IN MEMORIAM Ds. J. J. Verleur
1981-10-30
Bijna 50 jaar heeft Ds. J. J. Verleur zijn werk als dienaar van het Woord mogen doen.- Jaargang 25
- nummer 39
Eerst 14 jaar in Zalk en Veecaten, daarna 27 jaar in Lisse en vervolgens - na zijn emeritering per 31 december 1973 - verleende hij nog tot voor kort hulpdiensten in Amersfoort.
Hij was een man die als een onafhankelijk persoon zich opstelde en zich niet liet indelen in een bepaalde groep of richting. Hij had geen bepaalde vrienden, maar was een vriend van iedereen.
Na zijn opleiding aan de V.U. te Amsterdam ging hij met zijn eerste gemeente in 1945 met de vrijmaking mee. In zijn tweede gemeente moest hij het beleven, dat hij in 1970 werd geschorst en met de helft van de gemeente van Lisse buiten het verband werd geplaatst.
Ds. Verleur, die altijd geijverd heeft om breuken in de kerk van Christus te voorkomen, kon niet verhinderen, dat hij telkens weer geconfronteerd werd met verwoestende krachten.
Dat heeft hem veel pijn gedaan en greep hem bijzonder sterk aan. Hij wilde niet kiezen voor dit of tegen dat, maar alleen Gods Woord brengen en daarop mochten ze hem altijd aanspreken.
Preken, Gods Woord brengen, dat was zijn vurige begeerte en daarvoor heeft hij zich ten volle ingezet, steeds weer worstelend om dat Woord in zijn actualiteit direct bij de mensen te brengen, zodat ze ermee uit de voeten konden voor hun dagelijks leven. Hij probeerde steeds de ontwikkelingen in de wereld scherp te analyseren, de leegheid en uitzichtloosheid van de mens zonder Christus te tekenen en een ieder, maar speciaal de jeugd, die hem lief was, de weg te wijzen die het echte leven geeft.
Naast zijn predikantschap had hij ook vele andere gaven, die hij in dienst van zijn Heer en Heiland stelde. Orgelspelen was een grote liefhebberij, al was het zelfs in een dienst die hij zelf leidde. Ook gedichten schrijven deed hij graag. Menige preek liep uit in een zeer persoonlijk gedicht. Een liturgie voor een kerst- of paasdienst samenstellen was geen enkel probleem. Met grote deskundigheid en inschakeling van heel de gemeente hadden we bijzonder fijne herdenkingsdiensten.
Zo heeft de gemeente, die hij dienen mocht, dankbaar gebruik gemaakt van zijn veelzijdigheid, maar het zou niet in de stijl van Ds. Verleur zijn hier enige ophef van te maken. Integendeel, de figuur van Verleur was onbelangrijk en diende niet op de voorgrond te komen.
Daarom willen we in de eerste plaats God danken voor alles wat we in Ds. Verleur hebben ontvangen voor de gemeenten, die hij diende en ook voor onze kerken. De dankbaarheid moge de droefheid bij zijn heengaan overtreffen. De troost in Christus, waarvan hij vrijmoedig mocht getuigen ten zegen voor velen, kan ons nu ook 'de kracht geven om over de dood heen te zien.
Mogen ook mevrouw Verleur, die in een grote eenzaamheid achterblijft, en haar kinderen die troost ontvangen, die God ons in Zijn Woord geeft en waarvan Ds. Verleur tot in zijn laatste preken : mocht spreken.
Het spreken van Ds. Verleur is nu definitief geëindigd. Geen artikelen meer van hem in Opbouw, geen artikelen meer in de Vredeskrant, geen referaat meer op een ontmoetingsdag.
Toch willen we nog eenmaal Ds. Verleur aan het woord laten en wel met een gedicht, dat hij zijn gemeente in Lisse opdroeg bij zijn afscheid in december 1973.
KOM, HEER JEZUS
gedicht, op zondag 30 oktober 1973 aan mijn gemeente meegegeven, na de afscheidspreek over Markus 4: 26-29.
Ik zou graag willen, dat de Heer reeds morgen kwam;Maar hoe dat moet met al die mensen,
die zoveel wensen, dat weet ik niet.
Ik denk aan al die kind'ren, die van honger sterven;
Of die wij steeds weer hind'ren,
het Godsrijk te beërven.
Ik denk aan al die jonge mensen,
die met of zonder drugs verflensen;
of, ondanks sex en popmuziek,
zo bitter doen, omdat hun leven is verziekt.
Ik denk aan al die volken en hun machten,
die bezig zijn de samenleving te verkrachten;
Die, met hun welvaart, tóch géén vrede brachten,
omdat zij hier op aard de duivel wachten.
Ik denk aan al die nette mensen om mij heen,
in mooie flatjes en gekochte huizen;
die eten, drinken, lachen, praten, vrijen,
terwijl ze in hun status-symbool naar de ondergang toe rijen.
Ik denk aan al die zieken, met hun pijnen,
die aan een tumor of een hartinfarct verkwijnen;
En aan de eenzame, die zo verschrikkelijk alleen is,
dat zijn gezicht net een roman van steen is.
Ik denk aan 't stel, dat toen zo vrolijk in de trouwzaal zat.
maar heel gauw van elkaar al balen had.
En aan het ongetrouwde meisje,
dat haar vlotte lach in een abortusingreep sterven zag.
Ik denk váák aan de kerk,
die Christus' huis moet zijn,
maar nog geen woning is,
waar ieder thuis kan zijn.
Ik denk aan ál die vrome mensen, die je verwensen,
omdat je niet precies zo denkt als zij;
(want heus, mijn lieve broeder, dan hoor j'er niet meer bij.)
Ik zit te denken - en ik zie, wat j' eerst niet ziet:
het koninkrijk van God, verborgen als een zaad,
ontkiemend uit het Woord, al merk je dat zo niet,
het wonder van zijn komst - het is nog niet te laat!
Het groeit vanzelf; ik weet niet, hoe;
't is als een wonderdaad,
Die zich uit niets van mij verklaren laat.
Ik zou graag willen,
dat de Heer reeds morgen kwam;
maar hoe moet ik ze allemaal bereiken?
Ik blijf maar biddend roepen: kom toch, Heer!
Ik blijf maar roepend zaaien, telkens weer.
En d'oogst gaat komen; bidden en werken, Heer;
Het koninkrijk komt als een wónder neer.
Bel bij je naaste aan en zaai het Woord,
totdat een arme drommel 't heeft gehoord.
Zodra de sikkel wordt gescherpt,
is 't wonder weer gaan leven,
als diep-gekneusde mensenzielen
zich aan Jezus mogen geven.
Kom toch, Heer Jezus!
zo bidden ál uw kind'ren.
Laat óns gestuntel met uw Woord,
De overwinning van dat wonder niet verhind'ren.
J. J. Verleur