Beproefde trouw (3)
1982-04-23
4. De reglementenkerk - Jaargang 26
- nummer 16
Na de Franse revolutie en de terugkeer van Oranje begon een periode (restauratie). Staatkundig, maatschappelijk, ook kerkelijk. De revolutiegeest was echter niet verdwenen. Andere namen voor dezelfde geestelijke stromingen kwamen naar voren. Men was nu liberaal, verdraagzaam, hoogste goed was rust, basis van macht en invloed voor de nieuwe regenten.
Alles van de 18e eeuw moest zoveel mogelijk mee de 19e eeuw in. En de mens, de verlichte mens, zou de zaken regelen naar zijn inzicht. Erkenning van de HERE en van Zijn verordeningen voor het leven, wie wist daar nog van? De koning, regerend als absoluut vorst (verlicht despoot) moest orde op zaken stellen, ook in de kerk.
Hij begon met traktementen aan predikanten weer ten laste van de staatskas te brengen. Ná 1795 waren die niet meer uitbetaald en de armoe van de bezettingsjaren was voor die groep nu tenminste verdwenen. Banden tussen overheid en kerk werden (financieel) weer aangehaald, de "zilveren koorde". De koning had de kerk, zo meende hij, ook nodig: zij moest dienen om gezag en traditie ten behoeve van volk en vorst te herstellen en te bevestigen.
Maar het kerkelijk leven echt herstellen? Een synode samenroepen, waarin de echte noden van de gemeenten aan de orde konden komen, daar kwam niets van in.
Daar zouden toch immers tegenstellingen in de leer naar voren kunnen komen. Nee, Willem trouw terzijde gestaan door ambtenaren-raadgevers - zag zijn taak vooral in het reglementeren van het kerkapparaat. In de Napoleontische tijd was men daarmee aangevangen en de toen opgestelde regeling werd tevoorschijn gehaald, ietwat gewijzigd en aangevuld en zonder dat enige kerkelijke instantie daarover advies mocht geven, door de Koning vastgesteld als "Algemeen Reglement voor het bestuur der Hervormde kerk van het Koninkrijk der Nederlanden". De naam "Gereformeerde kerk" kon er zelfs niet meer af. De kerk moest hervormd worden, dat betekende zoveel als afgestemd op de nieuwe tijd. Als structuur voor de organisatie van die hervormde kerk kwam te voorschijn: een hoofdbestuur (synode), provinciale en klassikale besturen, met filialen (de plaatselijke afdeling van de landelijke kerk). Wég de zelfstandige plaatselijke gemeenten, met de eigen ambtsdragers. De vele kerken waren tot één genootschap gebundeld. Alle benoemingen in die besturen geschiedden door of namens de Koning. De taak van die organisatie was: handhaven van de leer (in naam), bewaren van orde en eendracht, aankweken van liefde voor kerk en vaderland. Fraaie zaken voor de gemeente van onze Heer!
Zijn Naam werd niet genoemd, Zijn Woord bestond in die conceptie niet. Hij was als Hoofd van de kerk afgezet. En wat de leer betreft, maar ze moesten in verdraagzaamheid zó functioneren, dat de eendracht bewaard zou blijven. In kerkelijke archieven opgeborgen waren het historische documenten geworden, goed om onder het stof bewaard te blijven. Ging dat alles dan zomaar? Kwam niemand tegen die gang van zaken op? De vorst regeerde met absolute macht en legde enkele ingediende bezwaren naast zich neer. Wég was de unieke plaats van de gemeente van onze Heer in deze wereld. Wél was die er vóór 1795 ook niet zo nadrukkelijk geweest (men assimileerde zich aan de wensen van de overheid), maar toen was er in elk geval een vrij kunnen optreden van getrouwe ambtsdragers. Nu bleef er niets anders over dan een formele handhaving van reglementen door bestuurders, die de overheid aangesteld had. De eerste samenkomst van dit synodebestuur werd n.b. geopend door de commissaris-generaal van de eredienst (een ambtenaar, ondergeschikt aan de minister). Diep verval. Indien de HERE niet naar Zijn volk had omgezien, het zou in het reglementenjuk bekneld zijn en bezweken.
5.Afscheiding en Doleantie
De HERE ziet steeds weer om naar Zijn volk. De reglementenkerk uit het begin van de vorige eeuw vertoonde zeker niet Zijn beeld. Zijn Naam werd daar soms niet eens aangeroepen in de kerkdiensten.
De mens - vrij, goed in zichzelf, druk doende met "het godsdienstige" - had de eerste en ereplaats.
De prediking richtte zich op een net leven, op een voorbeeld voor anderen zijn, op een lieve God, die graag voortdurend gereed staát om goede mensen te helpen. Die rust verbrak de HERE echter. Hij liet in de gezelschappen behouden blijven, wat de officiële kerk al lang niet meer bood: een kinderlijke vrees voor Hem, het alles van Hem verwachten, het opzien naar Hem vanuit eigen onwaardigheid en zwakheid, om Christus wil. Hij deed in die tijd wonderen.
Een eenvoudig predikant te Ulrum, ds. Hendrik de Cock, kwam, nadat hij reeds 10 jaar in het ambt werkzaam was, tot grote ontdekkingen. De Schriften gingen hem open en hij kon de rijkdom van verloren-zijn en verlossing-ontvangen weer opnieuw aan zijn gemeente vertellen: een rijke middelaar. Toen hoorden de schapen de stem van de goede Herder en zij volgden die. Wekelijks kwamen steeds grotere scharen naar Ulrum. Het kerkgebouwtje werd te klein, men moest in het open veld diensten houden. Echte verkondiging van de blijde boodschap. De Cock ontdekte steeds meer de schatten uit het Woord, uit de reformatietijd: de gereformeerde leer, de gereformeerde kerkregering. Daar kwam verzet tegen. Onordelijk gedrag is het, als de mensen van heinde en ver komen om naar die éne dominé te luisteren. Zijn de anderen soms minder? Blijf toch in je eigen dorp.
Collega's en kerkelijke besturen gevoelden zich bedreigd en kwamen al gauw tot het oordeel, dat de kerkelijke structuur was aangetast en gevaar liep en daar moest een stokje voor gestoken worden. Vooral, toen ouders uit andere gemeenten voor hun kinderen de doop in UIrum aanvroegen, omdat daar tenminste de prediking van zonde en genade was. Twee ambtsdragers van De Cock uitten ernstige bezwaren tegen de gang van zaken in Ulrum. De Cock verweerde zich tegen de hem aangewreven beschuldigingen in een geschrift "Verdediging van de ware Gereformeerde leer en van de ware Gereformeerden, bestreden en tentoongesteld door twee zogenaamde Gereformeerde Leeraars of De schaapskooi van Christus aangetast door twee wolven en verdedigd door H. de Cock, Gereformeerd Leeraar te Ulrum, 1833". Toen was de boot aan. De Cock werd geschorst (1834) en enige tijd later, na vele verhoren door kerkelijke organen, afgezet als predikant. Beroep op de minister van Eredienst en later op de Koning baatte hem niet. In de Nederlandse Hervormde kerk kon wat hij deed niet toegelaten worden. De gemeente te Ulrum bleef echter samenkomen, toeloop van buiten bleef voortduren en uiteindelijk restte de kerkeraad niet anders dan "zich af te scheiden van degene die niet van de kerk zijn (art. 28 Ned. Geloofsbelijdenis) en dus geen gemeenschap meer te willen hebben met de Nederlandsche Hervormde Kerk, totdat deze terugkeert tot de waarachtige dienst des Heeren" .
Achter die kerkelijke organen, die zich beijverden de rust in de kerk te handhaven koste wat kost, stond het overheidsapparaat. Daaruit kwam mét de verdrukking vanuit de kerk het voor de rechter slepen van ambtsdragers vanwege overtreding van de kerkelijke reglementen, gevangenisstraf, boete, inkwartiering van soldaten e.d. Maar de verbreiding van het evangelie ging door en in vele andere plaatsen was eveneens een terugkeer van Gods Woord; de gereformeerde belijdenis ging weer leven en een plaats innemen en de kerkenordening van Dordt kon weer tevoorschijn gehaald worden.
Over de vele moeiten, die de afgescheiden gemeenten en haar leden ondervonden (moeiten van buitenaf en van binnenuit) zullen we hier niet verder spreken. Een boek als "Het wonder van de 1ge eeuw" (Algra) tekent die uitvoerig. De afgescheidenen gingen na verloop van tijd een èigen weg, los van de Ned. Hervormde kerk. In die kerk waren toch nog velen achtergebleven - ze waren niet met de afscheiding meegegaan - die de strijd om de Waarheid opmerkten en van harte begeerden dat er in hun kerkgenootschap bekering zou komen en ze gevoelden zich gedrongen daar wat voor te doen. Zij organiseerden zich om tot herstel van de oude kerk te komen, ontwikkelden vele activiteiten daartoe. Over die richtingen handelt een volgende paragraaf. Hier zij voorlopig opgemerkt, dat daarin in feite weer te herkennen was het patroon van de strijd, die ook in Dordrecht 1618/9 is gevoerd: voor of tegen de gereformeerde leer, beter gezegd om de Waarheid der Schriften tegenover menselijke opvattingen. De kerkelijke colleges, van bovenaf benoemd, bleven echter trachten de zaken in de Ned. Herv. kerk te beheersen. Geen zorg, of zij wel een vergadering van ware christengelovigen zou zijn, maar enkel of ze een rustige plek in de samenleving kon blijven "ter bevordering van godsdienstigheid".
Toen - omstreeks 1860 - verwekte de HERE Abraham Kuyper, die Hij in Beesd, zijn eerste gemeente als predikant, de kracht van Zijn Woord deed zien, van Zijn beloften en Zijn eisen. Deze man van grote gaven, heeft ruim 100 jaar geleden echt gestreden voor de heerschappij van Gods Woord in de kerk, tegenover alle vrijzinnigheid en dode orthodoxie. Wég met de menselijke overheersing, die n.b. in die tijd er toe kwam van a.s. predikanten niet meer te vragen in te stemmen met de belijdenisgeschriften, maar (slechts) te verklaren dat zij "de belangen van het godsrijk" zouden behartigen. Een formulering, die alle vrijheid liet om zelfs in de kerk godloochenaar te zijn. Na veel strijd kwam in 1886 te Amsterdam de ontknoping. De kerkenraad, waarvan dr. Kuyper toen deel uitmaakte, kreeg van bovenaf het bevel om jongelui van vrijzinnige levensopvatting toe te laten tot het afleggen van geloofsbelijdenis. De raad weigerde en daarop werden zowel predikanten als ouderlingen afgezet.
De gemeente, die voor het grootste deel dezen volgde, verbrak daarop de band met de synodale organisatie en noemde zich dolerend (klagend over onrechtvaardige behandeling).
Velen in den lande gingen ook toen eenzelfde weg en Kuyper trachtte ze bijeen te brengen. Hij was een groot organisator. In deze gemeenten was er direct een terugkeer tot Schrift, belijdenis en kerkorde In 1892 verenigden zich de gemeenten uit Afscheiding en Doleantie tot de Gereformeerde kerken in Nederland.
In de Nederlandse Hervormde kerk - want daar gaat het in dit verhaal in de eerste plaats om - was een tweevoudige aderlating geweest: in 1834 en in 1886. Niettemin waren er in die organisatie nog velen achtergebleven, die begeerden de HERE oprecht te dienen en die uitzagen naar herstel van de vaderlandse kerk.