Christiane F.

1982-04-23
  • Jaargang 26
  • nummer 16
De redactie van "Opbouw" vroeg me iets te schrijven over de film "Wir Kinder vom Bahnhof Zoo".
Voor het geval U er nog niet eerder over hoorde of las: centrale figuur is Christine F., een 15-jarig Berlijns meisje dat sinds haar 13e aan heroïne verslaafd is; decor is de wereld van verslaafden en handelaars rond een metrostation in Berlijn. Deze film die z'n bestaan te danken heeft aan de autobiografie van Christiane F., trok overal in het land belangstelling. Niet gewend kritische aandacht te geven aan de "taal" die een film spreekt, vind ik het niet eenvoudig m'n indrukken weer te geven. Op het boek is gemakkelijker vat te krijgen. Graag wil ik toch een paar opmerkingen maken, eerst over de film, vervolgens over de autobiografie.
De hoofdpersoon Christiane komt naar voren als een intelligent kind. Ze doet mee aan de dingen maar neemt er tegelijkertijd wat kritisch afstand van. De vader weet met al z'n ambities niets op te bouwen, is ruwen grof; de moeder is onzeker.
In een wat later stadium loopt het huwelijk vast, er volgt een scheiding en meer dan voor Christiane heeft de moeder aandacht voor de nieuwe vriend. Er is weinig nestwarmte, weinig geborgenheid. En de welvaartswereldstad met z'n mensenmassa en z'n verborgen en openlijke demoralisering heeft weinig houvast te bieden. Maar Christiane is 13, weet niet goed wie ze is, voelt zich onveilig en wil natuurlijk ergens bij horen. Bij leeftijdgenoten moet iets gemeenschappelijks te vinden zijn.
Lot- en leeftijdgenoten en een nieuwe boeiende wereld vindt zij eerst in het "Haus der Mitte" - de jeugdkelder in het kerkelijk centrum - en later in overvolle discotheken met oor- en geestverdovende inuziek. Daar waar je jezelf en anderen voortdurend kan waarnemen in de overal aanwezige spiegels, daar waar je onder de indruk raakt van "waanzinnig relaxte" figuren, daar vindt je een probleemloze wereld, veilig voor een paar momenten. De leegte is gevuld. Haar leven wordt een voortdurende vlucht naar die wereld waarmee ze zich steeds meer verbonden voelt: als deelneemster èn slachtoffer. Is er aanvankelijk wat onrust om en aversie tegen dat deel van de wereld waarin drugsexperimenteerders en -spuiters hun rol spelen, het duurt niet lang of Christiane maakt er deel van uit. Dan zien we een zekere stilstand in de film optreden.
Er is nog wel wat contact met het ouderlijk huis, er zijn nog wel wat ontmoetingen, maar het leefwereldje van Christiane krimpt steeds meer ineen tot dat van "Station Zoo". Moeder en dochter zijn beide aanwezig maar voor elkaar niet meer bereikbaar. Als twee schepen die op de donkere zee elkaar even een signaal laten horen en dan snel doorvaren. Dit element krijgt een bijzondere nadruk bij de verjaardag van Christiane. 's Morgens - de moeder is naar haar werk vertrokken - staat er op tafel een taart, wat geld ligt erbij. Dode dingen. Er is geen hand die iets aanreikt, die aanraakt, die liefkoost. Een hartverscheurend beeld.
In toenemende mate gaat Christiane op in de verloederde samenleving van Bahnhof Zoo. Drugsgebruik in allerlei stadia, jeugdprostitutie, uitbuiting, intimidatie, angst en geweld.
Toch bloeit er nog een bloem op deze puinhoop. Er ontstaat een relatie met Detlev die z'n dagelijkse portie heroïne verdient door met allerlei mannen mee te gaan. De genegenheid van deze twee verdorven kinderen voor elkaar is oprecht. Als ze "clean" zijn, bouwen ze aan luchtkastelen.
Samenvattend: “Wir Kinder vom Bahnhof Zoo" geeft, naar mijn smaak, een indrukwekkend beeld van een deel van een samenleving. Zeker, er is effectbejag, er is overaccentuering, er is soms een romantisch waas maar dat neemt allemaal niet weg dat deze film zeker inzicht geeft in de verslavingsproblematiek waarmee de grote stad zich geconfronteerd ziet.

Het verslag van de junkie Christiane F. is vastgelegd door K. Hermann en H. Rieck, twee journalisten, en voorzien van een voorwoord door drs R. van Amerongen, hooft afd. Voorlichting en Preventie van de Federatie van Instellingen voor Alcohol en Drugs. Het is voorzien van foto's van Christiane's vrienden en bevat verder verklaringen van Christiane's moeder, een chef' van een psycho-sociaal adviesbureau, een psycholoog e.a. De auteurs schreven zelf oom. "Wij kwamen met de destijds 15-jarige Christiane F. in contact toen zij tijdens een proces in Berlijn moest getuigen. Wij spraken af haar te interviewen en dachten daar twee uur voor nodig te hebben.
Deze twee uur groeiden uit tot twee maanden en uit de vele door ons op de band vastgelegde gesprekken met haar en mensen uit haar omgeving kwam dit boek tot stand. Wij menen dat Christiane's verhaal meer zegt over de situatie waarin veel drugs gebruikende jongeren zich bevinden dan menig zorgvuldig gedomenteerd rapport zou kunnen". Met een minutieus herinneringsvermogen en onvoorwaardelijke openheid brengt het meisje verslag uit over wat zij en haar' vrienden en vriendinnen hebben meegemaakt. Het is een verhaal dat zich behalve in Berlijn op vele andere plaatsen zou kunnen afspelen.
Zonder overdrijven mag ik zeggen dat dit boek goed zou zijn voor een serie artikelen over oorzaak en achtergronden van drugsgebruik en over de wereld van de verslaafde.
Maar er is niet veel ruimte en daarom een enkele greep. Nuchter en met een niets ontziende eerlijkheid geeft Christiane een beeld van de drugsscene; de wonderlijke en verknipte figuren tekent ze vaak met een mengeling van spot en hoon en meedogen. Haar eigen lichamelijke neergang en psychische aftakeling neemt ze waar met afgrijzen. Tijdens een afkickperiode wanneer zij en haar vriend gruwelijke ontwenningsverschijnselen doormaken zegt ze haar lichaam te haten en blij te zijn wanneer ze zou sterven. Van de meisjes, kinderen nog, die op het station rondzwerven, zegt ze: "Ik zag hoe afschuwelijk ze er aan toe waren. Vooral degenen die op de horse (heroïne) waren en daarom moesten tippelen. Ik zag hoe walgelijk ze het vonden als ze door een klant werden aangesproken, hoewel ze dan juist lief moesten lachen". Op blz. 145 vertelt ze over een verslaafde jongen in Berlijn. "Die was al zo kapot door het spuiten dat hij overal open plekken op zijn huid had. Hij verrotte terwijl hij nog leefde. Zijn voeten waren al afgestorven en pikzwart. Hij kon bijna niet meer lopen ... Als iemand tegen hem zei, dat hij beter naar het ziekenhuis kon gaan, grijnsde hij als een doodskop. Hij wachtte echt alleen nog maar op de dood". Verslaafden worden meestal niet oud. Een van Christiane's vrienden, Babsi, sterft op 14-jarige leeftijd als een van 84 officiële Berlijnse heroïneslachtoffers in 1971. Maar van een aantal “langlevenden" , die al meer dan vijf jaar spuiten, vertelt ze hoe gewelddadig en gewetenloos ze optreden. Christiane idealiseert niet: ze beschrijft haar vrienden in de ellende als mensen die geen echte communicatie meer hebben. "Ze schildert keihard de diepste ellende van het heroïnebestaan, de schraalheid, de kilte, de wanhoop en de verveling". En relaties zijn in wezen leeg en onbetrouwbaar.

Anders dan in de film is er in het boek wèl sprake van contacten tussen moeder en kind. Gevoelens van genegenheid, zeker van de moeder, zijn aanwezig. De beschouwing van de beide psychologen op de bladzijden 193 en 201 lijkt me uitstekend. Volgens hen zijn de mogelijkheden voor opvang en hulp in Duitsland zeer beperkt: voor 50.000 junkies zijn niet meer dan ongeveer 1300 plaatsen. De bijzonder snel groeiende groep 12-16 jarigen krijgen vrijwel geen kans te genezen. Zij stellen dat een jongere tegenwoordig net zo ontvankelijk voor drugs is als een volwassene voor het aanbod van de farmaceutische industrie. Ook spreken zij als hun mening in dit sombere stuk uit dat de maatschappij steeds meer drop-outs produceert, die geen perspectief zien voor hun toekomst en geen kracht kunnen putten uit hun verleden.

Drs R. van Amerongen zegt in zijn voorwoord dat het boek veel informatie geeft, zakelijk en emotioneel.
Hij prijst het omdat er geen opgeheven, waarschuwende vinger is en omdat er geen "mooi" slot aan gebreid is. Inderdaad, een "mooi" slot ontbreekt. Zoals alles wat nog iets moois heeft in deze autobiografie ontbreekt. Zoals de film is het boek: ontluisterend, nameloos grauwen somber. Er komen scènes in voor die ronduit walgelijk zijn. Boek en film gaan over een wereld die al tot ontbinding lijkt overgegaan en een dienovereenkomstige lucht komt je tegemoet. Een zee van nood en ellende spoelt je tegemoet, zó dat je denkt: hier is geen redden meer aan! Toch: wanhopen mag niet. Overal in de wereld zijn jongeren en ouderen uitgegaan, en hebben in de naam van Christus hun handen uitgestoken naar de naaste in grote nood en velen zijn gered. Laten we blijven bidden om meer mensen en meer mogelijkheden.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief