De heilige Schrift en haar uitlegging

1982-04-23
  • Jaargang 26
  • nummer 16
Graag wil ik gebruik maken van het aanbod van de redactie in te gaan op het artikel "De wetenschap en het verstaan van de Schrift" van ir. Plooy, dat een reactie was op mijn artikel "Het letterlijk verstaan van de Schrift" in het nummer van 8 jan. j.l. Allereerst dan iets over

De intentie van mijn artikel
Het was niet mijn bedoeling om een "opstel" over het letterlijk verstaan van de Schrift" te leveren, waarin ik alle aspecten daarvan trachtte te belichten en bepaalde fundamentalisten wilde verwijten dat zij zich bij hun uitleg van de Schrift laten leiden, bewust of onbewust, door een wetenschappelijke belangstelling. Van een verwijt was dan ook geen sprake. Ik wees op het geváár dat ook de creationisten bedreigt dat zij ten gevolge van wetenschappelijke interpretatie van de 'feiten' die de Schrift ons meedeelt zich bij de exegése van die 'feiten' laten beïnvloeden door een wetenschappelijk vooroordeel, het omgekeerde van de door het evolutionisme beïnvloede exegese, maar principieel daarmee op een lijn staande. Ik deed dit naar aanleiding van een nogal felle aanval van drs. A. Keizer op prof. dr. B. J. Oosterhoff, waarbij de kwestie van het letterlijk verstaan van de Schrift wel een beheersende rol speelde. Moet de Schrift altijd letterlijk worden opgevat? Dat is helemaal geen probleem, zo betoogde br. Keizer. Ze moet soms ook wel figuurlijk worden verstaan, maar dat geeft zij zelf duidelijk genoeg aan. De Schrift wijst de gelovige onderzoeker zelf daarbij de weg. Het laatste stemde ik hem toe, maar ik wees er op dat de gelovige onderzoeker daarbij toch tekort kan schieten. En dat blijkt duidelijk uit het feit dat er meermalen verschil is over de vraag waar de Schrift letterlijk dan wel figuurlijk wil worden verstaan, en dat onder gelovige Bijbellezers en -onderzoekers. Ik wees daarbij op het verschillend verstaan in dit opzicht van sommige profetieën. In dat verband kwam het gevaar van wetenschappelijk vooroordeel, dat ook gelovige Bijbelonderzoekers en wetenschappers bedreigt, ter sprake. Dat gaf me aanleiding om iets te schrijven over het verstaan van de Schrift, waarbij ik stelde dat zij haar eigen uitlegster is en zich bij haar uitleg niet mag laten bepalen door de resultaten van welke wetenschap ook. Dat te bedenken maakt het mogelijk om als gelovigen onbevangen met elkaar te discussiëren wanneer wij in bepaalde gevallen eens verschillen over de vraag of een bepaald Schriftgedeelte letterlijk dan wel 'figuurlijk' moet worden verstaan. Op deze zin liep mijn artikel uit. Het was dus niet polemisch gericht, met verwijten naar een bepaalde kant, maar was vredestichtend van aard en bedoeling. Ik stel er prijs op dit nog eens met nadruk naar voren te brengen. Deze bedoeling blijft bij de weergave van ir. Plooy in elk geval wel in de schaduw.


LetterIijk dan wel 'figuurlijk'
Natuurlijk zegt het bovenstaande niets over het rechtmatige van wat ik schreef of doet dat niets af van de zakelijke critiek, die ir. Plooy op mijn artikel leverde. Daarbij komt allereerst de onderscheiding tussen letterlijk dan wel figuurlijk aan de orde. Zij, wordt door ir. Plooy als onduidelijk en verwarrend afgewezen. Zij behoort tot onze "warrige problemen", waarover de Schrift zich niet uitlaat. In de geschiedenis van de hermeneutiek (de wetenschappelijke theorie over de exegese) stond het letterlijk verstaan van de Schrift ook niet tegenover het figuurlijk verstaan ervan, maar o.a. tegenover allegorische en mystieke interpretatie. Ir. Plooy ontkent hier dus niet dat de kwestie van het al of niet letterlijk verstaan van de Schrift in de wat hij noemt de geschiedenis van de hermeneutiek een rol heeft gespeeld. Tegen het woord figuurlijk gaat zijn bezwaar. Het zal hem echter ontgaan zijn dat men onder dit woord nogal wat kan verstaan. Vandaar dat het in de geschiedenis en de hermeneutiek niet als zodanig besproken wordt maar wel in zijn 'onderdelen': de allegorische, de mystieke, de geestelijke interpretatie, waarvan dan het recht of onrecht concreet wordt aangewezen. Maar daartoe beperkt zich de figuurlijke spreekwijze niet, vgl. het brede opstel van prof. dr. J. Ridderbos over de uitlegging van de heilige Schrift in het Bijbels Handboek, deel 1. Daar blijkt nogal wat onder het woord 'figuurlijk' te kunnen worden samengevat. We komen het trouwens reeds bij Augustinus tegen. .Alwat in de goddelijke taal noch tot de eer der zeden' noch tot de waarheid van het geloof in de eigenlijke zin (proprie ) herleid kan worden, moet ge figuurlijk verstaan (figuraturn esse cognoscas)". Het bezwaar van ir. Plooy tegen de onderscheiding letterlijk/figuurlijk komt blijkbaar voort uit een te eng verstaan van het woord 'figuurlijk', alsof daaronder alleen de beeldspraak valt en die is in de Bijbel in de regel wel direct duidelijk "herkenbaar aan de normale taalkundige structuur ervan". Maar er is in de Bijbel meer dan van beeldspraak in de nu gebruikte zin van het woord sprake. Er zijn profetieën met eschatologische strekking, er zijn gedeelten die het karakter van een apocalyps hebben. Er is de figuur van de 'periodisering' of 'stylering' van de geschiedenis (Matth. 1). Er is sprake van getallensymboliek, om maar niet meer te noemen. Dit alles sloot de Reformatie niet uit toen zij koos voor het letterlijk interpreteren van de Schriftverklaring 1), die zich om de letter niet bekommerde, ja, daarvan zelfs àfleidde (Calvijn op Gal. 4 : 22), omdat de letterlijke zin al te arm en veracht werd geacht (idem). Maar zij stonden wel degelijk bij de 'figuurlijke' voorstellingen in de Bijbel voor soortgelijke vragen en moeilijkheden als wij. Eén voorbeeld mag daartoe dienen. Volgens Luther is er in Openb. 8 en 9 sprake van boze engelen; de eerste is Tatianus, de tweede Marcion, de derde Origenes, de vierde Novatus. De grote ellende komt echter in hoofdstuk 9 aan de orde: de vijfde engel is Arius, de zesde Mohammed! Zo werkt Luther de 'Bildern und Figuren' van het laatste Bijbelboek uit... Ook reeds Calvijn was van oordeel dat het bevel van de "de Here aan Hosea om zich een "ontuchtige vrouwen kinderen uit ontucht geboren" te nemen, niet letterlijk is op te vatten in die zin dat hij dit werkelijk moest doen. Volgens Calvijn is hier sprake van een levendige "voorstelling", een "zinnebeeldige voorstelling" in een visioen. Prof. J. Ridderbos sluit zich hier op een bepaalde manier bij aan; prof. A. Noordtzij verwerpt deze visionaire opvatting en kiest resoluut voor de realistische: het hier verhaalde is werkelijk gebeurd. We moeten dus het kiezen van de Reformatoren voor de letterlijke interpretatie van de Schrift niet als een algemene uitspraak verstaan maar als duidelijk gericht tegen een allegorische interpretatie, die niets met de woorden zelf had uit te staan, zoals daarvan bij Origenes en na hem in de Middeleeuwen sprake was. Ik merk wat dit punt betreft tenslotte nog op dat ik het woord 'figuurlijk' vrijwel steeds tussen aanhalingstekens heb gezet. Daarmee wilde ik aangeven dat het me niet om het woord als zodanig te doen was maar om de zaak, het aangeduide dilemma. Dat dilemma vervalt niet als men dit woord laat vallen. Dat lijkt teveel op het beëindigen van een ruzie tussen twee partijen door één ervan dood te schieten, een methode die aan rechtmatige twijfel onderhevig is. Hierbij kan ik het best een andere opmerking laten aansluiten.


Geloofstaal, geloofsuitspraken en omgangstaal
Ir. Plooy citeert van mij dat de Bijbel geen handboek voor de wetenschap is en geen wetenschappelijk doel heeft, maar geloofsuitspraken geeft, spreekt in geloofstaal.
Hij noemt dit spraakgebruik misleidend en levert er nogal wat kritiek op, in de mening dat ik met deze terminologie de grens tussen Bijbel en wetenschap zo scherp mogelijk wil trekken.
Dit berust echter op een misverstand. Genoemde uitdrukkingen komen in mijn artikel voor in een zin, waarin ik het standpunt van sommige creationisten - in casu dr. Ouweneel - weergeef zoals ik dat vond in 'Beweging 81' van augustus, pag. 83. In ging daarbij op deze terminologie niet nader in en trok er ook geen enkele consequentie uit. Daarom raakt de kritiek op deze termen mij in het geheel niet en draagt zij - wat belangrijker is - ook niets bij tot oplossing van het probleem dat ons bezig houdt. Ir. Plooy mag van mij rustig spreken over de taal van de Bijbel als omgangstaal ter onderscheiding van de abstracte, theoretische taal van de wetenschap, hoewel ik niet uitsluitend wil dat ook daarop kritiek te oefenen valt. Maar - en daar is het me nu om te doen - ook deze terminologie draagt niet bij tot oplossing van ons probleem. Wat is dat probleem? Dat van wetenschap en exegese, aldus de formulering van ir. Plooy.
Nu is het zo wel wat erg breed gezegd. Mijn uitgangspunt was dat de resultaten van de wetenschap de exegese van de Schrift niet mag bepalen of beïnvloeden. En daarbij had ik uitdrukkelijk de natuurwetenschap op het oog. Niet omdat ik, zoals ir. Plooy schrijft, de wetenschap ten onrechte met de natuurwetenschap identificeer, maar omdat het in het verband van mijn artikel om de natuurwetenschap ging. Dat gaf ik duidelijk aan, u kunt het zelf nalezen. Maar zij is ook wetenschap en omdat ik niet een wetenschappelijk artikel schreef met de daarbij behorende altijd wederkerende exacte formulering, maar in de omgangstaal sprak ik soms zonder meer van wetenschap en wetenschappelijke resultaten. leder kon daarbij weten wat ik bedoelde. Wanneer ik even verder keek dan de natuurwetenschap, zei ik dat er uitdrukkelijk bij. Ik liet daarbij de theologische wetenschap expres buiten beschouwing en volgde daarbij een overal te vinden spraakgebruik.

In een tweede en tegelijk slotartikel gaan we D.V. verder met ons antwoord aan ir. Plooy en kunnen we wat meer op de zaak zelf ingaan.

Noot
1) Vgl. Luther in een van zijn Tischreden: "Als ich jung war, da ging ich mit Allegoriis, Tropologiis und Anagogiis urn und machte eitel Kunst... Nun hab ich's fahren lassen, und ich meine beste und erste Kunst, tradere Scriptururn simplici sensur; denn literalissensur, der tut's, da ist Leben, da ist Kraft, Lehre und Kunst innen; in dem andem, da ist nur Narrenwerk, wie wohl es hoch gleich gleiszet". Luthers Werke, ed. Borcherdt. Merz., dl. 7, pag. 11.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief