Over de waarheid (10)

1981-10-16
  • Jaargang 25
  • nummer 37
32. Dus niet of dus wel?
Paragraaf 5 van het rapport eindigt met deze cursief gedrukte zin: "Het gaat (in het nieuwe waarheidsbegrip, A. T.) dus niet om een waarheid (objectief) die vervolgens toegeëigend moet worden (subjectief), maar om beide inéén".
Het concluderend woordje "dus" komt wel wat vreemd bij ons aan.
In het vorig artikel toonden we aan dat in de uiteenzetting van he rapport wel de stelling geponéérd werd dat in het nieuwe waarheidsbegrip subjectief en objectief "inéén" zaten, maar dat de nadere uitleg daarvan over andere onderwerpen ging, en niet meer over die stelling zelf.
Afgezien nu van deze (on)logische conclusie, of slordigheid, zouden we onzerzijds tegenover deze conclusie van paragraaf 5 het volgende willen stellen: .Als het waar is dat het in het nieuwe wijsgerige waarheidsbegrip niet gaat om een objectieve waarheid die subjectief toegeëigend moet worden, dan is dat nieuwe waarheidsbegrip m.i. gewoon fout. In een goed waarheidsbegrip gaat het wel degelijk om de "objectieve waarheid" die onafhankelijk van onze ervaring en omgang daarmee bestaat en die wij "vervolgens" ons behoren toe te eigenen, zodat dan (subjectief gekende) waarheid ons bezit(!) wordt.
Wellicht zou het rapport ook allerlei verwarring in de discussies hebben kunnen voorkomen, wanneer men scherp en duidelijk had onderscheiden tussen werkelijkheid en waarheid. In het praktische spraakgebruik is dat niet altijd noodzakelijk of wenselijk. Maar in wetenschappelijk-
wijsgerige betogen is die onderscheiding van primair belang voor de (kennistheoretische) waarheidstheorie. Waarheid is immers altijd waarheid-omtrent-werkelijkheid, men kan ook zeggen: waarheid is goede kennis inzake werkelijkheid.
Daarom is kennis of waarheid ook nooit los van menselijke subjectiviteit.
Wat dat betreft is het proclameren van een "relationeel" waarheidsbegrip voor ons het intrappen van een open deur (hierover uitvoeriger het vijfde artikel in deze reeks, punt 17.1 en 17.2).
Het punt in geding is dus niet het relationeel karakter van kennis en waarheid, maar of het waar is dat in een goed waarheidsbegrip ruimte moet zijn voor de volledige erkenning van objectieve werkelijkheid, waaromtrent wij mensen "vervolgens"
in een subjectief proces van kennisverwerving ons goede kennis, d.w.z. waarheid, kunnen eigenmaken.
Tegenover het "dus niet" van het rapport, staat ons dus-wel.

33. Toch nog een gedeeltelijk objectieve waarheid?
"Dus niet. . . maar", was de conclusie van paragraaf 5. Kan het zijn dat het als positief voorgestelde alternatief van het nieuwe wijsgerige waarheidsbegrip dat de Generale Synode van de Gereformeerde Kerken propageert (volgens Professor Nauta zelfs met kerkelijk gezag!) toch iets waardevols heeft? Iets wat dan opgesloten ligt in de aanduiding "beide inéén"? Paragraaf 6 beoogt de in paragraaf 5 geponeerde stelling nog verder toe te lichten met een geïllustreerd verhaal over het relationeel zijn van de waarheid.
Daarover moet ik straks nog meer zeggen dan ik al deed. Eerst vestigen we echter de aandacht op de conclusie: "Waarheid is dus niet alleen buiten het menselijk subject te vinden, maar ook niet louter binnen die mens. Waarheid is meer ... " (14).
Niet alleen, en niet louter. Dat betekent in het Nederlands: ook wèl, zij het niet-alleen. Valt het rapport hiermee niet terug op een althans gedeeltelijke aanvaarding van waarheid "buiten het menselijk subject"?
Wat kan dat voor waarheid zijn?
Zou hier niet met het woord waarheid eigenlijk werkelijkheid bedoeld zijn, objectieve werkelijkheid?
Als deze veronderstelling juist is, dan zou er over te praten zijn. Want menselijke en niet-menselijke werkelijkheid zijn op vele en verschillende manieren op elkaar betrokken. Dat is ook één van de grondgedachten van de reformatorische wijsbegeerte, in scherpe oppositie tegenover objectivistische èn subjectivistische stromingen, die kennis en waarheid resp. losmaken van of laten opgaan in menselijke subjectiviteit.

34. "Waarheid is meer ... "
In de toch al korte uiteenzetting van wat dat nieuwe wijsgerige waarheidsbegrip nu precies inhoudt, wordt veel aandacht besteed aan het uiteenzetten wat het niet is. We weten dus nu vrij goed wat waarheid volgens het rapport niet is, nl.: a) geen objectieve waarheid zomaar buiten de mens om (12), voor het oprapen liggend (11), geen "objectieve stand van zaken" (10); b) geen subjectieve waarheid die door de mens zelf geproduceerd wordt (10, 11), zonder een richtsnoer tegenover en buiten de mens (11); c) geen optelsom van beide (12); d) geen opeenvolging van beide: eerst objectieve waarheid die "vervolgens” toegeëigend zou moeten worden;
e) “niet alleen buiten” maar “ook niet louter binnen” de mens;
f) ook niet zowel buiten alsóók binnen de mens, in de zin van een optelsom van beide.

Wat dan wel?

Antwoord: "waarheid is meer ... "
(14). Dat zal wel niet zo kwantitatief bedoeld zijn als het er staat.
Anders zou volgens het rapport waarheid toch datgene zijn wat het niet is, plus nog iets daarbij. Dat meerdere blijkt nu te zijn het relationele.
Als het alleen de bedoeling van het rapoprt zou zijn dat relationele te beklemtonen, dan zouden wij althans met die goede bedoeling vrede kunen hebben. Alleen zou' dat vanwege de gebrekkige formuleringen geen "volle vrede" kunnen zijn. Het wetenschappelijk karakter van wijsgerige betogen stelt, nu eenmaal ook zijn eisen. Er is echter meer aan de hand met dat "relationele".

35. Wat bedoelt het rapport met "relationeel"?
Reeds meermalen merkten we op dat waarheid als gesproken of geschreven waarheid altijd iets relationeels is. Waarheid is altijd waarheid over (of omtrent) werkelijkheid, zodat er een relatie is tussen de waarheid en de werkelijkheid.
Anderzijds is waarheid iets van de mens, nl. juiste kennis die de mens zich eigen-maakt en dan bezit en daarna eventueel uitspreekt of opschrijft, zodat er ook een relatie is tussen mens en waarheid. Voorzover het rapport dit wil benadrukken, stemmen we er mee in.
Toch bedoelt het rapoprt met het relationele karakter van de waarheid nog wat meer en ook wat ànders, en daarmee kunnen we beslist niet instemmen.
Nadat gezegd is dat waarheid "niet alleen buiten" en "ook niet louter binnen" het menselijk subject is, maar dat ook de gevolgtrekking dat zij dan zowel buiten alsook binnen is, onjuist is, althans niet verstaan mag worden als een optelsom, komt nu eindelijk het positeve alternatief: het waarheidsbegrip van de nieuwere wijsbegeerte. We citeren dat letterlijk en plaatsen er letters bij, om bij elk onderdeel even te kunnen stilstaan. Want we zijn hier bij de kerngedachte van het rapport.
"Waarheid is meer (a) het gaat steeds om de betrokkenheid van de mens bij iets anders (b) en om de overtuigingskracht van iets anders (c) ...
die pas in de mens tot stand komt (d) en zichtbaar wordt" (e) Met andere woorden: (f) er is sprake van een relatie tussen subject en object (g) sterker nog: (h) een wisselwerking (i) waardoor. beide zich eigenlijk pas goed gaan aftekenen" (j)

36. Aantekening bij a)
Waarheid is volgens het rapport niet "zomaar iets buiten de mens", ook niet "alleen maar een inspanning van de mens" en "evenmin" een optelsom van beide" (12).
Waarheid is meer. Nu is dat meerdere wel met één woord aan te duiden, nl. met het woord "relationeei", maar dat relationele blijkt toch wel gecompliceerd te zijn.
Het is door het rapport aangeduid met de regels b - c - d - e, hetgeen ook nog het gestelde bij i - j blijkt te bevatten. We gaan het nauwkeurig na.

37. Aantekening bij b)
We zeiden al dat deze betrokkenheid van de mens bij iets anders voor ons besef een vanzelfsprekendheid is in elk goed waarheidsbegrip.
Tot zover dus accoord.
Maar men vergisse zich niet.
Gezien het vervolg, gaan we vermoeden dat met deze betrokkenheid meer bedoeld is dan alleen het bestaan van de formele kennisrelatie tussen subject en object. Het lijkt alsof met deze betrokkenheid bedoeld is wat men wel noemt een "persoonlijke betrokkenheid", ook wel: een "existentiële betrokkenheid", inclusief een emotionele betrokkenheid, mogelijk gepaard gaande met hoop, verwachting, belang-hebben-bij, en wat dies meer zij. Het is wat moeilijk daarvoor de juiste Nederlandse term te vinden.
In het Engels zou men zeggen "concern". Van de term "betrokkenheid" in déze zin, gaat dan meestal de suggestie uit, alsof de betrokkenheid tussen subject en object in de kennis-relatie niet zo "persoonlijk" is. Die suggestie is echter onjuist. Ook in de kennisactiviteiten is de mens "persoonlijk" betrokken in de relatie tussen kennissubject en kennisobject. Kennisverwerving is een echt-menselijke activiteit, vol-menselijk om zo te zeggen. Het resultaat daarvan, het kennen dus, d.w.z. het bezitten van waarheid, is en blijft eveneens een vol-menselijke aangelegenheid.
Het rapport is in paragraaf 6 die wij nu bespreken, nog niet toe aan zijn beschouwing "over de geloofswaarheid in de relatie tussen mens en God; het gaat nu nog slechts om de abstract-theoretische benadering van wat waarheid in het algemeen en als zodanig is. En dan is, zoals reeds vaker door ons gezegd, het karakteriseren van de waarheid als "relationeel" noch verkeerd, noch nieuw, maar gewoon een vanzelfsprekende waarheid, die door een goede kennistheorie niet als onpersoonlijk voorgesteld zal worden.

38. Aantekening bij c)
We lezen voorts dat het (in het nieuwere waarheidsbegrip ) "gaat om de overtuigingskracht van iets anders". Wat. wil dat zeggen?
Op het eerste horen klinkt het niet erg geloofwaardig. Heeft ook de leugen niet vaak veel overtuigingskracht, zodat zij door miljoenen geloofd wordt? als waarheid wordt aangezien? Spreekt de Schrift ook niet over een "kracht van dwaling" (2 Thess. 2: 11 in de grondtekst en de Statenvertaling) waardoor men de leugen in de plaats van de waarheid gelooft?
Terug naar de tekst: "de overtuigingskracht van iets anders". Betekent dit dat dat "andere" waarop de mens in de waarheidsrelatie betrokken is, zelf overtuigingskracht moet hebben? Kan er anders niet gesproken worden van "waarheid"?
We begrijpen het niet, zelfs niet als we serieus nadenken over de voorbeelden die er bij genoemd worden.
Dat "iets anders", waarop de mens in de waarheidsrelatie betrokken is, zou bij voorbeeld kunnen zijn "een verkeersteken, een zedelijke overtuiging, een visie, een leerstuk". We zullen het goed nagaan, maar eerst vragen we: is er pas sprake van "waarheid" in onze betrokkenheid op dergelijke zaken als deze zaken zelf overtuigingskracht hebben?
M.i. heft deze visie zichzelf op.
Deze visie heeft bijvoorbeeld voor mij niet de minste overtuigingskracht, zij is voor mij geen waarheid.
Is zij daarom niet waar? Volgens haarzelf inderdaad niet, omdat zij voor mij elke overtuigingskracht mist. Maar een visie die van zichzelf moet zeggen dat zij niet waar is, "hoeft voor mij niet meer".

(wordt vervolgd)

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief