Breukelen vanaf de zijlijn (6)

1981-11-13
  • Jaargang 25
  • nummer 41
"Wie met de ganse kudde wil rekenen, zal daarvoor veel dienen op te offeren".

Het was op de zesde zittingsdag van de Landelijke Vergadering van Breukelen, zaterdag 31 oktober j.l., op de kop af vijftien jaar geleden, dat bovengenoemde woorden in het midden van de kerken werden neergelegd.
Ze zijn te vinden in de Open Brief aan de Tehuisgemeente in Groningen, die op 31 oktober 1966 werd gepubliceerd en die in de ontstaansgeschiedenis van onze kerken een belangrijke rol heeft gespeeld.
Toch was er die zaterdag in Breukelen niemand die van dat jubileum melding maakte. De Open Brief werd niet één keer genoemd, ook al zitten drie ondertekenaars ervan in Breukelen achter de moderamen tafel. Maar de woorden uit de Open Brief, die we hierboven citeerden, bleken na vijftien jaar nog niets van hun aktualiteit verloren te hebben. Ze weerklonken op 31 oktober j.l. in verschillende bewoordingen en toonaarden bij de bespreking van de in eigen en Christelijke gereformeerde kring levende bezwaren tegen het in Wezep vastgestelde art. 34 van het Akkoord van kerkelijk samenleven: Denk op dit punt niet alleen aan jezelf en je eigen mening, maar ook aan anderen binnen de kerk die in gewetensnood zitten door de in Wezep aanvaarde formulering! Denk ook aan de kerken met wie we samen op weg zijn naar eenheid en die ook grote moeite hebben met art. 34! In die geest werd el' in Breukelen gesproken, en in die geest werd er uiteindelijk ook besloten: "Wie met de ganse kudde wil rekenen, zal daarvoor veel dienen op te offeren".
Maar aan de uiteindelijke beslissing in deze geest ging heel wat vooraf.

Het heil van de gemeente
Zoals gezegd, op 31 oktober stond in Breukelen allereerst art. 34 centraal.
De Landelijke Vergadering van Wezep 1978/1979 had dat centrale artikel van de nieuwe kerkorde (opvolger van het aloude art. 31 DKO) als volgt geformuleerd: "Een besluit van de regionale of landelijke vergadering zal door de plaatselijke kerken bekrachtigd worden 'en in onderlinge liefde nagekomen, tenzij dit besluit strijdig bevonden wordt met de Heilige Schrift of met het Akkoord van kerkelijk samenleven of niet strekt tot heil van de gemeente. De kerk die een besluit niet bekrachtigd, zal hiervan aan de zusterkerken rekenschap geven".
Maar al in Wezep bleken er grote weerstanden tegen deze formulering te bestaan, vooral tegen het feit dat daarmee voor een plaatselijke kerk de mogelijkheid wordt geopend om een besluit van de zusterkerken naast zich neer te leggen, als men vindt dat dat besluit "niet strekt tot heil van de gemeente", Op de voortgezette Landelijke Vergadering van Wezep (samengesteld via rechtstreekse afvaardiging van alle kerken) werd een voorstel om deze passage te schrappen, met 45 tegen 34 stemmen bij 8 onthoudingen verworpen.
Dat kennelijke gebrek aan eenstemmigheid in de kerken op dit punt was voor enkele regio's aanleiding om bij de Landelijke Vergadering van.
Breukelen aan te dringen op een herziening van de bewuste passage, zodat het geheel een groter draagvlak in de kerken zou krijgen. Ook een aantal kerken met grote bezwaren tegen art. 34 had zich tot Breukelen gewend met het dringende verzoek om de acht woorden over het heil van de gemeente uit art. 34 te verwijderen, of op z'n minst duidelijk te maken dat deze bepaling alleen zou kunnen worden toegepast in praktische, en niet in principiële zaken.
Een greep uit de bezwaren tegen art. 34, zoals diverse kerken die in brieven aan de Landelijke Vergadering formuleerden: De bewuste passage - stelt een vrijelijk interpreteerbaar "heil van de gemeente" op één lijn met de vastigheid van Gods Woord en het Akkoord van kerkelijk samenleven en wekt de indruk dat dat gelijkwaardige normen voor niet-bekrachtiging van besluiten zijn; - is zo ruim geformuleerd, dat het niet alleen in praktische, maar ook in principiële zaken toepasbaar is; - opent de deur voor willekeur en biedt gelegenheid voor kerken om schriftuurlijke besluiten zonder meer naast zich neer te leggen; - is overbodig, gezien de uitspraken in de Preambule en art. 31 en 33 van het Akkoord van kerkelijk samenleven waarin gewaarschuwd wordt tegen tirannieke eenheidsdwang en een heersen van de meerdere vergaderingen.

Vóór handhaving
In de bespreking in Breukelen leken de wegen aanvankelijk ver uiteen te gaan. Sommige afgevaardigden, die de passage over het heil van de: gemeente wilden handhaven, zagen daarin vooral een garantie tegen betutteling en bevoogding van de plaatselijke kerken door landelijke besluiten, waar veel gemeenten niet om hebben gevraagd. Zij toonden zich bevreesd voor een wellicht ooit optredende neiging om via besluiten van meerdere vergaderingen uniformiteit in allerhande praktische zaken af te dwingen, bijv. in de inrichting van de eredienst, het stemrecht in de kerk e.d. Ook al is een besluit van een meerdere vergadering op dit gebied naar zijn inhoud niet in strijd met de Heilige Schrift (in art. 34 genoemd als grond voor niet-bekrachtiging), daarmee is het nog niet
automatisch ook een door de Heilige Schrift geboden besluit dat de plaatselijke kerk dus ook zou moeten nakomen, aldus bepleitte ouderling Van den Dool handhaving van de passage over het heil van de gemeente.
Bij anderen bleek de gehechtheid aan die woorden nog diepere wortels te hebben. Zo betoogde ds. Moggré, dat schrapping ervan een ongeoorloofde inperking zou betekenen van de fundamentele vrijheid die plaatselijke kerken z.i. hebben tegenover de besluiten van meerdere vergaderingen.
Hij noemde een weglaten van de gewraakte passage een "terugkeer naar de Sinaï" (Gal. 4 : 24), naar het leven onder de wet in plaats van onder de genade en hield de afgevaardigden Gal. 5 :1. voor: "Opdat wij waarlijk vrij zouden zijn, heeft Christus ons vrijgemaakt. Houdt dus stand en laat u niet weer een slavenjuk opleggen". "Op grond van dit apostolisch vermaan moeten we de wacht betrekken bij de vrijheid van de christelijke gemeente. Pleidooien voor het bindend gezag van besluiten van meerdere vergaderingen hebben daarentegen geen vierkante centimeter Bijbelse grond om op te staan", aldus ds. Moggré. Hij gaf de kerken met bezwaren tegen het door Wezep vastgestelde art. 34 toe, dat de gevaren van willekeur en doen wat goed is in eigen ogen reëel aanwezig zijn: "Het leven in vrijheid is een riskant en kwetsbaar leven". Maar hij benadrukte, dat de bescherming tegen die gevaren niet ligt in bindende besluiten van meerdere vergaderingen of strakke kerkordelijke bepalingen, maar in het leven met Christus en vanuit de dagelijkse leiding door Gods Geest.

Tegen handhaving
Namens de commissie voor contact en samenspreking met andere kerken wees ds. Van den Brink de vergadering op de grote bezwaren in Christelijke gereformeerde kring tegen de passage in art. 34 over het heil van de gemeente. Men vraagt zich in de kring van de deputaten af, of deze passage geen ontsnappingsclausule biedt voor plaatselijke kerken om zich te onttrekken aan dát - onopgeefbare - deel van de kerkordelijke regels dat regelrecht uit Gods Woord stamt. Maar ook als het gaat om minder zwaarwegende bepalingen, ontstaat door deze passage toch het gevaar, dat er plaatselijk zulke grote verschillen gaan optreden tussen het Christelijke gereformeerde en Nederlands gereformeerde kerkelijk leven, dat de onderlinge eenheid daardoor belemmerd wordt, zo gaf ds. Van den Brink de Chr. Geref. bezwaren weer. Hij herinnerde aan de voorwaarden waaronder de Chr. Geref. synode van 1965/66 kansel ruil en intercommunie op plaatselijk vlak toestond, nl. naast eenheid in de leer ook het hebben van gelijke kerkordelijke bepalingen. "Als we werkelijk menen wat we eerder hebben uitgesproken, nl. dat we de eenheid begeren met de Chr. Geref. kerken, laten we dan ook rekening met hen houden en wegdoen wat die eenheid in de weg staat", zo hield hij de vergadering voor.
Ouderling Camfferman herinnerde eraan, hoe in de ontstaanstijd van onze kerken o.m. in Noord-Holland met een beroep op "het heil der kerken"
de kerkorde werd geschonden, kerken werden gescheurd en buiten het kerkverband werden geplaatst. "Toen hebben we ervaren dat in tegenstelling tot het subjectieve heil van de kerken juist de kerkorde recht verschaft aan de rechtelozen", aldus deze afgevaardigde.
Anderen benadrukten dat de passage over het heil van de gemeente de weg opent om zich op volstrekt willekeurige gronden te onttrekken aan landelijk aangegane - bijv. financiële - verplichtingen.

Wie met de ganse kudde wil rekenen ...
Forse tegenstellingen dus rond het "heil van de gemeente". En daarom was het des te verrassender dat de afgevaardigden elkaar tenslotte toch in overgrote meerderheid wisten te vinden. De pleidooien "om met de ganse kudde te rekenen" en om tegemoet te komen aan de bezwaren in Chr. Geref. en eigen kring bleken niet tevergeefs te zijn geweest, ook al ging men - in verband met de dan te verwachten gewetensnood bij andere broeders en andere kerken - niet zover om de bewuste passage zonder meer te schrappen.
Met 40 tegen 2 stemmen bij 4 onthoudingen werd een door de kerk van Ede ingediend voorstel aanvaard, waardoor art. 34 nu als volgt komt te luiden: "Een besluit van de regionale of landelijke vergadering wordt door de plaatselijke kerken bekrachtigd en in onderlinge liefde nagekomen, tenzij dit besluit strijdig bevonden wordt met de Heilige Schrift of met dit Akkoord van kerkelijk samenleven. Een kerk die een besluit niet kan bekrachtigen om bovengenoemde redenen, of niet kan uitvoeren om redenen die het welzijn van de gemeente betreffen, zal hiervan aan de zusterkerken rekenschap geven".
Voornaamste verschil met de oorspronkelijke formulering, aldus de toelichting van de kerk van Ede, is dat in de nieuwe tekst de schijn vermeden is, dat naast de Heilige Schrift en het Akkoord van kerkelijk samenleven het heil der gemeente als derde norm voor kerkelijk handelen zou worden ingevoerd. Ook is het zwaargeladen woord "heil" niet zonder reden vervangen door het woord "welzijn" dat een veel praktischer geest ademt.
Bovendien, aldus Ede, is er een onderscheid gemaakt tussen "nietbekrachtigen" en "niet kunnen uitvoeren". Het laatste zal alleen plaatsvinden om praktische redenen, gelegen in de situatie van de plaatselijke gemeente, terwijl het eerste om meer principiële redenen zal geschieden.
Ds. Van den Brink sprak de verwachting uit dat de Chr. Geref. deputaten met deze nieuwe formulering geen problemen zullen hebben ("de suggestie van volslagen independentisme ten aanzien van de variabele en invariabele delen van de kerkorde die in de Wezepse formulering kon worden gelezen is nu van tafel") en zei van mening te zijn dat daarmee een belemmering op de weg naar eenheid tussen beide kerken is weggenomen.
Ongetwijfeld zal in de komende tijd de nieuwe formulering door deze en gene binnen en buiten onze kerken op de snijtafel worden gelegd, en zullen van de nieuwe woorden in art. 34 alle mogelijke exegeses worden beproefd. Maar dat kan allemaal niets afdoen aan de kennelijke bedoeling en het duidelijk aanwezige verlangen van de vergadering in Breukelen om tegemoet te komen aan de bezwaren van binnen en buiten onze kerken tegen independentische conclusies die uit de oude formulering te trekken zouden zijn. In dat licht, en op geen enkele andere manier, moet de nieuwe tekst gelezen en beoordeeld worden.

Entoen waren er nog dertig
Ja, en dan denk je in je argeloosheid: Als het met art. 34 zo vlot is gegaan, dan zal het met de nog resterende artikelen 1-30 van het Akkoord ook wel soepel lopen. Maar wie dat dacht, kwam in Breukelen bedrogen uit. Want op een verblijdende morgen volgde een veel minder plezierige middag. Een middag, beheerst door forse verschillen van inzicht over de vraag, in hoeverre er ten aanzien van de ambten, de tucht, de eredienst, de sacramenten en de kerkelijke examens (allemaal zaken die in de artikelen 1-30 aan de orde komen) uniforme landelijke regelingen noodzakelijk zijn. Een middag ook, gekenmerkt door een gebrekkige Tenslotte vergadertechniek en veel verwarring, waarbij zich pijnlijk het gemis deed voelen van een commissie of rapporteur ("een wijze man", zei ds. Blokhuis) die de ter tafel liggende voorstellen verdedigt, als klankbord dient voor opmerkingen vanuit de vergadering, en in staat is wijzigingssuggesties te noteren, te wegen, te beoordelen op hun consequenties en eventueel in de tekst te verwerken.
Wat dat laatste betreft, de art. 1-30 zijn afkomstig van de eerste Commissie Funktionering Kerkverband, de zgn. commissie-Meulink en dateren uit de jaren 1972-1974. Deze commissie is allang met emeritaat en kan in Breukelen zijn voorstellen niet verdedigen. Daardoor kwamen op 31 oktober allerlei opmerkingen over bijv. art. 1 van het Akkoord volstrekt in het luchtledige terecht. Aan het eind van een wat chaotische discussie werd dan ook besloten om de al eerder ingestelde commissie-
Bouma (met als leden ds. Bouma, ds. Van der Linde en ouderling Camfferman) in dat verband een zwaardere, uitgebreide opdracht te geven.
De commissie kreeg tot taak om, uitgaande van de door de commissie-Meulink gemaakte art. 1-30, de wijzigings- of weglatingsvoorstellen daarop van de regio Arnhem en van enkele kerken te bekijken, deze desgewenst op bepaalde punten in het oorspronkelijke concept te verwerken en zo te komen tot een nieuw voorstel dat aan de vergadering wordt voorgelegd en door de commissie ook zal worden verdedigd. De commissie mag zich in die taak laten bijstaan door één van de leden van de oude commissie-Meulink, ds. J. C. Janse.
Daarmee heeft deze commissie een zware klus op de schouders gekregen.
Want, is het wegen en toetsen van allerlei schriftelijke en mondelinge wijzigingsvoorstellen op 30 artikelen al een tijdrovend en lastig karwei (ook als het alleen maar om redactionele veranderingen gaat), helemaal moeilijk wordt het, wanneer op de achtergrond een diepgaand verschil in visie ten aanzien van het totaal van de artikelen meespeelt. En ook dat bleek bij de inleidende schermutselingen over de art. 1-30 overduidelijk.
Sommige afgevaardigden bepleitten - met het oog op de eenheid met de Chr. Geref. kerken - een zo nauw mogelijke aansluiting bij de DKO in de lijn van de voorstellen van de commissie-Meulink. Anderen waren daarentegen van mening dat de nieuwe kerkorde zich tot een minimum aan landelijke afspraken zou moeten beperken en zoveel mogelijk zou moeten overlaten aan' plaatselijke regelingen, zoals voorgesteld door de kerk van Utrecht.
Een greep uit de discussie op dat punt, in dialoogvorm gereconstrueerd: Ouderling Den Engelsen: Maar waar blijft zo de onderlinge herkenbaarheid, als er plaatselijk grote verschillen komen in de inrichting van het kerkelijk leven?
Ds. Algra: Je herkent elkaar allereerst aan de inhoud van de prediking, en niet aan de manier waarop het in de kerkdienst precies toegaat.
Ds. Van den Brink: De richting opgaan die Utrecht wil (geen 30, maar 19 artikelen) wijkt zover af van de DKO, dat het de eenheid met de Chr. Geref. kerken schaadt. En op een eerdere zitting hebben we uitgesproken dat we dat niet willen.
Ds. Van der Dussen: We moeten een open bespreking over een eventuele forse beperking van het aantal landelijke kerkordelijke afspraken niet laten blokkeren door het perspectief van een overigens gewenste eenheid met de Chr. Geref. kerken. Het zou niet goed zijn, als we onze eigen onderlinge kleurschakeringen helemaal door de Chr. Geref. kleur zouden laten overschaduwen.
Ds. Van den Brink: De teruggang van 85 DKO-artikelen naar een Akkoord met 40 bepalingen presenteert onze eigen kleur al heel nadrukkelijk. Daarmee zullen we het tegenover de Chr. Geref. deputaten al moeilijk genoeg hebben! Maak het onze commissie niet te moeilijk! Persoonlijk zou ik zelf wellicht ook wel terug willen naar minder artikelen, maar de eenheid met de Chr. Geref. broeders is veel belangrijker. Als we een federatie met hen willen, zijn we dan ook bereid daarvoor een prijs te betalen?
Tegen het eind van de middag werd een voorstel van de afgevaardigden uit de regio Den Haag om het zeer beknopte concept-akkoord van de kerk van Utrecht als uitgangspunt voor de verdere bespreking te nemen, en niet het voorstel van de commissie-Meulink, door praeses Van der Kwast met kunst- en vliegwerk van een (gelet op het uitblijven van contrageluiden uit de vergadering op dat moment zeker niet kansloos) stemming afgehouden. Hoewel er al geruime tijd over was gepraat, werd het plotsklaps buiten de orde verklaard. Een wat merkwaardige gang van zaken, ook voor wie het eens 'Yas met de argumentatie van de praeses, dat het vreemd en onjuist zou zijn om plotseling een voorstel, waaraan een door de kerken benoemde commissie lang en volhardend gewerkt heeft, opzij te leggen ten gunste van een door één kerk ingediend wijzigingsvoorstel.
En zoals gezegd, dat zal dan ook niet gebeuren. Te beginnen met de zevende zitting (D.V. op 30 januari 1982)zullen de art. 1-30 in bespreking komen, waarbij het voorstel van de commissie-Meulink als uitgangspunt dient. Moge ook dan de oproep gehoor vinden: "Wie met de ganse kudde wil rekenen, zal daarvoor ver! dienen op te offeren".

Tenslotte
- waren de Chr. Geref. deputaten op deze zitting vertegenwoordigd door ds. G. Bilkens en ouderling W. van Hattem.
- begon ds. Moggré zijn eerste speech op 31 oktober met de woorden: "Ik zal mijn redevoering niet zo lang maken als indertijd op een synode ds. Vonk vierenhalf uur sprak en vervolgens ds. Francke die zes uur achtereen het woord voerde".
- mag weleens de loftrompet gestoken worden over de broeders en (vooral) zusters uit Breukelen die elke keer weer de afgevaardigden en al het overige voetvolk spijzen en laven met koffie, thee, koek, soep en broodjes. Geweldig!
- kunnen zowel de commissie-Bouma als de overige afgevaardigden wellicht hun winst doen met de drie criteria die al op de Landelijke Vergadering van Wezep werden geformuleerd voor de toetsing van art. 1-30 (Notulen, p. 238), t.w.: 1. Overeenstemming met de Schrift wordt in de voorgestelde artikelen niets overeengekomen, dat de kerken in strijd zou brengen met het Woord van God of haar boven dat Woord zou binden? 2. Noodzaak en wenselijkheid - wordt niet teveel overeengekomen of te weinig? 3. Aansluiting bij de DKO - i.v.m. contacten met andere kerken, die de DKO in al dan niet herziene vorm gebruiken.
- werkte de Landelijke Vergadering op zijn zesde zittingsdag 8 van de . nog resterende 17 voorstellen en rapporten af, zodat er nog 11 ter behandeling overblijven.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief