EEN MAN

1981-11-27
  • Jaargang 25
  • nummer 43
Een man, een boom, een berg, een steen,
munt, maand en jaargetij min een
zijn mannelijk, moet je weten ...

Ja, zo begint een oud versje. In die tijd, waarin we nog mannelijke, vrouwelijke onzijdige woorden kenden, werd het gebruikt. Met hulp van zo n versje werden groepen van woorden ingedeeld en onthouden.

Vandaag is dat te moeilijk voor de schooljeugd. Die heeft misschien nog van hij- en zijwoorden gehoord, maar ziet de rest niet meer zitten. En secretaressen, hoezeer ook in de menselijke biologie ingeleid, hebben gemeenlijk van de litteraire geslachtelijkheid niet veel kaas gegeten.

Zeg nu niet direct, dat mannelijke en vrouwelijke woorden een zaak van taalkundige nostalgie vormen. Want daarmee is de geslachtelijkheid van onze woorden met afgedaan. Toegegeven dat de Engelse taal die onderscheidingen niet meer schijnt te gebruiken - de Franse en de Duitse taal staan erop, dat u het lidwoord kent. En inderdaad hebben ook onze zelfstandige naamwoorden - net als die van alle landen, talen en tijden - een zodanige verwantschap met de geslachtelijke mens dat ze zonder moeite in de geslachten opgaan.

De schoot? De borst? Vrouwelijk natuurlijk. - De staf? De scepter? Mannelijk natuurlijk, - Maar het haar is onzijdig, komt bij beide geslachten voor. En één van de meest mannelijke woorden is natuurlijk het woord man.

Dat hebben niet biologen uitgevonden. Het onderscheid tussen man en vrouw is, wat we noemen, een van God ontvangen scheppingsgegeven.
Hij schiep de mens naar zijn beeld, en wel als man én vrouw. Beiden vulden elkaar aan, vormen samen één vlees. Twee mannen kunnen in Bijbelse zin niet samen een twee-eenheid vormen; twee vrouwen evenmin.
Dat zou tegen de van God gegeven natuur ingaan en wie het anders leert, moet dat maar weten. Maar hoeft het mij niet te laten weten.

Het woord man was al bekend bij de Franken, bij de Saksers, kwam als mon in het oud-Engels voor en als manna in het Gotisch. Men zegt dat u naar het West-Germaanse mannus moogt kijken, waarvan Marcomanni en Alammanni zijn afgeleid; ja, naar het oud-Indisch manu = mens, stamvader.
Er zijn zelfs taalkundigen, die bij 'mens' ook aan het Latijnse 'mens' denken, wat met geest, verstand wordt vertaald. De verbinding van die twee 'mens'-en zit in het beroemde spreekwoord van Blaise Pascal: al onze waardigheid bestaat in het denken, waardoor de mens zichzelf het denkende wezen noemt.

Hoewel aan de vrouw meer gevoel en aan de man meer verstand wordt toegeschreven, is het natuurlijk absurd het denken alleen voor de man te reserveren. Toch heeft de mannenmaatschappij, waarin wij leven, het denken sterk aan de man voorbehouden. De zusters, wie dat niet aanstaat, mogen denken: láát hen denken dat ze denken.

Belangrijk is dat de man niet slechts de wederhelft van de vrouw is - maar ook vader, levensverwekker. Een die het leven ontving en mag doorgeven.
In de bekende afstammingslijst van onze Heiland geeft Lucas een opsomming van vaders tot op Adam, 'de zoon van God'. Dat geeft te denken.
Elke zoon, die de vader van de man wordt, stamt af van zijn hemelse Vader.

Want man houdt verband met mens. Wanneer Eva als maninne wordt aangeduid, wordt zij mede-mens genoemd. En de naam Adam betekent niets meer dan mens; overdrachtelijk ook: vader, stamvader, alvader. Terwijl het woord adama 1) ook nog met bodem, stof, verband houdt. Want de mens Adam was uit aardse stoffen samengesteld, zoals u weet; waaraan de Heere God zijn eigen adem toevoegde.

Bij een man denken we aan moed, mannelijke moed; ook al een mannelijk woord. Want iemand die het leven aanvaardt en doorgeeft, is iemand met moed. Bij de beschrijving van ridders, vorsten, koningen, kortom van de menselijke exponenten, is moed altijd een der eerstgenoemde factoren.
Kijk maar naar de helden van David - teveel om op te noemen.

Toen de mens de opdracht kreeg deze wereld te houwen en te bewaren, was daar koninklijke moed voor nodig. De man moest de wereld kennen, doorgronden, van namen voorzien, determineren. Dat betekent dat hij er koninklijk boven moest staan: alle waarden afmeten naar zichzelf; daartoe de schepping en zichzelf kennen, zelfs bekennen 2). En hij mocht er niet bang voor zijn, er niet voor weglopen - het aankunnen!

In de middeleeuwen werd een jonge jager pas in het jagersgilde opgenomen: na volbrachte proeftijd. Daarbij werd een spreuk gebruikt, die onder meer inhield: Gürt deine Lenden wie ein Mann, der sein Hom recht blasen kann. Het zich verstaanbaar maken op afstand hing samen met het zich doen gelden op afstand; door middel van jachthoorn en
werpspeer of boemerang. Beide attributen duiden op mannelijke moed.
Als van Nimrod.

En dan kennen we de Bijbelse term man-Gods. Die wordt gebruikt voor een profeet, maar geldt later evenzeer voor de christen in het algemeen.
Deze titel geeft onze ondergeschiktheid aan onze hemelse Vader aan.
Want we zijn, hoe zeer ook mannen, geen wezens die een eigen leventje kunnen leiden; we staan in ons man-zijn allen in dienst van God.

Door de nadrukkelijkheid heeft de term man-Gods toch wel de waarde van een eretitel verkregen. Daar kunnen we niet om heen. De man-Gods steekt boven de gemiddelde man uit. Evenals minister (= dienaar) een titel werd boven de gewone burger. Evenals het Engelse knight (= knecht) de titel voor een edelman is geworden. Evenals het Franse maréchal (= paardeknecht) de aanduiding van maarschalk heeft verworven. Evenals het Latijnse dominus (= heer) in de kerk de betekenis van heer-ser heeft gekregen. Sommige woorden lijden aan inflatie - andere profiteren van een soort déflatie. Laten we nuchter blijven en de man-Gods zien als een loopjongen voor het Evangelie.
Doordat de man, de mens, de mensheid, aan de top van de schepping is gesteld, heeft hij op vele dingen zijn stempel gedrukt. Denk eens aan het woord munt; van huis uit een schijfje edelmetaal, waarop de vorstelijke eigenaar zijn portret of naam had gedrukt. Want munt heeft ook al met man, mens, te maken. De Romeinen srpaken van moneta (waarin u het woord monetair herkent) en bedoelden daarmee niets anders dan wat de Heiland zei: "van wie is het beeld op dit geldstuk? Geef dan aan de keizer wat van de keizer is". In België bestaat de uitdrukking, voor iets dat veel geld gaat kosten: dat kost stukken van mensen! 3)

Ik zou me kunnen voorstellen dat ook monster iets met mon, mens, man te maken heeft. Het Franse montrer, tonen, is: aan de mens voorleggen.
Een monster is een aan de (koop)man getoond deel van de koopwaar.
De rij orgelpijpen, die vanuit het kerkgebouw voor de mens zichtbaar zijn opgesteld, heet in het Frans montre.

Al die dingen hangen met de man samen. En er zou nog veel meer te noemen zijn; misschien doen we dat wel in een vervolg. Voor vandaag sluiten we met een lesje van Victor Hugo: "Man te zijn is niet zo gemakkelijk.
Het is zijn kracht stellen in dienst van de zwakken; het is lijden; het is strijden met de verdrukten; het is allen willen oprichten, die vernederd werden; het is de misdeelden liefhebben".

1) Het woord macadam, geteerde steenweg, komt van de Schot Macadam, die dit voordelige procedé uitvond.
2) Bekennen is van ouds: door en door kennen.
3) Munten met mensenkoppen er op.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief