AALMOES

1981-10-23
  • Jaargang 25
  • nummer 38
In Djakarta moest ik wel eens wat regeringskantoren aflopen voor één of andere vergunning. Dan kreeg je grote groepen bedelaars achter je aan, die al maar riepen: “Sedekah, sedekah!” Dat betekent: een aalmoes.
Ik zocht naar de herkomst van dat woord. Het is in het Indonesisch terechtgekomen van uit het Arabisch en het is eigenlijk precies hetzelfde woord, dat het Hebreeuws geeft voor ‘gerechtigheid’. Je denkt dan aan Mattheüs 6: 1 : “Ziet toe, dat gij uw gerechtigheid niet doet voor de mensen, om door hen opgemerkt te worden. “ De oude vertaling had: “Hebt acht, dat gij uwe aalmoes niet doet voor de mensen.” De woorden “gerechtigheid” en “aalmoes” wisselen elkaar dus af, en dat hangt af van de vraag, van welke handschriften een vertaling uitgaat. Maar ook daarin is duidelijk, dat "gerechtigheid" en "aalmoes" dicht bij elkaar liggen. Zo kom je tot de slotsom, dat het doen van gerechtigheid ontwaarden kan tot het geven van een aalmoes. Bijstand die aan iemand verleend wordt, kan soms rieken naar liefdadigheid. Als er iemand in nood verkeert, schieten in den regel wel mensen toe. Bij die hulpverleners kun je beroepskrachten aantreffen, maar ook diakenen, buren en vrienden en de broeders en zusters van de kerk. Wat wordt er prachtig geholpen! Laat degene die geholpen is, maar erg dankbaar zijn en voortaan beter oppassen. Zo zitten de hulpverleners wel eens als rechtertjes op hun stoel. Ze weten het zo goed. Zij deden altijd alles zo goed. Ze zijn zo goed en ze hebben bovendien zulk een groot tegoed dat ze milddadig wezen kunnen. De man die in moeilijkheden verkeerde, mag blij wezen dat er zulke mensen “nog” zijn. Toch konden de hulpverleners beter van hun stoel afkomen en naast “het geval” op de grond gaan zitten en er van uit gaan dat het hun plicht was om te helpen. De noodlijdende heeft recht op onze bijstand. We geven hem zijn recht en niet onze aalmoes.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief