Christendom in de tachtiger jaren (2)
1981-11-13
De vorige keer stonden wij stil bij het geestelijk klimaat in de tachtiger jaren. In drie concentrische cirkels bespraken wij eerst de buitenste voorgrondsverschijnselen die Lasch met narcisme omschrijft.- Jaargang 25
- nummer 41
Daarna stonden wij stil bij de krisisstemming - soms ondergangs-denken aan de hand van Boerwinkels boek: Einde of nieuw begin? Tot slot zagen wij als de binnenste circel en kern van de zaak: het verlies van de "aura" (N. Bakker) d.i. de zins-horizont.
"Geen God noch maatschappij die mijn bestaan betrekt in een bezield verstand"
(H. Marsman)
Wat stellen wij daar nu als christenen tegenover? Wat is in dit licht onze roeping in de tachtiger jaren?
A. Allereerst deel ik de visie van Boerwinkel voorzover deze zich beroept op Genesis 18. Daar leert de bijbel ons dat de ondergang van een cultuur niet een noodlot is, een fatum, iets wat onafwendbaar naderbij rolt. Abraham bidt: Heer, als er nu eens 40 rechtvaardigen in de stad Sodom waren, zou u die dan vernietigen?
Zou u dan· niet veeleer de stad sparen terwille van die 40 rechtvaardigen ... ? De Here antwoordt: "Ja - .dan zal ik de stad sparen".
Maar er zijn er geen 40 ... dan zegt Abraham: maar als er nu eens 35 zijn ... dan zegt de Here: dan zou ik ze nog sparen ... nu ja, u kent het verhaal: Abraham gaat door tot 10 en dan durft hij niet verder.
Zelfs als er 10 geweest waren zou de Here de hele stad gespaard hebben.
Wat oneindig belangrijk is hier de mens, d.w.z. de rechtvaardige, die heus niet onaangeroerd in deze stad weg gaat. In2 Petrus 2 : 7 staat van Lot geschreven: "Dag aan dag heeft hij zijn ziel gekweld door het zien en horen van hun tegen de Thora ingaande werken". Hij had zwaar te lijden onder de druk van zijn cultuur - onder het verlies van de aura - onder de zuigkracht van de sensatie - en toch is hij op God blijven hopen - zo belangrijk is inderdaad "the creative minority", deze creatieve minderheid.
Maar ... wie oog in oog staat met zo'n cultuur, zal ook moeten nadenken over de activiteiten van deze creative minority die wij als kerk geworden zijn. Waarop moet nu in de tachtiger jaren alle aandacht liggen? Dit leidt mij tot punt 2.
B. Wij moeten de continuïteit niet verliezen - in wezen moeten wij niets anders doen, dan wat de gemeente van Christus van alle tijden heeft mogen doen - bouwen op de vier pilaren van Hand. 2: 42. De Kerk van Christus bestaat sinds Pinksteren op 4 grondpilaren: volharden bij de leer van de apostelen en de gemeenschap, het breken van het brood en de gebeden.
Alleen: Wat een actualiteit krijgen die 4 punten in onze tijd!
1. In de eerste plaats: volharden bij de leer van apostelen en profeten betekent in onze tijd dwars tegen alle levensgevoel van de moderne mens in: het stellen van een zinshorizont - geen God noch maatschappij (zegt M.) die mijn bestaan betrekt in een bezield verband.
Wij zullen als christenen nu meer dan ooit tevoren met de boodschap van het evangelie van Christus' kruis en· zijn opstanding de zinshorizont moeten stellen.
Het hééft een zin: onze cultuur - er schuilt een geheim achter de geschiedenis van de Europese mens, van de volkeren-wereld - er is een alternatieve geschiedenis - die zich daarachter - en soms in wondere verbinding mèt onze geschiedenis ontvouwt. Die alternatieve geschiedenis is de geschiedenis van de Opgestane Heer en het werk van de Geest. Het is zendingsgeschiedenis.
Hoe is die relatie? Hoe is nu het verband tussen de voert gang van Christus werk, de komst van ZIjn Rijk, de ontvouwing van Gods heilsplan en onze geschiedenis, die wij dagelijks in de krant en op het journaal tegenkomen? De bevrijdings-theologie ontkent dat er twee geschiedenissen zijn. Bevrijdings-theologen als Metz en Sölle geloven in die éne transcendentieloze geschiedenis als het enige wat er is. Gods geschiedenis en die van de mens vallen samen - maar wie dat gelooft, verliest het geheim en sluit een vals compromis tussen Marx en Jezus.
Andere christenen ter rechter zijde zoals W. Aalders - en vele evangelische schrijvers zoals Clifford Wilson in zijn boek "De tachtiger jaren" scheiden die twee geschiedenissen.
Totale scheiding. Waarbij deze wereld en haar geschiedenis alleen maar een geschiedenis van totale mislukking wordt.
"When I walked through the desert of this world" (toen ik door de woestijn van deze wereld liep ... ).
Zo begint Bunyan's Christenreis.
Ook dat is geen bijbelse lijn, en het leidt tot doemdenken.
Neen, de geschiedenis van de voortgang van Gods Koninkrijk en de geschiedenis van de mens zijn op een voor ons onzichtbare wijze met elkaar verweven.
Het is met de geschiedenis van het Rijk van God, zegt Thielicke, als met een groot monument dat in het midden van een stad wordt opgericht.
Er staan schuttingen omheen - en je hoort het hameren en het boren, dag in dag uit, en soms zie je er iets van door een kiertje in de schutting, maar het geheel wordt pas zichtbaar op de dag van de inwijding, als de schutting valt en als het monument wordt onthuld. Dan zal, zegt de bijbel, de aarde vergaan maar de werken daarop zullen gevonden worden.
Dat zijn de bouwstenen uit onze geschiedenis vóór het Rijk van God.
Het is op dit vlak dat de gemeente van Christus vandaag pal moet staan. Zij moet de zinshorizont stellen.
De geschiedenis van de mensen is dank zij het verlossend werk van Christus geen zinloze geschiedenis.
Ze is de geschiedenis van de ontplooiing van Gods schepping - Hij, de Heer maakt ook met onze kromme stokken rechte· slagen (Rom. 8 : 28). Ze is tegelijk ook geschiedenis van Gods geduld (2 Petrus 3 : 9). Ze is als een akker met graan en onkruid (Math. 13: 24 e.v.). Ze is zendingsgeschiedenis (Math. 28). Ze bestaat uit bouwstenen en uit puin (1 Cor. 3: 13 e.v., 2 Petr. 3: 10). Wij zullen in de jaren '80 moeten volharden bij de leer van de apostelen op een manier die laat zien welk licht er vanuit het Evangelie van Christus straalt over de volkerenwereld en haar geschiedenis. Hoe Christus de Hersteller maar ook de Voltooier is en zal zijn van déze aardse geschiedenis.
Dat zal ons voeren op een kwetsbare middenweg tussen bevrijdingstheologie - en theologie van de verontrusting.
Kwetsbaar omdat zij beide heel veel dingen wèl weten, die wij niet weten. Wij moeten leren vasthouden aan geheimen. Ik denk dat daarbij speciale gaven van de Geest onmisbaar zijn - misschien wel het meest wat John White in zijn kinderboeken de masjaal-steen noemt: de gave van het onderscheiden van de geesten. Als Lucie de blauwe edelsteen om haar hals hangt - dan ineens ziet zij wat zij eerst niet zag: de krachten van Gaäl - dat is de opgestane Heerdie blauw liet kasteel met zijn ondoorgrondelijke gangen doordringen en ook de afzichtelijke tentakels van de duivel die Kardia de hoofdpersoon, in zijn greep probeert te houden (in "The tower of Geburah").
2. Het tweede wat Hand. 2: 42 ons leert is: volharden in de gegemeenschap.
Méér dan in de zeventiger jaren zal het in de tachtiger jaren aankomen op deze tweede steunpilaar: volharden in de gemeenschap.
Ik heb deze week een boek van de R.K. bevrijdingstheoloog Metz gelezen "Voorbij de burgerlijke religie".
Metz zegt: "Er zijn eigenlijk 3 soorten kerken: 1. De verzorgings-kerk - die hoort bij de Middeleeuwen.
Daarin wordt iedereen verzorgd van de wieg tot het grafen intussen worden de leden helemaal gecontroleerd en geleid door de kerk. Die kerk is grotendeels voorbij; 2. De burgerkerk is de kerk die in de tijd van de opkomst van de burgers ontstaat. Dat is een kerk die als een soort heilsinstituut op zondag genade uitdeelde: een service-kerk. Wat is uw enige troost beide in leven en sterven?
Individuele verlossing. Redding van de ziel - door woord en sacrament .'.. ' Dat is de tweede fase van de burgerlijke kerk die nog overal rond ons is; 3. De derde kerkvorm die nu doorzet, is de basisgemeente - die hij initiatiefkerk noemt - daar groeien kleine kernen van mensen samen, die geloven in een boven-individueel heil die zonder nadruk op persoonlijke verlossing steeds bezig zijn met het ontplooien van nieuwe initiatieven: hoe wij deze wereld leefbaar en over-leefbaar kunnen maken.
Wat mij boeit in deze drie visies is de dynamiek. Inderdaad, de kerk is niet alle eeuwen en tijden gelijk .. ze is als een leger dat voorttrekt en zich steeds opnieuw her-organiseert - en hergroepeert. Daarbij moeten de soldaten, die wij zijn, eigenlijk alleen maar gevoelig reageren op de leiding die ons van boven gegeven wordt. Wees niet bezorgd om uw levensonderhoud, zegt Paulus tegen Timotheüs: Je behoeft slechts hem te voldoen door wie je bent aangesteld - als soldaat. In die dynamiek van de gemeente moet voorop staan: volharden in de gemeenschap - of opnieuw wegen zoeken die tot gemeenschapsvorming leiden. Basisgemeenschappen - inderdaad - maar dan niet zoals Metz wil - actiegroepen - van in wezen onbekeerde mensen maar van personen, die zelf persoonlijk gelovig zijn en hun heil in Christus zoeken - en daarom samen zich open stellen voor Gods leiding met hun basisgemeenten.
Voor l'Abri betekent dat: volharden in de gemeenschap dwars door alle diepten heen! In Utrecht ben ik lid van een gemeente, waarin ik stadium 2 en stadium 3 van Metz inéén verbonden zie. Ik moet daarbij denken aan een vliegdekmoederschip.
De gemeente in het groot - de burgerkerk inderdaad soms met zijn service-karakterals vliegdekmoederschip - maar dan wel een schip dat tegelijk als uitvalsplaats dient voor vele kleine kringen en kernen en groepen die ieder onder leiding van Gods Geest hun eigen missie volbrengen - als helicopters en straaljagers en patrouilleboten - steeds in de weermaar ook steeds weer terugkerend aan boord om daar te tanken en bij te komen.
3. Nu het derde, het breken van het brood. Dat is zó belangrijk in Handelingen dat het als 3e pilaar van de gemeente genoemd wordt: Wieens brood men eet diens woord men spreekt, is een oud-Nederlands spreekwoord - inderdaad. Zo moet de gemeente leven uit dit brood dat uit de mond van de Here is voortgekomen!
Wie het Avondmaal leert vieren naar Christus bedoeling, die leert een andere mentaliteit. Dat is in de tachtiger jaren het eerste dat nodig is: een mentaliteitsverandering.
a. Wie het brood breekt - dàt allereerst - leert zelf te leven uit het gebroken brood. Paulus noemt het: de dood van Christus verkondigen - dat heeft alles te maken met de dood van ons-zelf - en de dood van de stad - en de dood van een cultuur en het stof des doods wat over onze cultuur ligt uitgebreid: 3 titels van bekende l'Abri-boeken over onze tijd.
De dood wordt verzwegen, wordt verdrongen en wordt ontvluchtmaar ze staat steeds dreigender vóór ons.
Wie het brood breekt, laat de dood toe in zijn leven - viert zijn eigen dood - als een dood die in Christus is overwonnen, en leert nu ook lijden onder de dood van de mens en de culturen zonder Christus, zonder aura!
b. Het tweede wat het Avondmaal ons leert is een verandering van onze waarden. Wie het brood breekt komt in aanraking met een liefde die bereid was voor ons te sterven - "Zo heb ik u een voorbeeld nagelaten opdat u in mijn voetstappen zoudt wandelen", zegt Jezus in Joh. 13 - niet liefde die gericht is op het behoud van het eigene - en de heerszucht en behoudzucht die daaruit voortvloeitmet alle narcisme erbij - maar zelfovergave in liefde te beginnen voor de minste van Christus broeders.
c. En tenslotte wie brood breekten Christus in de ogen ziet, laat Zijn leven in zich toe - en dat is meer dan Jezus zien als ons voorbeeld - het is open staan voor Zijn kracht en Zijn treurnis en voor Zijn liefde - Wiens brood men eet diens knecht is men. Dat kan je ook zeggen.
Daarom: terug naar het breken van het brood, zoals dat in in steeds meer gemeenten gebeurt, liefst iedere zondag.
4. Tenslotte: de vierde steunpilaar: volharden in de gebeden. Wonderlijk dat dàt als 4e hoofdmoment van het gemeente-zijn zo nadrukkelijk genoemd wordt. Zij bleven volharden in de gebeden.
Daaraan herken je de ware basisgemeente - aan de gebeden, ik denk in onze tijd vóór alles: verootmoedigend en in boete-doening - maar ook net als de weduwe uit de gelijkenis van Lukas 18: roepend om de komst van de Here.
Als de Zoon des mensen komt, zal hij dan het geloof vinden op de aarde? zegt Jezus.
Het lijkt hem sterk - en misschien lijkt het ons ook wel sterk om het op te brengen, vooral dit laatste.
Te blijven volharden in de gebeden.
Vooral als je niets ziet en als er niets gebeurt Zo is vaak het kenmerk van onze tijd - dan toch volhouden.
Bidden - samen bidden - dat is de 4e en wezenlijke hoeksteen van de gemeente (vgl. Hand. 12 :12).
Op deze wijze alléén zal ook l' Abri de jaren tachtig tegemoet kunnen gaan .. Het was de allereerste roeping van l'Abri "to be an exhibition of the existence and the character of God".
Dat heeft zich in de jaren '60 en '70 zó uitgewerkt, dat l'Abri voor vele gasten en studenten een A.N.W.B.-bord mocht zijn dat hen dichter naar het reisdoel van Gods Rijk bracht. Of dat in de tachtiger jaren ook zo zal zijn, weet ik niet - als wij maar vasthouden aan dat le doel: "to be an exhibition of the character and the existence of God", dit is een teken te zijn van Gods genadige werkelijkheid.
Dat kàn alleen via dit viervoudig spoor uit Hand. 2 : 42 - oog in oog met onze samenleving - zoals wij vanmiddag zagen.
Gaan wij in dit spoor verder, dan kan het best zijn dat zich in de jaren '80 voor ons nieuwe wegen openen - maar dat zien wij morgen dan wel weer - onze enige zorg is: Hem te voldoen door wie wij zijn aangesteld! Als wij dat doen, blijft het spannend!