DANKSTOND
1981-11-06
‘k Heb een oud verhaal en een nieuw. Ds. Boekenoogen was een “type” onder de dominees. Hij stond in het Friese gebied van de pootaardappelen, St. Annaparochie. Hij hield eens dankstond voor het gewas. Met de preek ging alles gewoon, doch het dankgebed, waarvoor de gemeente gekomen was, bestond uit slechts één zin, inhoudende dat er niets te danken viel, want de aardappelen hadden niet bizonder veel opgebracht. De kerkeraad was ontsticht; dit leek nergens naar, zo oneerbiedig en ondankbaar. Dominee zei: “Toch heb ik slechts tot God gezegd, wat jullie de afgelopen weken tot elkaar en tot mij hebben gezegd.”- Jaargang 25
- nummer 40
Ons nieuwe geslacht zal denken: Och, op zichzelf best een aardig verhaal, maar dan voor de achterkant van een scheurkalenderblaadje of als bladvulling in een kneuterige plaatselijke kerkbode. Ik geef toe, er moet nu een ander verhaal verteld worden.
Namelijk, dat rijken en armen elkander ontmoetten. Het was in Mexico.
Reagan kwam veel te laat en hij kon ook niet lang blijven. Hij had met moeite nog een gaatje in de agenda kunnen vinden, maar moest gauw weer terug om te lobbyën over awacs voor Saoedi-Arabië. Doch de mensen op de voedselconferentie vonden hem best een aardige man in de omgang. Hoewel, wat schoot je op met dat congres? De Amerikaanse economie moest op peil blijven en de bestaande stelsels mochten niet veranderd worden. zo zitten we dan in deze week van de dankstond met een vraagstuk, dat onoplosbaar lijkt. Ps. 67 legt een verband tussen de aarde, die haar gewas geeft en het loven van God door de volkeren. Het is moeilijk om dat verband in de werkelijkheid te doen gelden. Het is gemakkelijker om te bidden: “Waar menig mens eet brood ter smarte, heb Gij ons mild en wel gevoed” en om dan tevreden te zijn met het tweede gedeelte van die zin en vrede te hebben met het eerste deel.