NIEUW LIED

1981-10-16
  • Jaargang 25
  • nummer 37
Hadden we het de vorige week niet over de psalmen van Datheen? Dan is het nu de tijd om over de gezangenkwestie te schrijven. Milo heeft er een artikel aan gewijd in de tweede druk van de Chr. Encyclopedie; over de gezangenkwestie, wel te verstaan.
Vermoedelijk is dat de enige keer dat in die dikke boeken speciaal over een “kwestie” geschreven wordt.
Wel een bewijs hoe het vraagstuk van de gezangen de gemoederen altijd heeft beroerd en soms verhit.
Geen gezangen in de kerk, of als er dan toch enkele gezongen moesten worden, dan alleen berijmde Schriftgedeelten.
Dan bleef er tenminste nog iets in van Goddelijke inspiratie en dat miste je totaal in de “vrije” geestelijke liederen.
Die waren immers altijd vol van de tijdgeest; niet van de Heilige Geest.
Toch had het oude Gereformeerde kerkboek al vrije liederen: twee berijmingen van de 12 artikelen, een pastorale notities gebed voor en na het eten, een morgenzang en een avondzang en >zogenkele. Maar ik meen me vaag te herinneren, dat mijn grootvader ook die gezangen maar zo-zo vond.
Daar had je in de Eerste berijming van de 12 Artikelen bijvoorbeeld de zin: 'k Geloof één kerk, een algemeen genootschap, geheiligd en vergaárd door ’s Hemels boodschap.
Nou, dat was propaganda voor de Hervormde Kerk, want die werd in zijn dagen het Genootschap genoemd.
Maar kende de jonge christelijke kerk niet het vrije lied? In Ef. 5: 14 hebt U er een voorbeeld van. Men mag toch aan een Christelijke gemeente het recht niet ontzeggen, te zingen wat zij wil. En het past niet bij een Geref. Kerk als een synode één of andere bundel liederen “vrijgeeft voor kerkelijk gebruik”. Dat is “syndocratisch” gedacht. Maar ook zonder dát moet het toch mogelijk zijn om in een vrije expressie van woord, gebaar én geestelijk lied de Here te prijzen en elkaar blij te maken. Met een nieuw lied en een nieuwe wijs.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief