Het volgen van Jezus (1)
1981-11-06
Het gedeelte uit het evangelie van Lukas, dat we in de komende weken overdenken valt als vanzelf in drie delen uiteen.- Jaargang 25
- nummer 40
Eerst komt er iemand uit de schare, die naar Jezus' toespraken luistert, naar de Heiland toe. Hij wil zich bij Jezus en zijn discipelen aansluiten en ook een discipel van Jezus worden. Die man is, zoals Mattheüs vertelt, een schriftgeleerde, een theoloog zouden we vandaag zeggen. En daar 'lal Jezus wel blij mee geweest zijn, zou je zo denken. Een gestudeerd man, als discipel erbij, een man met een goede opleiding bij al die eenvoudige mensen, dat zou toch fijn zijn. Dat zou de zaak van God toch wel goed doen. Tussen haakjes: natuurlijk zijn niet alle theologen een zegen: een verkeerde theologie is zelfs gevaarlijk! Maar dat heeft de theologie met andere takken van wetenschap gemeen. Immers, een verkeerde medische theorie kan mensen het leven kosten, en een verkeerde berekening van de kracht die een betonnen brug b.v. moet hebben, kan een ramp veroorzaken.
Zo bestaat er ook verkeerde theologie.
Maar goede theologie kan tot grote zegen zijn.
Zo heeft b.v, de schriftgeleerde Saulus, de theoloog Paulus zijn opleiding en vakbekwaamheid in dienst gesteld van de verbreiding van het evangelie en van het doordenken van de betekenis van de woorden en daden van Jezus.
Omtrent de schriftgeleerde, die hier naar Jezus toekomt, is nog iets bijzonders op te merken: Hij durft, anders dan die andere schriftgeleerde, Nicodemus, die in het donker kwam, openlijk voor zijn mening uit te komen. Iedereen mocht zien wat hij deed en horen wat hij zei. Hij wil Jezus volgen, overal, waar deze ook maar heen gaat.
Toch is Jezus niet zo gelukkig met deze man. Misschien mogen we wel zeggen dat deze man heel gauw in vuur en vlam voor iets stond. Zo was hij nu ook weg van Jezus en wilde hij Hem volgen. Maar juist t.a.v. dat volgen is er verschil tussen Jezus en de schriftgeleerden. Het volgen zoals de rabbijnen dat kenden, hield in "leerling zijn" in persoonlijke verbondenheid met de leraar, waarbij de leerling niet alleen leerde van de woorden die de leraar sprak, maar vooral ook van de wijze waarop de leraar de wet uitlegde en toepaste.
Dit alles kan heel goed een rol gespeeld hebben bij de bereidheid van deze schriftgeleerde om Jezus te volgen. Gefacineerd als hij was door de persoon en de daden van Jezus, en in aanmerking nemend dat steeds meer mensen naar Jezus gingen luisteren, wilde deze man - ik veronderstel maar een bepaalde mogelijkheid - bij de eersten horen, die Jezus volgden om straks oak te kunnen delen in de overwinning die Jezus ongetwijfeld zou gaan behalen.
In zijn begeerte om daar bij te zijn, zegt deze man: Ik zal u volgen waarheen dan ook, ook als er moeilijkheden met de Romeinen zouden komen. Maar Jezus voegt aan dat "volgen" nog een bepaalde dimensie toe: volgen is niet alleen maar leren, maar ook het leven delen van degene die men volgt, het opgeven en loslaten van allerlei levensverbanden waarin men tot dan toe leefde, en niet, zoals de latere kerkelijke uitleg ging leren, het imiteren in de zin van nabootsen van Jezus als voorbeeld. Jezus laat zien dat het volgen heel wat consequenties heeft, die de schriftgeleerde die tot volgen bereid was, niet had overzien.
Jezus wijst deze man niet àf, maar Hij wijst hem terecht.
De man heeft nl. niet goed geluisterd! Hij heeft alleen maar acht geslagen op wat Jezus gezegd heeft over de nieuwe tijd, over het heil en het Koninkrijk dat gekomen is en komt. Hij heeft de wonderen gezien die Jezus gedaan heeft.
Die woorden en wonderen van Jezus hebben zijn hart veroverd.
Hij ziet - veronderstel ik - in zijn geest Jezus al van de ene overwinning naar de andere gaan. Maar hij heeft het niet tot zich laten doordringen, wat Jezus gezegd heeft Over Zijn verwerping en Zijn aanstaande dood.
Jezus komt tot de overwinning. Dat is zeker, maar dat gaat wel langs de weg van lijden en kruis. Hij heeft ook niet begrepen dat Jezus allen die Hem volgen uiteindelijk brengt bij het grote heil, de bevrijding van zonde en dood.
Maar die weg naar het heil loopt vaak dwars door allerlei strijd, dwars door verwerping en lijden en soms zelfs dwars door de dood heen.
En om dit duidelijk te maken zegt de Heiland: De vossen hebben holen en de vogelen des hemels nesten, maar de Zoon des mensen heeft geen plaats om het hoofd neer te leggen. Veelal heeft men deze woorden zo opgevat, dat Jezus zou bedoelen: de vossen hebben nog een hol en de vogels hebben nog een nest, maar ik ben zo arm en berooid, dat ik geen eigen huis en dan ook geen eigen bed neb. En ook heb ik geen eigen onderdak, geen vaste verblijfplaats.
Het is de vraag of die opvatting juist is. Immers in de evangelieverhalen wordt Jezus ons helemaal niet als arm en berooid getekend: Hij woonde in Kapernaum. In een huis, net als andere mensen. En: er waren voorname vrouwen, die Hem dienden met hun bezit en goederen. En ook: Jezus droeg een naadloos kleed, zoals in het verhaal van Zijn kruisiging staat. Dat wil toch wel zoiets zeggen als: Hij zat goed in de kleren, zoals we dat vandaag wel van een goed gekleed iemand zeggen: geen gewoon confectiepak, maar maatwerk.
Dat zegt de Bijbel ook over Jezus. Wel wordt het bezit in de Bijbel sterk gerelativeerd: bezit is maar betrekkelijk.
De gedachte dat Jezus straatarm was, kon wel eens meer berusten op een heidense verachting van het stoffelijke en het lichamelijke dan op hetgeen de Bijbel over Jezus vertelt.
Het is dus zeer wel mogelijk dat het spreken van Jezus over de vossen en de vogels een heel andere bedoeling heeft dan aanduiding van armoede.
Daarover, en over die tweede man die bij Jezus komt, hopen we dan volgende week verder te gaan.