niet zomaar iets buiten de mens is" (12).
We krijgen daarop inderdaad wel een antwoord, maar dan een werkelijk onrust-barend antwoord, zoals veel discussies over dit rapport reeds aan het licht brachten. Wij zullen dat antwoord niet afwijzen omdat het de waarheid "relationeel" noemt, want dat is noch verkeerd, noch nieuw, maar omdat het de waarheid ver-subjectiveert, niet "als het ware", maar ècht.
31. Waarheid en waarheidsbeleving
In plaats van een argument of duidelijke toelichting op de kale stelling dat "objectief en subjectief inéén" zijn, krijgen we in par. 5 van het rapport enige mededelingen over het onderwerp hoe een mens op waarheid kan reageren en er mee kan omgaan. In strijd met de geponeerde stelling zelf, die men blijkbaar indirect wil toelichten, ontkomt het rapport er natuurlijk niet aan toch over waarheid te spreken als iets buiten de mens, iets wat op ons toekomt en waarmee je subjectief dan meer of minder ernst kunt maken (12). Het is m.i. een waarheid als een koe dat, als ik meer ernst maak met de "waarheid" (blijkbaar nu in de zin van een bepaalde stand van zaken, objectief en buiten de mens), die waarheid (c.q. werkelijkheid) voor mij als regel ook "beter aan het licht komt". Allicht, maar als in dezelfde volzin gezegd wordt dat, naarmate de mens op zijn spreken en handelen meer zijn eigen en persoonlijk stempel zet, "het echte en overtuigende van de waarheid"
méér tot uiting komt, dan snap ik er niets meer van. Laat ik aannemen dat bedoeld is dat een mens waarheid uitspreekt (bv. we mogen niet stelen, of: naast de weg ligt. een ravijn) en dienovereenkomstig ook praktisch handelt. M.i. wordt die waarheid er geen spatje anders van of zij met veel verve, met krasse termen of met zeer consequente praktijkvoorbeelden wordt uitgedragen.
Zulk een persoonlijk gekleurde of geëngageerde presentatie maakt stellig meer indruk dan een repeterend geluidsbandje dat steeds maar herhaalt: "we mogen niet stelen". Maar nogmaals: dan gaat het niet meer over het waarheidsbegrip, zelfs niet over de vraag of die waarheid helemaal klopt op de feiten of in bepaalde opzichten niet, dus: over het waarheids-gehalte.
Neen, dan gaat het over een heel ander onderwerp, nl. hoe die mens aan de genoemde waarheid beantwoordt met zijn spreken en leven, bv. of hij al dan niet indringend en overtuigd er over kan spreken.
Maar die waarheid-zelf blijft simpel die (objectieve) waarheidvolstrekt onafhankelijk ervan hoe een mens met die waarheid omgaat, er over spreekt, haar ervaart en beleeft. Het eventuele subjectieve verschil in waarheidservaring en waarheidsbeleving voor-onderstelt juist een zichzelf gelijk blijvende waarheid. Als dat niet zo was, zou er geen verschil in beleving, ervaring, propagering, enz. daarvan (d.i. van die gelijkblijvende waarheid) mogelijk zijn, want dan was zij er zelf niet.
Als, zoals het rapport op blz. 13 beweert, onze "persoonlijke inzet" en "onze eigen manier van zeggen"
deel gaat uitmaken van een "op ons toekomende waarheid", dan is dat, behalve volstrekt onbegrijpelijk voor mij, toch wel het einde van elk zinnig spreken over de waarheid, althans in de gewone ervaring. Het diep geraakt, geroerd, beroerd, aangegrepen of overweldigd worden door een waarheid (of werkelijkheid) is nl. geen enkele garantie dat wij in onze weergave (mooi woord) van die waarheid werkelijk de volle waarheid zeggen en nauwkeurig zijn. In de wetenschap is zulk een emotionele betrokkenheid of existentiële geëngageerdheid zelfs meestal een belastende bijkomstigheid.
En in de gewone ervaring maant zulk een betrokkenheid onszelf en anderen tot voorzichtigheid.
Hoe gemakkelijk wordt dan immers niet de waarheid geweld aangedaan, ver-kleurd of tendentieus weergegeven.
Juist als wij in die zin zelf "deel gaan uitmaken" van de (niet: op ons toekomende, maar) van-onsuitgaande waarheids-opname en waarheids-weergave, is het oppassen geblazen: we komen dan al spoedig in strijd met de norm der waarheid! Wat de waarheid als waarheid dan doet verdwijnen.
(wordt vervolgd)